ECLI:NL:RBLIM:2024:6266

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 september 2024
Publicatiedatum
13 september 2024
Zaaknummer
11106702 \ CV EXPL 24-2475
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering wegens niet-deugdelijke restauratiewerkzaamheden en schadevergoeding

Eiseres sloot in maart 2023 een overeenkomst met een persoon die zich voordeed als [naam] voor restauratiewerkzaamheden aan haar bankstel. De werkzaamheden bleken niet deugdelijk te zijn uitgevoerd. Nadat herstel uitbleef, liet eiseres een deskundigenonderzoek verrichten dat de schade bevestigde gelijk aan het betaalde bedrag.

Eiseres vorderde vervolgens vervangende schadevergoeding van € 3.569,50, de kosten van het deskundigenonderzoek van € 1.249,57 en buitengerechtelijke incassokosten van € 606,91. Gedaagde, die op de offerte met haar handelsnaam en KvK-nummer stond vermeld, voerde geen inhoudelijk verweer en ontkende betrokkenheid.

De kantonrechter oordeelde dat eiseres mocht aannemen met gedaagde te hebben gecontracteerd, mede gelet op de vermelding van de handelsnaam en KvK-nummer op de offerte, het bankrekeningnummer en de locatie van het bedrijf. Gedaagde betwistte de stellingen niet na gelegenheid tot repliek. De gevorderde schadevergoeding, kosten en incassokosten werden toegewezen, met rente vanaf de dagvaarding. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van het totaalbedrag van € 5.425,98, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 5.425,98 schadevergoeding, kosten en rente.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11106702 \ CV EXPL 24-2475
Vonnis van 11 september 2024
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V.,
tegen
[gedaagde] , H.O.D.N. [handelsnaam],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord
- de conclusie van repliek
- [gedaagde] heeft geen conclusie van dupliek genomen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] heeft in maart 2023 met een persoon zich noemende [naam] een overeenkomst gesloten voor het uitvoeren van restauratiewerkzaamheden aan haar bankstel. Deze werkzaamheden zijn niet deugdelijk uitgevoerd.
2.2.
[naam] is in gebreke gesteld, maar is niet tot herstel overgegaan. [eiseres] heeft vervolgens een deskundigenonderzoek laten verrichten, waarvoor zij € 1.249,57 aan kosten heeft gemaakt. De deskundige heeft in het rapport van 25 oktober 2023 onder punt 3 op pagina 7 ten aanzien van de hoogte van de schade het volgende opgemerkt:
“De hoogte van de schade staat wat mij betreft gelijk aan het door de consument betaalde bedrag.”
2.3.
Bij brief van 6 november 2023 heeft [eiseres] vervangende schadevergoeding gevraagd van € 3.569,50. Betaling hiervan is uitgebleven.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 5.425,98, vermeerderd met rente en de proceskosten.
3.2.
[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij met [naam] een overeenkomst heeft gesloten voor het uitvoeren van restauratiewerkzaamheden aan haar bankstel. Deze werkzaamheden zijn volgens [eiseres] niet goed uitgevoerd. Hiervoor beroept zij zich op het in opdracht van haar uitgevoerde deskundigenonderzoek. Na meerdere aanmaningen vordert [eiseres] nu de door haar betaalde hoofdsom van € 3.569,50 als vervangende schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2023. Tevens vordert [eiseres] de kosten van de ingeschakelde deskundige van € 1.249,57 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 606,91.
3.3.
[eiseres] heeft [gedaagde] gedagvaard omdat [gedaagde] met haar handelsnaam en Kamer van Koophandel-nummer op de offerte van [naam] staat genoemd.
3.4.
Op de conclusie van repliek van [eiseres] is door [gedaagde] niet meer gereageerd.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Centraal staat vraag of [eiseres] de overeenkomst met [gedaagde] heeft gesloten, meer in het bijzonder of [gedaagde] zich heeft uitgegeven voor [naam] .
4.2.
Het antwoord op de vraag wie de contractspartij is, hangt af van hetgeen hij en die ander daaromtrent over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877).
4.3.
Voorop wordt gesteld dat uit de door [eiseres] overgelegde productie 2 blijkt dat de bedrijfsnaam van [gedaagde] ( [handelsnaam] ) op de uitgebrachte offertes staat, samen met haar Kamer van Koophandel-nummer.
4.4.
[gedaagde] is op de rolzitting verschenen. Zij voert geen inhoudelijk verweer maar geeft te kennen dat haar onderneming [handelsnaam] sinds januari 2023 stil ligt. Met de offerte van [naam] heeft zij niks te maken. [naam] zegt haar niets en kent zij ook niet.
4.5.
Bij repliek voert [eiseres] aan dat uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt – anders dan [gedaagde] ter zitting heeft verklaard – dat [handelsnaam] op datum uittreksel (20 februari 2024) nog actief was. Verder wijst zij erop dat [eiseres] het bedrag van € 3.569,50 heeft overgemaakt op het bankrekeningnummer dat op de offerte van [naam] staat en dat die rekening (blijkens productie 3) op naam staat van [naam bv] , een bedrijf dat gespecialiseerd is in het reinigen en repareren van meubels en interieur, en dat – net zoals [handelsnaam] – ook is gevestigd op het adres [adres] in [vestigingsplaats] (productie 13). Tot slot merkt [eiseres] op dat [gedaagde] op internet “7 maanden geleden” een vijfsterrenreferentie heeft geplaatst over [naam] , wat haar standpunt ter zitting, dat zij nog nooit van [naam] had gehoord, ongeloofwaardig maakt. [eiseres] concludeert op basis van dit een en ander – zo begrijpt de kantonrechter – dat [gedaagde] wel degelijk de partij is met wie zij heeft gecontracteerd en dat zij daarvan ook mocht uitgaan.
4.6.
Nu [gedaagde] , hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen conclusie van dupliek heeft genomen gaat de kantonrechter ervan uit dat zij de onder 4.5. weergegeven stellingen niet langer betwist, zodat van de juistheid daarvan kan worden uitgegaan. Dat betekent dat
de conclusie is dat de vordering tot betaling van de vervangende schadevergoeding van € 3.569,50 en de gemaakte kosten voor de deskundige ten bedrage van € 1.249,57, waarvan de hoogte verder ook niet is betwist, wordt toegewezen.
4.7.
De gevorderde rente over de hoofdsom van € 3.569,50 kan slechts worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding. Er is namelijk niet toegelicht waarom de rente met ingang van 15 juni 2023 verschuldigd is.
4.8.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering komt overeen met de staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en gelet daarop is het gevorderde bedrag van € 606,91 toewijsbaar.
4.9.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
- kosten deskundige

3.569,50
1.249,57
- buitengerechtelijke incassokosten
606,91
+
totaal
5.425,98
4.10.
[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
140,84
- griffierecht
248,00
- salaris gemachtigde
678,00
(2,00 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.201,84
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 5.425,98, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 3.569,50 met ingang van 8 mei 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.201,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2024.
VC