Vergunninghouders vroegen op 29 december 2020 een omgevingsvergunning aan voor de verbouwing van een pand tot zeven zelfstandige woningen aan een adres in Maastricht. Het college verleende de vergunning op 16 september 2021, waarna eisers bezwaar maakten. Het bezwaar werd op 3 februari 2022 afgewezen met enkele aanvullende voorwaarden, waaronder het uitsluiten van bewoning door studenten en het zekerstellen van parkeerplaatsen.
Eisers voerden onder meer aan dat vergunninghouders geen belanghebbenden zouden zijn omdat de ontsluiting via een straat verloopt die voor hen beperkt toegankelijk is. De rechtbank oordeelde echter dat vergunninghouders eigenaar zijn van het pand en dat de gemeente eigenaar is van de ontsluitingsstraat, waarbij toestemming is verleend voor gebruik door de bewoners. Dit maakt vergunninghouders belanghebbenden in de zin van de Awb.
De rechtbank stelde vast dat de vergunning een gebonden beschikking betreft op grond van artikel 2.10 Wabo, waarbij alleen weigeringsgronden uit dat artikel tot weigering kunnen leiden. Deze weigeringsgronden doen zich niet voor. Civielrechtelijke geschillen over erfdienstbaarheden zijn niet aan de bestuursrechter. Ook andere beroepsgronden zoals de locatie van de hoofdingang, studentenbewoning en geluidsoverlast faalden binnen het beperkte toetsingskader.
Ten slotte verwierp de rechtbank het betoog over misbruik van bevoegdheid en schending van zorgvuldigheidsbeginselen. De vergunning is zorgvuldig en gemotiveerd verleend. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.