ECLI:NL:RBLIM:2024:7785

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
16 oktober 2024
Publicatiedatum
31 oktober 2024
Zaaknummer
C/03/331943 / HA ZA 24-284
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 RvArt. 6:51 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting tot zekerheidstelling voor proceskosten door buitenlandse eiseres in civiele procedure

In deze civiele bodemzaak vorderen gedaagden in een incident dat eiseres Balkhoorma LLC, gevestigd in Azerbeidzjan zonder vestigingsplaats in Nederland, zekerheid stelt voor de proceskosten. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 224 Rv Pro een partij zonder woon- of verblijfplaats in Nederland verplicht is zekerheid te stellen, tenzij uitzonderingen van toepassing zijn, welke hier niet zijn gesteld.

Balkhoorma leverde in 2018 fruit aan RPfreshline, dat failliet is verklaard. Gedaagden stellen dat zij als bestuurders van RPfreshline aansprakelijk zijn wegens het indienen van valse claims. In het incident vorderen zij zekerheidstelling voor proceskosten door Balkhoorma.

De rechtbank wijst de vorderingen toe tot een bedrag van €30.747,00 per groep gedaagden, bestaande uit griffierecht, procespunten en kosten van een voorlopig getuigenverhoor. De wijze van zekerheidstelling wordt overgelaten aan Balkhoorma, conform artikel 6:51 BW Pro, mits de zekerheid toereikend is en verhaal mogelijk is. De termijn voor zekerheidstelling wordt gesteld op vier weken. De proceskosten van het incident worden gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: Balkhoorma LLC wordt veroordeeld tot zekerheidstelling van €30.747,00 per groep gedaagden binnen vier weken, met keuzevrijheid in de wijze van zekerheidstelling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/331943 / HA ZA 24-284
Vonnis in incident van 16 oktober 2024
in de zaak van
de rechtspersoon naar Azerbeidzjaans recht
BALKHOORMA LLC,
gevestigd en kantoorhoudend te Baku City (Azerbeidzjan),
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in de incidenten,
advocaat mr. R. van den Berg Jeths,
tegen

1.[gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident sub 1] ,

wonend te [woonplaats 1] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. B. van Duijn,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
P. [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. B. van Duijn,
3.
[gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident sub 3],
wonend te [woonplaats 2] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. F.W. Amendt,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
T.A. [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 4] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudend te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. F.W. Amendt.
Eiseres wordt hierna Balkhoorma genoemd. Gedaagden worden afzonderlijk aangeduid als [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident sub 1] , [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 2] , [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident sub 3] en [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 4] of gezamenlijk als [gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident sub 1 en 2] respectievelijk [gedaagde in de hoofdzaak, eisers in het incident sub 3 en 4]

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de exploten van dagvaarding met producties 1 t/m 23,
  • de incidentele conclusie tot zekerheidsstelling voor proceskosten ex artikel 224 Rv Pro van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident sub 1] en [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 2] ,
  • de incidentele conclusie tot zekerheidsstelling voor proceskosten ex artikel 224 Rv Pro van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident sub 3] en [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 4] ,
  • de incidentele conclusie van antwoord van Balkhoorma met producties 24 en 25.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in beide incidenten.

2.2. De feiten

2.1.
[gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 2] en [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 4] waren de bestuurders van RPfreshline, een onderneming die gevestigd was in Geleen en die zich bezighield met de inkoop van fruit en groente. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident sub 1] is bestuurder van [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 2] en [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident sub 3] is bestuurder van [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 4] .
2.2.
Op 14 januari 2020 is RPfreshline in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is op 26 april 2023 opgeheven vanwege gebrek aan baten. De onderneming RPfreshline is opgeheven.

