ECLI:NL:RBLIM:2024:5117
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.M.J. Quaedvlieg
- K.G. Witteman
- J. Trifunović
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs afpersing ondanks bedreigingen
De rechtbank Limburg behandelde op 16 juli 2024 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van afpersing van het slachtoffer in de periode van september 2019 tot mei 2022. De officier van justitie vorderde bewezenverklaring op basis van verklaringen van het slachtoffer, getuigenverklaringen en audiofragmenten op de telefoon van verdachte. De verdediging betoogde dat de verklaringen van het slachtoffer ongeloofwaardig waren en dat er geen overtuigend bewijs was voor afgifte van geld onder dwang.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van het slachtoffer op essentiële punten inconsistent en aantoonbaar onjuist waren, waardoor deze niet betrouwbaar zijn en niet kunnen worden gebruikt als bewijs. Hoewel er een relatie tussen verdachte en slachtoffer bestond waarbij geld werd gegeven, was er onvoldoende bewijs dat dit onder geweld of bedreiging gebeurde.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastegelegde afpersing. De rechtbank benadrukte dat het ontbreken van betrouwbaar bewijs en de inconsistenties in de verklaringen doorslaggevend waren voor deze beslissing.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van drie rechters op 30 juli 2024 in Maastricht. De zaak werd gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met een zaak tegen een medeverdachte.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor afpersing.