Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2024:8334

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 juli 2024
Publicatiedatum
18 november 2024
Zaaknummer
C/03/332446 / HA RK 24-126
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:16 lid 2 AwbArt. 8:18 lid 4 AwbArtikel 4.2 onder d wrakingsprotocolArtikel 4.2 onder e wrakingsprotocol
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wraking niet ontvankelijk wegens misbruik van recht en onvoldoende motivering

Verzoeker diende meerdere wrakingsverzoeken in tegen rechters en een voorzitter van de rechtbank Limburg in drie bestuursrechtelijke zaken tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond.

De wrakingskamer verklaarde eerdere verzoeken niet-ontvankelijk en legde een misbruikbepaling op, waardoor nieuwe verzoeken in die zaken niet meer in behandeling worden genomen. Het recente verzoek voldeed niet aan de motiveringseis van artikel 8:16 lid 2 Awb Pro, omdat verzoeker geen feiten of omstandigheden aanvoerde waaruit rechterlijke vooringenomenheid blijkt.

Het verzoek tot wraking van de voorzitter werd eveneens niet-ontvankelijk verklaard omdat deze niet bij de behandeling van de zaak betrokken was en het verzoek te laat was ingediend. Gezien het lichtvaardig gebruik van het wrakingsmiddel en het ontbreken van grondslag, wordt een volgend wrakingsverzoek in de zaak ROE 23/238 eveneens niet in behandeling genomen.

Uitkomst: Wrakingsverzoeken worden niet in behandeling genomen wegens misbruik van recht en onvoldoende motivering.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/332446 / HA RK 24-126
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van
[verzoeker]
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
dat strekt tot wraking van mr. T.M. Schelfhout en mr. R.M.M. Kleijkers, rechters in de rechtbank Limburg, hierna ook respectievelijk de rechter en de voorzitter.

1.De procedure

Op 29 mei 2024 zijn ter griffie twee e-mailberichten ontvangen van verzoeker, inhoudende een verzoek tot wraking van de rechter in de zaken met nummers ROE 22/1971 en ROE 23/2059 tussen verzoeker als eisende en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond als verwerende partij.
Op 19 juni 2024 is bij beslissing van de wrakingskamer nr. C/03/331323/HA RK 24-106 dit verzoek niet ontvankelijk verklaard. Tevens is in deze beslissing opgenomen dat volgende verzoeken tot wraking in deze zaken niet meer in behandeling worden genomen op basis van artikel 8:18, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op 30 juni 2024 is ter griffie een e-mailbericht ontvangen van verzoeker, inhoudende een verzoek tot wraking van de rechter en de voorzitter in de zaken met nummer ROE 22/1971, ROE 23/2059 en ROE 23/238 tussen verzoeker als eisende en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond als verwerende partij. In dit e-mailbericht is ook opgenomen een verzoek tot wraking van de voorzitter inzake het wrakingsverzoek waarin op 19 juni 2024 een beslissing is genomen (nr. C/03/331323/HA RK 24-106).

2.De beoordeling

Ten aanzien van de zaken ROE 22/1971 en ROE 23/2059:
Gelet op het bepaalde in de beslissing van 19 juni 2024 zal het verzoek voor zover betrekking hebbende op deze zaken niet in behandeling worden genomen.
Ten aanzien van de overige zaken:
Ingevolge art. 8:16 lid 2 Awb Pro moet het wrakingsverzoek zijn gemotiveerd. Dit houdt in dat het verzoek de feiten of omstandigheden dient te vermelden waardoor volgens de verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Een verzoek dat niet voldoet aan deze motiveringseis, kan niet worden aangemerkt als een wrakingsverzoek in de zin van art. 8:15 Awb Pro en kan door de wrakingskamer buiten behandeling worden gelaten.
Verzoeker voert ten aanzien van de zaak ROE 23/238 enkel aan dat hij onrecht heeft gekregen, dat sprake is van slechte speculatie en dat de uitspraken van de rechter negatief waren. Hij voert geen feiten en omstandigheden aan waaruit dat zou kunnen volgen en motiveert niet op welke wijze daaruit vooringenomenheid van de rechter zou kunnen blijken. Dit brengt mee dat het verzoek tot wraking van de rechter niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet en derhalve buiten behandeling wordt gelaten.
Ten aanzien van de voorzitter geldt in deze zaak dat het verzoek, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 4.2 onder e van het wrakingsprotocol, niet-ontvankelijk is, omdat de voorzitter niet met de behandeling van deze zaak was/is belast.
In de zaak nr. C/03/331323/HA RK 24-106 ten aanzien van de voorzitter geldt, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 4.2 onder d van het wrakingsprotocol, dat het verzoek niet ontvankelijk is, omdat het is ingediend nadat de beslissing van de wrakingskamer op 19 juni 2024 is genomen.
Verzoeker heeft in korte tijd tweemaal een verzoek tot wraking ingediend in de drie zaken die gelijktijdig op zitting behandeld zouden worden. Omdat door verzoeker het middel van wraking lichtvaardig, want zonder enige grondslag is ingezet, is naar het oordeel van de wrakingskamer sprake van misbruik van recht. Zij zal daarom, naast de misbruikbepaling die in de beslissing van 19 juni 2024 is opgelegd voor de zaken ROE 22/1971 en ROE 23/2059, bepalen dat een volgend verzoek tot wraking van de rechter, belast met de behandeling van het zaaknummer ROE 23/238, evenmin in behandeling wordt genomen.

3.De beslissing

De wrakingskamer:
  • bepaalt dat de verzoeken inzake ROE 22/1971, ROE 23/2059 en ROE 23/238 (voor zover het laatste betrekking heeft op mr. T.M. Schelfhout) niet in behandeling worden genomen;
  • verklaart de verzoeken ten aanzien mr. R.M.M. Kleijkers niet ontvankelijk;
- bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking in de zaak met zaaknummer
ROE 23/238 niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, mr. H.J.M. Quaedvlieg, en mr. Y.J.C.A. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2024.