Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 25 juni 2024.
Rechtbank Limburg
Partijen, ex-partners met een minderjarig kind, zijn gezamenlijk eigenaar van een woning waarin de vrouw en het kind verblijven. Na een relatiebreuk en een huisverbod opgelegd aan de man wegens mishandeling, vordert de vrouw in kort geding dat de man de woning verlaat en de sleutels overhandigt. De man vordert in reconventie een voorlopige zorgregeling voor het kind.
De voorzieningenrechter overweegt dat de vrouw een spoedeisend belang heeft bij haar vordering, mede vanwege het recente huisverbod, de mishandelingaangifte en het feit dat de man zonder toestemming de woning betrad en schade veroorzaakte. Het belang van de vrouw en het kind bij ongestoord gebruik van de woning weegt zwaarder dan het belang van de man bij toegang tot de woning en het behouden van de sleutels.
De man is reeds verhuisd naar een huurwoning en kan zijn spullen via de vrouw ophalen. De vordering van de vrouw wordt toegewezen, met een dwangsom bij niet-naleving. De man wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot voorlopige zorgregeling, omdat hij reeds regelmatig contact heeft met het kind en er geen spoedeisend belang is. Daarnaast is de relatie tussen partijen verslechterd, waardoor nader onderzoek nodig is voor een zorgregeling.
De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De man moet de woning verlaten en de sleutels overdragen, terwijl hij niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering tot voorlopige zorgregeling.