3.Het geschilin de hoofdzaak

3.1.
Balkhoorma stelt dat zij in 2018 op grond van een koopovereenkomst fruit geleverd heeft aan RPfreshline. RPfreshline heeft een deel van de facturen onbetaald gelaten met als argument dat een deel van het fruit van onvoldoende kwaliteit was en te laat geleverd was. Gebleken is dat die claims van RPfreshline vals waren. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident sub 1] en [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident sub 3] waren als bestuurders verantwoordelijk voor het indienen van die valse claims. Omdat hen een ernstig persoonlijk verwijt valt te maken, zijn zij aansprakelijk voor de schade van Balkhoorma.
3.2.
Balkhoorma vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a) voor recht zal verklaren dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door
Balkhoorma geleden schade ten gevolge van het onrechtmatig handelen van gedaagden
en/of de ongerechtvaardigde verrijking van gedaagden;
b) gedaagden hoofdelijk zal veroordelen om binnen 14 dagen na dagtekening van het te
dezen te wijzen vonnis aan Balkhoorma te betalen de geleden schade ad € 464.458,08,
althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele
voldoening;
c) gedaagden hoofdelijk zal veroordelen in de proceskosten, waaronder de
kosten voor het gehouden voorlopig getuigenverhoor (indien dat niet wordt aangemerkt
als schade), te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor
het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te
vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf
vorenbedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag der algehele voldoening;
d) gedaagden hoofdelijk zal veroordelen in de nakosten, te voldoen binnen
veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de
(na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke
rente over de (na)kosten te rekenen vanaf vorenbedoelde termijn voor voldoening tot aan
de dag der algehele voldoening.
in de incidenten
3.3.
Zowel [gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident sub 1 en 2] als [gedaagde in de hoofdzaak, eisers in het incident sub 3 en 4] vorderen in het incident dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Balkhoorma zal veroordelen om, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, binnen vier weken na de datum van het vonnis in incident ten gunste van [gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident sub 1 en 2] tot een bedrag van € 30.747,00 en ten gunste van [gedaagde in de hoofdzaak, eisers in het incident sub 3 en 4] tot een bedrag van € 34.249,00 zekerheid te stellen voor de proceskosten door middel van een bankgarantie van een gerenommeerde Nederlandse bank, met veroordeling van Balkhoorma in de kosten van dit incident.
3.4.
[gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident sub 1 en 2] en [gedaagde in de hoofdzaak, eisers in het incident sub 3 en 4] voeren daartoe aan – voor zover relevant – dat Balkhoorma gevestigd is in Azerbeidzjan en geen gewone verblijf- of vestigingsplaats in Nederland heeft. Zij zijn niet bekend met de onderneming Balkhoorma en zij kunnen de identiteit van deze onderneming niet verifiëren. RPfreshline heeft in het verleden zaken gedaan met Balxurma LLC uit Azerbeidzjan, maar niet bekend is of Balxurma LLC en Balkhoorma LLC dezelfde onderneming betreffen. Als Balkhoorma veroordeeld zou worden tot betaling van de proceskosten in de hoofdzaak voorzien [gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident sub 1 en 2] en [gedaagde in de hoofdzaak, eisers in het incident sub 3 en 4] problemen bij de tenuitvoerlegging van het vonnis.
3.5.
Balkhoorma refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de gevraagde zekerheidsstelling, maar zij is het oneens met de gevraagde vorm van zekerheid, de hoogte van de bedragen en de termijnen. Balkhoorma stelt niet te weten of het haar lukt om een bankgarantie te verkrijgen. Bovendien heeft zij ingevolge artikel 6:51 lid 1 BW Pro de keuze op welke wijze zij zekerheid aanbiedt. Voor wat betreft de kosten van de zekerheid stelt zij dat dient te worden uitgegaan van een bedrag van € 9.630,00, bestaande uit het griffierecht van € 2.626,00 en salaris advocaat van 2 punten x liquidatietarief € 3.502,00, waarbij zij ervan uitgaat dat de kosten voor het incident worden gecompenseerd. De kosten van het voorlopig getuigenverhoor kunnen volgens haar niet betrokken worden bij de omvang van de zekerheidstelling.
Tot slot verzoekt Balkhoorma te bepalen dat binnen een termijn van acht weken zekerheid moet worden gesteld, en dat zij zich binnen twee weken na de termijn voor zekerheidsstelling dient uit te laten of en welke zekerheid is gesteld.

