ECLI:NL:RBLIM:2024:3879

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 juli 2024
Publicatiedatum
28 juni 2024
Zaaknummer
ROE 23/1812
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 1 sub e Tijdelijke regeling financiële tegemoetkoming voor slachtoffers van geweld in de jeugdzorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag financiële tegemoetkoming slachtoffers geweld in jeugdzorg wegens ontbreken residentieel verblijf

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Tijdelijke regeling financiële tegemoetkoming voor slachtoffers van geweld in de jeugdzorg, waarbij hij stelde dat hij van 2006 tot 2008 residentieel verbleef in het Medisch Kinderdagverblijf Parkstad Uitkijktoren en daar fysiek en psychisch geweld heeft ervaren.

De commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven wees de aanvraag af omdat eiser niet dag en nacht verbleef in een instelling die residentiële hulpverlening biedt, een vereiste voor de tegemoetkoming. De rechtbank bevestigt dit oordeel na onderzoek en stelt vast dat het medisch dagverblijf een deeltijds dagverblijf was, waarbij kinderen enkel overdag verbleven.

Eiser voerde aan dat bewijs van residentieel verblijf ontbreekt door vernietiging van het dossier en dat coulance toegepast moet worden, maar de rechtbank oordeelt dat de commissie terecht geen coulance toepaste omdat voldoende bewijs ontbrak. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt omdat de regeling slechts een specifieke groep slachtoffers beoogt te compenseren.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de aanvraag af. Tevens wordt het beroep op betalingsonmacht gehonoreerd, waardoor geen griffierecht wordt geheven.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van residentieel verblijf, waardoor geen tegemoetkoming wordt toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 23/1812

