In deze zaak vordert een webshop gevestigd in Duitsland betaling van openstaande facturen van een Nederlandse consument die diverse bestellingen heeft geplaatst. De consument erkent de overeenkomst, maar betwist de ontvangst van de bestelde artikelen. De webshop stelt dat de consument nog een bedrag van € 323,95 verschuldigd is, vermeerderd met rente en incassokosten.
De rechtbank stelt vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat Nederlands recht van toepassing is op de overeenkomst. Uit de feiten blijkt dat de consument meerdere bestellingen heeft gedaan en dat één bestelling retour is gezonden, waarvoor correctie op het factuurbedrag is toegepast. De webshop heeft echter onvoldoende bewijs geleverd dat de overige bestellingen daadwerkelijk zijn geleverd.
De consument heeft aangevoerd dat zij tijdens de leveringsdata op vakantie was en dat de bestellingen niet bij haar of haar buren zijn afgeleverd. Ook heeft zij stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij contact heeft gehad met de webshop over de niet-geleverde artikelen. De webshop heeft nagelaten bewijs te leveren, zoals verklaringen van de bezorgdienst, die haar stellingen zouden kunnen onderbouwen.
De rechtbank oordeelt dat de webshop onvoldoende heeft aangetoond dat de consument de bestellingen heeft ontvangen en wijst de vordering af. De proceskosten worden aan de webshop opgelegd. Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter A. de Boer en op 28 augustus 2024 in het openbaar uitgesproken.