Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure in de hoofdzaak
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 juni 2024,
Rechtbank Limburg
In deze civiele procedure vordert eiseres de terugbetaling van een geldlening van €70.647, verstrekt aan gedaagde en diens ex-partner ter aflossing van een belastingdienstschuld. Gedaagde erkent hoofdelijke aansprakelijkheid maar betwist de opeisbaarheid en stelt verjaring en rechtsverwerking als verweer.
De rechtbank oordeelt dat de vordering niet verjaard is omdat geen concrete opeising in 2014 is gesteld en de sommatie van 2022 binnen de verjaringstermijn valt. Het beroep op rechtsverwerking faalt wegens gebrek aan bewijs dat eiseres haar rechten heeft verwerkt. De aanvullende vordering van €8.000 wordt afgewezen omdat eiseres onvoldoende feiten heeft gesteld om te bewijzen dat dit bedrag een lening betreft in plaats van een schenking.
Daarnaast vordert gedaagde vrijwaring van zijn ex-partner voor de terugbetaling, stellende dat zij de schuld zou dragen. De rechtbank wijst dit af wegens ontbreken van bewijs en onlogische verdeling van de schulden. De proceskosten worden toegewezen aan de winnende partij. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van €72.128,47 met rente en proceskosten en wijst de aanvullende lening en vrijwaringsvordering af.