ECLI:NL:RBLIM:2024:5307

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
7 augustus 2024
Publicatiedatum
8 augustus 2024
Zaaknummer
11040486 CV24-1843
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 ZorgverzekeringswetArt. 6:119 BWBesluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling zorgpremies en buitengerechtelijke kosten door verzekerde

CZ Zorgverzekeringen vordert betaling van onbetaalde zorgpremies van verzekerde, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. Verzekerde betwist het bestaan van een zorgverzekeringsovereenkomst en beroept zich op gemoedsbezwaardheid, zonder bewijs.

De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen een zorgverzekeringsovereenkomst is gesloten op basis van het aanmeldingsformulier en het ontbreken van opzegging. De stelling van gemoedsbezwaardheid wordt verworpen vanwege het ontbreken van erkenning door de Sociale Verzekeringsbank of bewijs van betaling aan het CAK.

De kantonrechter wijst de vordering toe, inclusief de buitengerechtelijke kosten conform het toepasselijke Besluit en de wettelijke rente. Verzekerde wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is op 7 augustus 2024 uitgesproken door mr. R.P.J. Quaedackers.

Uitkomst: Verzekerde wordt veroordeeld tot betaling van onbetaalde premies, incassokosten, wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11040486 \ CV EXPL 24-1843
Vonnis van 7 augustus 2024
in de zaak van
de naamloze vennootschap
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd en kantoor houdende te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 maart 2024
- de schriftelijke weergave van het antwoord
- de conclusie van repliek tevens inhoudende een vermeerdering van eis
- de schriftelijke weergave van de dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
CZ vordert - na vermeerdering van eis - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 760,87‬, bestaande uit € 689,00 aan hoofdsom, € 62,01 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten en € 9,86 aan vervallen wettelijke rente, vermeerderd met de wettelijke rente over
€ 413,40, alsmede de proceskosten.
2.2.
[gedaagde] voert verweer.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
CZ legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is met CZ per
1 januari 2021 een zorgverzekeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 3 van Pro de Zorgverzekeringswet aangegaan. CZ verwijst daartoe naar het door [gedaagde] ingevulde aanmeldingsformulier. De overeenkomst heeft betrekking op de verplichte verzekering en een aanvullende verzekering. Eind 2022 heeft CZ een nieuwe zorgverzekeringspolis ingaande per 1 januari 2023 aangeboden aan [gedaagde] . CZ stelt geen opzegging te hebben ontvangen van [gedaagde] en de huidige zorgverzekeringsovereenkomst is dan ook per 1 januari 2023 ingegaan. Op grond van voornoemde overeenkomst is [gedaagde] aan CZ onder andere periodieke premie verschuldigd. CZ stelt dat [gedaagde] een bedrag van € 689,00 aan verschuldigde premies onbetaald heeft gelaten.
3.2.
[gedaagde] stelt geen overeenkomst te zijn aangegaan met CZ en stelt daarnaast bezig te zijn met gemoedsbezwaardheid.
3.3.
Ten aanzien van de door [gedaagde] gestelde gemoedsbezwaardheid stelt CZ dat dit niet bekend is bij CZ. [gedaagde] legt geen stukken over waaruit blijkt dat zij door de Sociale Verzekeringsbank als gemoedsbezwaarde is erkend en een ontheffing van de premieplicht heeft gekregen. [gedaagde] legt ook geen bewijzen over dat zij een bijdrage vervangende belasting betaalt aan het CAK.
3.4.
[gedaagde] stelt de conclusie van repliek van CZ niet te hebben gelezen omdat de envelop reeds geopend werd aangeleverd. [gedaagde] blijft bij haar standpunt dat zij geen overeenkomst heeft gesloten met CZ en daarom niet betaalt.
3.5.
Overwogen wordt als volgt. [gedaagde] is een consument, althans wordt vermoed een consument te zijn. Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient de rechter de beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht ook toe te passen als daar niet om gevraagd is (‘ambtshalve toepassing’).
3.6.
De kantonrechter is van oordeel dat in deze zaak geen beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht zijn geschonden.
3.7.
De kantonrechter oordeelt dat, bij gebrek aan een gemotiveerde betwisting door [gedaagde] , is komen vast te staan dat tussen CZ en [gedaagde] een zorgverzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen. De kantonrechter volgt het gestelde door [gedaagde] met betrekking tot de gemoedsbezwaardheid, bij gebrek aan onderbouwing, niet. Het niet lezen van de conclusie van repliek en het dus niet inhoudelijk kunnen ingaan op deze conclusie van repliek alsmede de eisvermeerdering komt verder voor rekening en risico van [gedaagde] . Op grond van het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat de gevorderde hoofdsom wordt toegewezen nu de verschuldigdheid van de premies is komen vast te staan.
3.8.
CZ maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en wordt toegewezen.
3.9.
De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen.
3.10.
[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
136,72
- griffierecht
328,00
- salaris gemachtigde
270,00
(2,00 punten × € 135,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
802,22
4. De beslissing
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen een bedrag van € 760,87, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 413,40, met ingang van 25 maart 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 802,22‬, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2024.
SH