4.De beoordeling in de incidenten

4.1.
Op grond van artikel 224 Rv Pro is een partij zonder woon- of gewone verblijfplaats in Nederland op vordering van de wederpartij verplicht zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zou kunnen worden. Die verplichting bestaat niet als er sprake is van één of meer van de in artikel 224 lid 2 Rv Pro genoemde uitzonderingen.
4.2.
Vaststaat dat Balkhoorma is gevestigd in Azerbeidzjan en in Nederland geen vestigingsplaats heeft. Niet gesteld of gebleken is dat één van de uitzonderingssituaties als bedoeld in artikel 224 lid 2 sub a tot Pro en met d Rv zich voordoet. De incidentele vorderingen zullen daarom met inachtneming van het volgende worden toegewezen.
4.3.
De rechtbank zal bepalen dat zowel voor [gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident sub 1 en 2] als voor [gedaagde in de hoofdzaak, eisers in het incident sub 3 en 4] zekerheid gesteld moet worden voor een bedrag van € 30.747,00. Dit bedrag bestaat uit de volgende onderdelen:
Voor de hoofdzaak gaat de rechtbank vooralsnog zowel voor [gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident sub 1 en 2] als voor [gedaagde in de hoofdzaak, eisers in het incident sub 3 en 4] uit van twee procespunten, te weten voor de conclusie van antwoord en de mondelinge behandeling. De rechtbank telt geen punt voor de incidentele conclusie omdat de proceskosten tussen partijen gecompenseerd zullen worden (zie rechtsoverweging 4.6. hierna). Gelet op de hoogte van de vordering in de hoofdzaak rekent de rechtbank met € 3.502,00 per punt (tarief VII) = € 7.004,00.
In de hoofdzaak is het griffierecht van zowel [gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident sub 1 en 2] als [gedaagde in de hoofdzaak, eisers in het incident sub 3 en 4] vastgesteld op € 2.626,00.
De kosten van het bijwonen van het voorlopig getuigenverhoor en van de daaraan voorafgaande verzoekschriftprocedure vallen onder het bedrag waarvoor zekerheid dient te worden gesteld, nu niet in een eerdere procedure over deze kosten is beslist en Balkhoorma kan worden veroordeeld tot betaling van deze kosten aan de zijde van [gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident sub 1 en 2] en [gedaagde in de hoofdzaak, eisers in het incident sub 3 en 4] als zijnde proceskosten ex artikel 237 Rv Pro. Alle partijen begroten die kosten op € 21.117,00, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan.
In de hoofdzaak zal uiteindelijk over de daadwerkelijke proceskosten en het toepasselijke liquidatietarief beslist worden.
4.4.
Partijen verschillen van mening over de wijze waarop zekerheidstelling dient te geschieden. Voor de wijze waarop zekerheidstelling dient te geschieden, moet aansluiting gezocht worden bij artikel 6:51 BW Pro. Degene die zekerheid moet stellen, heeft de keuze op welke wijze hij de zekerheid aanbiedt. Wel moet de aangeboden zekerheid zodanig zijn dat de vordering, en zo daartoe gronden zijn, de daarop vallende rente en kosten, behoorlijk gedekt zijn en dat [gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident sub 1 en 2] en [gedaagde in de hoofdzaak, eisers in het incident sub 3 en 4] daarop zonder moeite verhaal zullen kunnen nemen.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat een termijn van vier weken voldoende is voor het stellen van de zekerheid, nu Balkhoorma zelf de keuze heeft op welke wijze zij de zekerheid aanbiedt.
4.6.
Nu partijen over en weer deels in het ongelijk gesteld zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in beide incidenten
5.1.
veroordeelt Balkhoorma tot het stellen van zekerheid voor een bedrag van
€ 30.747,00 ten gunste van [gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident sub 1 en 2] voor de proceskosten in de hoofdzaak waarvan zij veroordeeld kan worden,
5.2.
veroordeelt Balkhoorma tot het stellen van zekerheid voor een bedrag van
€ 30.747,00 ten gunste van [gedaagde in de hoofdzaak, eisers in het incident sub 3 en 4] voor de proceskosten in de hoofdzaak waarvan zij veroordeeld kan worden,
5.3.
bepaalt dat de zekerheid, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, uiterlijk op
13 november 2024moet zijn gesteld,
5.4.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij
de eigen kosten draagt,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst af het anders of meer gevorderde,
in de hoofdzaak
5.7.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
27 november 2024voor akte uitlating partijen omtrent de gestelde zekerheid,
5.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken. [1]

Voetnoten

1.type: AH