Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
3.Het verzoek
4.Het standpunt van de belanghebbende
5.De beoordeling
6.De beslissing
.
Rechtbank Limburg
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank Limburg om drie minderjarigen onder toezicht te stellen van een gecertificeerde instelling en voor één van hen een machtiging tot deeltijdse uithuisplaatsing te verlenen. De minderjarigen worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd door een langdurig onveilige opvoedsituatie, veroorzaakt door conflicten tussen de moeder en de (stief)vader, ondanks intensieve hulpverlening en juridische maatregelen.
De moeder oefent het gezag uit en woont met de minderjarigen samen. Er is sprake van emotionele mishandeling en mogelijk fysiek gevaar. Het contact tussen de (stief)vader en twee van de minderjarigen is gestopt vanwege veiligheidsredenen. De situatie wordt bemoeilijkt door verdeeldheid onder betrokken professionals. De moeder erkent de problematiek en ondersteunt de ondertoezichtstelling, maar vraagt zich af waarom voor één kind een machtiging tot uithuisplaatsing nodig is.
De kinderrechter oordeelt dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarigen te waarborgen. Voor de oudste minderjarige wordt een machtiging tot deeltijdse uithuisplaatsing verleend om de huidige situatie juridisch te bevestigen. De beschikking geldt voor de duur van een jaar en is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De rechtbank stelt drie minderjarigen onder toezicht en verleent een machtiging tot deeltijdse uithuisplaatsing voor één minderjarige voor de duur van een jaar.