AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Tussenuitspraak over oproeping overige erfgenamen in processueel ondeelbare rechtsverhouding
De rechtbank Limburg heeft op 25 september 2024 een tussenvonnis gewezen in een civiele procedure tussen eiser en gedaagde over een vordering uit hoofde van een ouderlijke boedelverdeling. Eiser is enig erfgenaam van zijn vader, die samen met zijn broer en zus erfgenaam was van hun vader. Het testament van de overgrootvader bevatte een ouderlijke boedelverdeling met regels voor plaatsvervulling.
Eiser vordert uitbetaling van een vorderingsrecht dat volgens hem opeisbaar is geworden door het huwelijk van gedaagde in 2012. De rechtbank stelt vast dat het hier gaat om een processueel ondeelbare rechtsverhouding, waarbij een beslissing slechts kan worden gegeven als alle betrokken erfgenamen partij zijn. Omdat eiser de andere erfgenamen niet heeft opgeroepen, beveelt de rechtbank hem om binnen twee weken de overige erfgenamen te betekenen en op te roepen om in de procedure te verschijnen.
De rechtbank wijst erop dat de oproeping moet geschieden conform artikel 118 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Tevens wordt bepaald dat gedaagde tegen de roldatum schriftelijk mag reageren op de eiswijziging en dat de opgeroepen erfgenamen in de gelegenheid worden gesteld een conclusie van antwoord in te dienen. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat de procedure met alle partijen kan worden voortgezet.
Uitkomst: De rechtbank beveelt eiser om de overige erfgenamen op te roepen en houdt verdere beslissing aan.
Uitspraak
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/328886 / HA ZA 24-141
Vonnis van 25 september 2024 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats eiser] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. E.A.C. Nijhof-Top,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats gedaagde] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. W.G.M.M. van Montfort.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de akte houdende wijziging van eis zijdens [eiser]
- de mondelinge behandeling van 12 september 2024.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.De beoordeling
De eiswijziging
2.1.
[eiser] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling kenbaar gemaakt zijn eis te wijzigen en daartoe op 11 september 2024 een akte wijziging eis ingediend. [gedaagde] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bezwaar tegen de eiswijziging gemaakt, omdat zij onvoldoende tijd heeft gehad om zich daarop voor te bereiden. Indien zij in de gelegenheid wordt gesteld daar alsnog schriftelijk op te reageren heeft zij geen bezwaar tegen de eiswijziging.
2.2.
De rechtbank zal de eiswijziging toestaan en de zaak verwijzen naar de rol van 23 oktober 2024voor het indienen van een antwoordakte aan de zijde van [gedaagde] .
Processueel ondeelbare rechtsverhouding
2.3.
[eiser] is enig erfgenaam in de nalatenschap van zijn vader, [vader van eiser] , overleden [overlijdensdatum 1] 2006. [vader van eiser] was samen met zijn broer [oom van eiser] en zus [tante van eiser] erfgenaam in de nalatenschap van hun vader, [opa van eiser] , geboren op [geboortedatum] 1939 en overleden op [overlijdensdatum 2] 2004 (hierna: erflater). Het testament van erflater bevatte een ouderlijke boedelverdeling. Tevens waren in het testament de regels van plaatsvervulling van toepassing verklaard. Na het overlijden van erflater is de hoogte van het vorderingsrecht dat de kinderen van erflater uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling hebben verkregen niet vastgesteld. [eiser] stelt zich op het standpunt dat dat vorderingsrecht op grond van het testament door het huwelijk van [gedaagde] in 2012 opeisbaar is geworden en vordert uitbetaling daarvan. Dat betekent dat de rechtbank de opeisbaarheid van het vorderingsrecht moet beoordelen en, indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat de vordering opeisbaar is, de hoogte daarvan dient vast te stellen. De rechtbank is van oordeel dat het hier een rechtsverhouding betreft waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen (een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding). De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 10 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:411), dat dit betekent dat ten aanzien van deze vorderingen slechts een beslissing gegeven kan worden in een geding waarin allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn, zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt. Wanneer een partij een dergelijke beslissing wil uitlokken, dienen dan ook alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te worden geroepen. In dit geval zijn dat de andere kinderen van erflater, [oom van eiser] en [tante van eiser] .
2.4.
Indien degene die een beslissing wil uitlokken over een processueel ondeelbare rechtsverhouding nalaat om alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te roepen, dan dient de rechter, ambtshalve, gelegenheid te geven om de niet opgeroepen personen alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) binnen een daartoe door de rechter te stellen termijn.
2.5.
Vorenstaande brengt met zich dat er sprake is van een verzuim dat in de procedure kan worden hersteld door [oom van eiser] en [tante van eiser] alsnog in het geding te betrekken. [eiser] is naar het oordeel van de rechtbank de aangewezen partij om voor oproeping van [oom van eiser] en [tante van eiser] zorg te dragen. De oproeping van [oom van eiser] en [tante van eiser] moet geschieden met inachtneming van het bepaalde in artikel 118 RvPro.
2.6.
Dit alles leidt tot de navolgende beslissing.
3.De beslissing
De rechtbank
3.1.
beveelt [eiser] om binnen twee weken na vandaag de processtukken in deze zaak (inclusief dit vonnis) te betekenen aan [oom van eiser] en [tante van eiser] , en hen op te roepen om uiterlijk 23 oktober 2024, niet in persoon, maar vertegenwoordigd door een advocaat, in deze procedure te verschijnen, met inachtneming van het bepaalde in art. 118 RvPro,
3.2.
bepaalt dat [gedaagde] tegen dezelfde roldatum, 23 oktober 2024, bij antwoordakte inhoudelijk mag reageren op de akte wijziging van eis,
3.3.
stelt de opgeroepen en verschenen erfgenamen in staat om ter rolle van 4 december 2024een conclusie van antwoord te nemen,
3.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.J.C.A. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2024.