De moeder heeft bij de rechtbank Limburg een verzoek ingediend tot wijziging van de voornamen van haar minderjarige kind, waarbij één van de voornamen wordt geschrapt. De minderjarige is geboren uit de beëindigde relatie tussen de ouders, die gezamenlijk gezag hebben. De moeder stelt dat de minderjarige geen binding heeft met de te schrappen voornaam en deze negatieve gevoelens oproept vanwege associaties met de vader en diens familie.
De kinderrechter heeft de minderjarige voorafgaand aan de mondelinge behandeling gehoord, waarbij de minderjarige bevestigde geen contact te hebben met de vader en de betreffende voornaam als belastend ervaart. De rechtbank oordeelt dat er een voldoende zwaarwichtig belang is voor de wijziging en dat het verzoek niet strijdig is met de wet.
De rechtbank besluit de voornaam te schrappen en bepaalt dat de griffier binnen drie maanden na de beschikking de wijziging aan de burgerlijke stand zal doorgeven, tenzij er hoger beroep wordt ingesteld. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open voor de verzoekende partij en belanghebbenden.