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. G. Tajjiou),
en

de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een tegemoetkoming voor slachtoffers van geweld in de jeugdzorg.
1.1.
De commissie heeft deze aanvraag met het besluit van 27 april 2023 afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een tegemoetkoming. Met de beslissing op bezwaar van 4 augustus 2023 heeft de commissie dit standpunt gehandhaafd.
1.2.
De commissie heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van eiser en de commissie.
1.4.
Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de commissie verzocht om een aanvullend stuk in te dienen. Vervolgens heeft de rechtbank eiser in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. De rechtbank heeft partijen daarna laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de commissie om aan eiser een tegemoetkoming voor slachtoffers van geweld in de jeugdzorg te verstrekken. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Dat wil zeggen dat de commissie zijn aanvraag terecht heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiser verbleef van 2006 tot 2008 in het Medisch Kinderdagverblijf Parkstad Uitkijktoren (hierna het medisch dagverblijf). In die periode is er volgens eiser sprake geweest van fysiek en psychisch geweld. Om die reden heeft hij op 15 september 2022 een aanvraag ingediend voor een uitkering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Eiser maakt specifiek aanspraak op de Tijdelijke regeling financiële tegemoetkoming voor slachtoffers van geweld in de jeugdzorg (de tijdelijke regeling). De aanvraag is afgewezen omdat er geen sprake was van residentieel verblijf nu eiser niet dag en nacht verbleef op het medisch dagverblijf. In bezwaar heeft de commissie dit besluit gehandhaafd.
Wat vindt eiser in beroep?
5. In beroep heeft eiser aangevoerd dat zijn ervaringen binnen de jeugdzorg voldoen aan de gestelde criteria voor de financiële tegemoetkoming. Eisers getraumatiseerde verleden en de aanhoudende gevolgen daarvan vormen een treffende illustratie van het lijden waarvoor de regeling in het leven is geroepen. Hij heeft 24-uurs zorg ontvangen in het medisch kinderdagverblijf. Ter onderbouwing daarvan verwijst hij naar de zich in het dossier bevindende brief van Xonar van 5 oktober 2022 waaruit, volgens hem, blijkt dat er naast ambulante zorg sprake is geweest van verblijf deeltijd in het medisch kinderdagverblijf van 18 december 2006 tot en met 17 maart 2008. Dit vormt volgens eiser voldoende bewijs voor residentieel verblijf. Het ontbreken van verder bewijs van residentieel verblijf binnen de jeugdzorg kan niet aan hem worden toegerekend omdat het dossier is vernietigd zodat verder bewijslevering niet mogelijk is. Mede in het licht van de wetsgeschiedenis dient hij het voordeel van de twijfel te krijgen. Eiser verwijst daarbij naar de toelichting op de tijdelijke regeling. Meer specifiek haalt hij daaruit aan dat er coulance toegepast dient te worden bij gevallen waarin bewijs ontbreekt binnen de gestelde regeling. Tot slot beroept eiser zich op het evenredigheidsbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank stelt voorop dat uit het dossier voldoende blijkt dat eiser veel heeft meegemaakt tijdens zijn jeugd en dat dit een diepe indruk op hem heeft gemaakt. De commissie geeft ook aan in zijn besluit zich ervan bewust te zijn dat de gebeurtenissen in het medisch dagverblijf voor eiser ingrijpend zijn geweest. De vraag is alleen of eiser voldoet aan de door de wetgever gestelde voorwaarden in de tijdelijke regeling. Daarvoor is van belang of eiser onder verantwoordelijkheid van de overheid in een pleeggezin dan wel instelling is geplaatst en hier residentieel verblijf had. Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming uit de tijdelijke regeling is immers als voorwaarde gesteld dat het moet gaan om een instelling die aanbieder is van residentiële hulpverlening aan jeugdigen. [1] Het moet dan gaan om een instelling waarin een slachtoffer dag en nacht buiten zijn eigen omgeving verblijft. Jeugdzorg of jeugdbescherming die ambulant of als dagbesteding wordt verleend valt hier niet onder. [2] Dit is een bewuste keuze geweest van de wetgever.
6.1.
De bewijslast dat aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming wordt voldaan ligt in beginsel bij de aanvrager. Bij de beoordeling van de aanvragen wordt echter coulance betracht ten aanzien van die bewijslast. Daarmee wordt bedoeld dat de aannemelijkheidstoets die in het tweede lid van artikel 2 van Pro de tijdelijke regeling is neergelegd, de commissie beoordelingsruimte geeft waardoor zij rekening kan houden met de bewijsproblemen die het gevolg zijn van het tijdsverloop. Alleen de verklaring van het slachtoffer zelf is in beginsel onvoldoende om een aanvraag te kunnen honoreren. Het persoonlijke verhaal van het slachtoffer zal waar mogelijk moeten worden ondersteund met andere informatie, dat als steunbewijs kan dienen. Ook staat in de toelichting vermeld dat de commissie zich zo veel mogelijk zal inspannen om rechterlijke beslissingen op te vragen bij de rechtspraak ter onderbouwing van de plaatsing onder verantwoordelijkheid van de overheid.
6.2.
De rechtbank is het met de commissie eens dat niet is gebleken dat het medisch dagverblijf, waar eiser verbleef, een instelling is in de zin van de tijdelijke regeling. De commissie heeft naar aanleiding van het bezwaar van eiser onderzoek gedaan bij de organisatie Xonar (de overkoepelende organisatie dan wel rechtsopvolger van het medisch kinderdagverblijf). Uit dit contact bleek dat het medisch kinderdagverblijf altijd, ook in de periode van 2006 tot en met 2008, een medisch kleuterdagverblijf was. Xonar gaf over ‘verblijf deeltijd’ aan dat in het verleden het medisch kinderdagverblijf in de productcategorie Verblijf Deeltijd viel. Dat betekent dat kinderen daar enkel overdag verbleven, van ongeveer 9 uur tot 15.30 uur. Omdat op grond van deze informatie, anders dan eiser aangeeft, met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat eiser niet dag en nacht verbleef in het medisch kinderdagverblijf komt hij niet in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van de tijdelijke regeling. Nu er geen sprake is van het ontbreken van bewijs was er ook geen reden voor de commissie om coulance toe te passen. De commissie heeft dan ook niets anders kunnen doen dan de aanvraag afwijzen. De commissie heeft op grond van de tijdelijke regeling immers geen ruimte om hiervan af te wijken.
6.3.
De rechtbank ziet in hetgeen is aangevoerd door eiser geen grond voor het oordeel dat toepassing van de tijdelijke regeling in het voorliggende geval onevenredig is. Het feit dat eiser geen vergoeding voor zijn gestelde schade heeft gekregen, hoe vervelend dat ook is, maakt niet dat de commissie zonder meer gehouden zou zijn om schade te vergoeden. De tijdelijke regeling is niet bedoeld om alle slachtoffers van geweld te compenseren, maar slechts een heel specifieke groep, waarvan de rechtbank – net als de commissie – niet is gebleken dat eiser daaronder valt.
Beroep op betalingsonmacht
7. Eiser heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan. De rechtbank zal dit verzoek (definitief) honoreren, zodat geen griffierecht zal worden geheven en vergoeding hiervan daarom niet aan de orde is.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2024
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 1 juli 2024

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 1 sub e van Pro de tijdelijke regeling.
2.Zie de toelichting op de tijdelijke regeling (te vinden op www.officielebekendmakingen.nl: Staatscourant 2020, 61740, p. 5-6).