Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4;
- de zittingsaantekeningen van mr. Zuidema;
2.De feiten
in het huis onder (…) en partij B[rechtbank: [gedaagde] ]
(…) huis boven.
Rechtbank Limburg
Partijen, die sinds 1975 een affectieve relatie hadden en samenwoonden, sloten in 1983 een samenlevingsovereenkomst en kochten in 1990 gezamenlijk een perceel met onroerend goed. In 2007 sloten zij een nadere overeenkomst voor de vermogensrechtelijke afwikkeling bij duurzame ontwrichting van hun relatie, waarin afspraken zijn gemaakt over de feitelijke verdeling van het onroerend goed en de financiële draagplicht van hypotheken.
Na beëindiging van de relatie wenste eiser een formele splitsing van het onroerend goed met financiële compensatie wegens overbedeling, terwijl gedaagde stelde dat de overeenkomst een volledige verdeling zonder verdere waardering beoogde. De rechtbank kwalificeerde de overeenkomst als een vaststellingsovereenkomst en oordeelde dat partijen een alomvattende regeling hebben getroffen, waarbij alleen de leveringshandeling nog rest.
De rechtbank concludeerde dat de vordering tot wijziging van de overeenkomst op grond van dwaling verjaard is, omdat eiser al in 2014 op de hoogte was van de vermeende dwaling. De vordering tot medewerking aan de splitsing werd toegewezen zonder oplegging van een dwangsom, terwijl de vordering tot financiële compensatie werd afgewezen. Proceskosten werden gecompenseerd zodat partijen ieder hun eigen kosten dragen.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt gedaagde tot medewerking aan de splitsing van het onroerend goed en wijst de vordering tot financiële compensatie af wegens verjaring van het beroep op dwaling.