Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de akte van Adrem
- de akte van [gedaagde] .
Rechtbank Limburg
Adrem B.V. verhuurde op 9 september 2020 een meubelbakwagen aan [gedaagde]. Bij teruggave van het voertuig werd schade geconstateerd, waarvoor het eigen risico van € 500 in rekening werd gebracht en betaald door [gedaagde]. Later stelde Adrem echter dat er bovenhoofdse schade was ontstaan die niet verzekerd was en waarvoor [gedaagde] aansprakelijk zou zijn. Adrem vorderde vergoeding van deze schade ad € 3.911,15, vermeerderd met rente en kosten.
[gedaagde] betwistte de aansprakelijkheid en stelde dat de schade waarvoor het eigen risico was betaald, de enige schade was die tijdens de huur was ontstaan. Adrem kon niet aantonen dat de bovenhoofdse schade tijdens de huurperiode was ontstaan, ondanks een expertiserapport en correspondentie. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende is komen vast te staan dat de bovenhoofdse schade tijdens de huurperiode is veroorzaakt.
Daarom wees de rechtbank de vordering van Adrem af en veroordeelde Adrem tot betaling van de proceskosten van [gedaagde]. De overige stellingen bleven onbesproken. Het vonnis werd uitgesproken door de kantonrechter op 21 februari 2024.
Uitkomst: De vordering van Adrem tot vergoeding van bovenhoofdse schade wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van schade tijdens de huurperiode.