Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
- de intensiteit van de samenwerking,
- de onderlinge taakverdeling,
- de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict,
- het belang van de rol van de verdachte,
- diens aanwezigheid op belangrijke momenten en
- het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf
7.De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:
- geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
- voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- bepaalt dat de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
- veroordeelt de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van € 1500,-;
- vermeerdert dit bedrag met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 24 januari 2023 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen, met dien verstande dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
- veroordeelt de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 2.635,-;
- vermeerdert dit bedrag met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 24 januari 2023 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 36 dagen, met dien verstande dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.