Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
€ 600,00-/-
Rechtbank Limburg
DHKnl en [gedaagde] sloten op 29 april 2020 een overeenkomst voor levering en montage van drie kunststof kozijnen voor € 2.400. Na een aanbetaling van € 1.200 op 4 mei 2020 leverde en monteerde DHKnl de kozijnen op 9 juli 2020. [gedaagde] betaalde het resterende bedrag niet, waarop DHKnl betalingsherinneringen stuurde.
Na correspondentie over beschadigingen in oktober 2020 bleef het stil tot een aanmaning in januari 2023. [gedaagde] stelde dat de vordering was verjaard, wat de kantonrechter bevestigde. De verjaringstermijn van twee jaar voor consumentenkoop was verstreken, en de latere aanmaning was te laat om de verjaring te stuiten.
DHKnl kon geen geldige stuitingshandeling aantonen en de deelbetaling van [gedaagde] in april 2023 werd niet als erkenning van de volledige vordering gezien. De kantonrechter oordeelde dat de vordering verjaard was en wees deze af, waarbij DHKnl de proceskosten van € 50 aan [gedaagde] moest vergoeden.
Uitkomst: De vordering van DHKnl wordt afgewezen wegens verjaring; DHKnl moet proceskosten betalen.