ECLI:NL:RBLIM:2024:913

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
28 februari 2024
Zaaknummer
03.866120.19
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 3 OpiumwetArt. 11 lid 5 OpiumwetArt. 140 SrArt. 10 derde lid OpiumwetArt. 10 vierde lid Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak deelname criminele organisatie en hennepteelt wegens onvoldoende bewijs

De rechtbank Limburg behandelde op 27 februari 2024 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van hennepteelt en deelname aan een criminele organisatie in de periode van 30 juni 2017 tot en met 16 januari 2018. De tenlastelegging omvatte het telen, bereiden, bewerken, verwerken of aanwezig hebben van een groot aantal hennepplanten en deelname aan een criminele organisatie gericht op het plegen van misdrijven volgens de Opiumwet.

Tijdens de terechtzitting op 29 januari 2024 en de sluiting van het onderzoek op 13 februari 2024 werd het bewijs besproken. De officier van justitie stelde voor de verdachte integraal vrij te spreken omdat het bewijs onvoldoende was; met name was onduidelijk of de gesprekken over hennep gingen en was het contact met medeverdachten slechts incidenteel. De verdediging voerde eveneens aan dat niet bewezen kon worden dat verdachte betrokken was bij hennep of een criminele organisatie.

De rechtbank oordeelde dat het niet duidelijk was dat de gesprekken over hennep gingen en dat het contact met medeverdachten te beperkt was om deelname aan een criminele organisatie vast te stellen. Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij van beide feiten. De dagvaarding werd niet nietig verklaard omdat de verdachte voldoende duidelijkheid had over de beschuldigingen.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer, waarbij één rechter niet medeondertekende. De verdachte werd integraal vrijgesproken van de tenlasteleggingen wegens onvoldoende bewijs.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie en het telen of aanwezig hebben van hennep wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.866120.19
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 februari 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
wonende te [adres] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.A. Prins, advocaat kantoorhoudende te 's-Hertogenbosch.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 29 januari 2024. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens op 13 februari 2024 gesloten.
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] met parketnummer 03.866114.19, medeverdachte [medeverdachte 2] met parketnummer 03.866110.19, medeverdachte [medeverdachte 3] met parketnummer 03.866111.19, medeverdachte [medeverdachte 4] met parketnummer 03.866116.19, medeverdachte [medeverdachte 5] met parketnummer 03.866117.19 en medeverdachte [medeverdachte 6] met parketnummer 03.866119.19.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
Feit 1:heeft medegepleegd het telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken, dan wel aanwezig hebben van een (groot) aantal hennepplanten in de periode van 30 juni 2017 tot en met 16 januari 2018;
Feit 2:heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de periode van 30 juni 2017 tot en met 16 januari 2018.

3.De voorvragen

De verdediging heeft bepleit dat de dagvaarding voor wat betreft feit 1 nietig is omdat op basis van de tekst van de tenlastelegging niet duidelijk is om welke concrete handelingen of op welk aanwezig hebben de beschuldiging ziet.
Naar het oordeel van de rechtbank moet het de verdachte, gelet op hetgeen in het stamproces-verbaal is vermeld, duidelijk zijn - zoals het ook voor de rechtbank duidelijk is - tegen welk verwijt de verdachte zich moet verdedigingen. De rechtbank verwerpt aldus het verweer.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt integrale vrijspraak. Ten aanzien van feit 1 neemt de officier van justitie het standpunt in dat bewezen zou kunnen worden de aanwezigheid van hash. Nu dit echter niet ten laste is gelegd - het aanwezig hebben van hennep is immers ten laste gelegd - dient de verdachte van feit 1 te worden vrijgesproken.
Met betrekking tot de criminele organisatie, feit 2, heeft de officier van justitie aangevoerd dat het contact van de verdachte met de medeverdachten enkel incidenteel van aard was waardoor de verdachte niet aangemerkt kan worden als deelnemer aan de criminele organisatie.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 1 is aangevoerd dat op grond van de inhoud van de telefoongesprekken en het overige bewijsmateriaal niet kan worden vastgesteld dat de gesprekken die de verdachte heeft gevoerd over hennep gingen. Ten aanzien van feit 2 is aangevoerd dat hij ook niet veroordeeld kan worden voor deelname aan een criminele organisatie omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte enige bemoeienis had met hennep. Voorts wordt betwist dat er sprake was van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraakoverwegingen
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 1
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van feit 1. Het is immers op grond van de bewijsmiddelen niet duidelijk waar de getapte gesprekken tussen [medeverdachte 3] en de verdachte over gingen. Er kan dus niet vastgesteld worden dat deze gesprekken gingen over hennep waardoor de aanwezigheid van hennep bij de verdachte niet kan worden bewezen.
Ten aanzien van feit 2
Om te kunnen spreken van een criminele organisatie dient allereerst te worden vastgesteld dat er sprake was van het in georganiseerd verband plegen van feiten strafbaar gesteld in de Opiumwet. Nu naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende uit de gesprekken kan worden afgeleid dat er gesproken wordt over verdovende middelen, kan niet worden vastgesteld dat de verdachte deel heeft genomen aan het plegen van feiten strafbaar gesteld in de Opiumwet. Bovendien is uit de tapgesprekken en mastgegevens gebleken dat de verdachte slechts op een drietal dagen contact heeft gehad met [medeverdachte 3] . Nu de gesprekken slechts op een beperkte periode zien, biedt het dossier onvoldoende bewijs voor een structureel samenwerkingsverband tussen hen. De rechtbank spreekt de verdachte derhalve ook vrij voor feit 2.

5.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.H. van den Hombergh, voorzitter, mr. S.A.M.C. van de Winkel en mr. G.H. Hermanides, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Klompe en mr. M.L.L. Ruijters, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 februari 2024.
Buiten staat
Mr. Van de Winkel is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 juni 2017 tot en met 16 januari 2018 te Brunssum en/of Kerkrade en/of Weert en/of Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
2.
hij in of omstreeks de periode van 30 juni 2017 tot en met 16 januari 2018 te Brunssum en/of Kerkrade en/of Weert, althans in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 6] en/of [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde Pro, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet.