Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
Primair:
Rechtbank Limburg
Eiseres was werkzaam bij gedaagde van mei 2022 tot januari 2024, waarna de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden werd beëindigd. Eiseres vorderde betaling van achterstallig loon van november en december 2023, schorsing van het concurrentiebeding en stelde dat zij het concurrentie- en nevenwerkzaamhedenbeding niet had geschonden. Gedaagde stelde dat eiseres het beding wel had overtreden en vorderde een boete van € 92.500.
De kantonrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was bij de loonvordering, omdat deze betrekking had op een periode van bijna negen maanden geleden en eiseres inmiddels een nieuwe baan had. Ook de schorsing van het concurrentiebeding werd afgewezen omdat de maximale duur van het beding volgens de CAO al was verstreken. De gevorderde verklaringen voor recht werden niet toegewezen wegens de voorlopige aard van kort geding.
In reconventie werd de boetevordering van gedaagde eveneens afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang, mede omdat gedaagde al geruime tijd op de hoogte was van de nieuwe werkzaamheden van eiseres. Beide partijen werden veroordeeld tot betaling van elkaars proceskosten.
Uitkomst: Alle vorderingen van eiseres en gedaagde worden afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang; partijen worden veroordeeld tot elkaars proceskosten.