Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de dagvaarding met producties 1 t/m 11
- de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot onbevoegdheid,
- de incidentele conclusie van antwoord.
2.De feiten
3.Het geschilin de hoofdzaak in conventie3.1. [eiser] vordert dat dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- gedaagde zal veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan het verwijderen van de aanwezige haag conform de offerte van Firma [naam bedrijf 2] (zie productie 8 van de inleidende dagvaarding) ten behoeve van de hiervoor genoemde schutting, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag en/of dagdeel met een maximum van € 20.000,00, althans een in goede justitie te bepalen maximum, voor iedere tekortkoming in deze;
- zal bepalen dat de schutting in dat geval een maximale lengte zal hebben van 10 meter, gemeten vanaf de achtergevel althans een door de rechtbank te bepalen lengte;
- zal bepalen dat alle kosten in verband met de aanleg van de schutting, inclusief de kosten van het verwijderen van de bestaande haag, volledig ten laste komen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van [gedaagde] .
€ 25.000,00. Ook stelt [eiser] dat de vordering met betrekking tot het plaatsen van een ondoorzichtige madelige schutting van onbepaalde waarde is. Deze vordering strekt tot het beschermen van zijn persoonlijke levenssfeer c.q. privacy, een belang dat eveneens niet in geld uit te drukken valt.
4.4. De beoordeling in het incident
5.De beslissing
30 oktober 2024voor opgave verhinderdata aan de zijde van beide partijen over de maanden januari tot en met maart 2025.