Uitspraak
[handelsnaam],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de productie van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 5 februari 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Rechtbank Limburg
In deze zaak vordert de werknemer betaling van achterstallig loon over de periode van 10 juli 2023 tot 1 november 2023, vermeerderd met wettelijke rente en kosten, en verstrekking van loonstroken. De werkgever had de loonbetaling in juli 2023 stopgezet op grond van artikel 7:629 lid 3 sub e BW Pro, maar hervatte deze in november 2023. De werknemer startte het kort geding pas na zes maanden.
De kantonrechter oordeelt dat bij loonvorderingen in kort geding doorgaans spoedeisend belang wordt aangenomen, maar in dit geval niet, omdat de loonbetaling inmiddels is hervat en de werknemer onvoldoende heeft toegelicht waarom onmiddellijke voorziening noodzakelijk is. Ook de gestelde financiële problemen werden niet aannemelijk gemaakt.
Daarnaast is de vordering onvoldoende onderbouwd om in een bodemprocedure kans van slagen te hebben. De vordering wordt daarom afgewezen en de werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en uitgesproken op 13 februari 2024.
Uitkomst: De vordering tot betaling van achterstallig loon wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.