ECLI:NL:RBLIM:2024:9354

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 december 2024
Publicatiedatum
13 december 2024
Zaaknummer
11254444 \ CV EXPL 24-4026
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 3:37 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering zorgpremie en incassokosten door zorgverzekeraar afgewezen voor incassokosten

Anderzorg N.V. vordert betaling van openstaande zorgpremies, wettelijke rente en incassokosten van [gedaagde], die de premiebetalingen deels niet heeft voldaan. De verzekerde erkent de hoofdsom maar betwist de ontvangst van de 14-dagen aanmaningsbrief en de verschuldigdheid van incassokosten.

De kantonrechter stelt vast dat de verzekerde vermoedelijk consument is en dat de beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht niet zijn geschonden. De hoofdsom wordt toegewezen omdat deze door de verzekerde wordt erkend.

De incassokosten worden afgewezen omdat Anderzorg onvoldoende heeft bewezen dat de aanmaningsbrief daadwerkelijk door de verzekerde is ontvangen, wat een vereiste is volgens artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dag van dagvaarding, omdat de exacte datum van verzuim niet is vastgesteld.

De verzekerde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom en wettelijke rente en tot vergoeding van de proceskosten aan de zijde van Anderzorg. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Verzekerde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom en wettelijke rente, incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11254444 \ CV EXPL 24-4026
Vonnis van 11 december 2024
in de zaak van
ANDERZORG N.V.,
gevestigd te Wageningen,
eisende partij,
hierna te noemen: Anderzorg,
gemachtigde: Landelijke Associatie Van Gerechtsdeurwaarders B.V (LAVG B.V.),
tegen
[gedaagde],
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 juli 2024 met een productie
- de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord van [gedaagde]
- de conclusie van repliek met producties 2 en 3.
1.2.
Hoewel daartoe bij brief van de griffier van 11 september 2024 in de gelegenheid gesteld, heeft [gedaagde] geen conclusie van dupliek genomen.
1.3.
Daarna is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen Anderzorg -of Menzis?, Anderzorg maakt dit in de dagvaarding niet duidelijk- als zorgverzekeraar en [gedaagde] als verzekeringnemer is een basis en/of aanvullende verzekeringsovereenkomst met polisnummer [nummer] gesloten. [gedaagde] dient de verzekeringspremie maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen. Op de overeenkomst zijn de door Anderzorg of Menzis gebruikte algemene voorwaarden van toepassing.
2.2.
[gedaagde] is met betaling van de premiebedragen van maart, augustus tot en met december 2022 (zijnde 6 maal € 106,00) en februari tot en met augustus 2023 (zijnde 7 maal € 126,75) in gebreke gebleven. Het gaat om een bedrag van € 1.523,25.
2.3.
[gedaagde] heeft vóór 20 mei 2024 een bedrag van € 720,04 in mindering voldaan.
2.4.
Op 20 mei 2024 is de zogenoemde 14-dagenbrief aan [gedaagde] gestuurd.

3.Het geschil

3.1.
Anderzorg vordert voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.050,11 (bestaande uit € 803,21 aan hoofdsom, € 101,12 aan rente tot 2 juli 2024 en € 145,78 aan incassokosten) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2024 over een bedrag van € 803,21 tot de dag der algehele voldoening, alsmede de betaling van de proceskosten.
3.2.
Anderzorg legt aan de vordering nakoming van de tussen haar (of Menzis) en [gedaagde] gesloten zorgovereenkomst ten grondslag en stelt daartoe dat [gedaagde] de overeengekomen premiebetaling niet voor de vervaldag van de betreffende premiemaand heeft betaald. Die vervaldatum is een fatale termijn waardoor [gedaagde] van rechtswege in verzuim is en waardoor hij tevens de wettelijke rente is verschuldigd.
3.3.
Anderzorg heeft [gedaagde] tevergeefs aangemaand (14-dagenbrief). [gedaagde] is daardoor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.
3.4.
[gedaagde] erkent de hoofdsom. Hij betwist de ontvangst van de 14-dagenbrief en voert aan dat er geen extra kosten in rekening moeten worden gebracht.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[gedaagde] is een consument, althans wordt vermoed een consument te zijn.
Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient de rechter de beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht ook toe te passen als daar niet om gevraagd is (‘ambtshalve toepassing’).
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat in deze zaak geen beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht zijn geschonden.
4.3.
De kantonrechter oordeelt dat nu [gedaagde] erkent de hoofdsom verschuldigd te zijn, de gevorderde hoofdsom van € 803,21 toewijsbaar is.
4.4.
Hoewel [gedaagde] niet meer gereageerd heeft op hetgeen Anderzorg heeft aangevoerd over de ontvangst van de 14-dagenbrief is niet met zekerheid vast te stellen dat [gedaagde] de brief heeft ontvangen. De kantonrechter overweegt hiertoe als volgt.
4.5.
De vordering tot vergoeding van de incassokosten moet beoordeeld worden aan de hand van het bepaalde in artikel 6:96 BW Pro, meer in het bijzonder het in het zesde lid bepaalde. [gedaagde] is niet eerder buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd dan nadat hem na intreden van verzuim een kosteloze aanmaning is gestuurd waarin hem een termijn van tenminste 14 dagen is aangezegd om alsnog tot betaling over te gaan en waarin hem de gevolgen van de niet-betaling, inclusief het verschuldigde bedrag aan incassokosten, is medegedeeld. Anderzorg stelt dat zij de aanmaning op 20 mei 2024 heeft verzonden, terwijl [gedaagde] stelt dat hij de brief niet heeft ontvangen.
4.6.
Uitgangspunt ingevolge artikel 3:37 lid 3 BW Pro is dat een tot een bepaald persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt, indien zij door (in dit geval) [gedaagde] is ontvangen. [gedaagde] betwist echter de ontvangst van de verklaring. Dit betekent dat Anderzorg als afzender feiten en omstandigheden dient te stellen en te bewijzen, waaruit volgt dat de verklaring door Anderzorg is verzonden en door [gedaagde] is ontvangen dan wel het niet ontvangen voor zijn rekening dient te komen. Anderzorg heeft dat niet (voldoende) gedaan: de brief van 20 mei 2024 is kennelijk niet aangetekend en met bericht van ontvangst verzonden en de stukken die bij repliek zijn overgelegd, zijn onvoldoende om aan te nemen dat [gedaagde] de brief van 20 mei 2024 heeft ontvangen. Een brief hoeft immers niet als onbestelbaar retour te komen wil een brief niet zijn ontvangen. Het gevolg is dat niet ervan uit kan worden gegaan dat de 14-dagenbrief [gedaagde] heeft bereikt. Dit betekent dat er niet is voldaan aan de vereisten van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten komt niet voor toewijzing in aanmerking.
4.7.
Ten slotte maakt Anderzorg aanspraak op wettelijke rente. Nu Anderzorg (naast de onduidelijkheid die zij heeft gecreëerd over de vraag welke partij nu met [gedaagde] heeft gecontracteerd) ook nog heeft verzuimd te stellen en te onderbouwen vanaf wanneer [gedaagde] met betaling daarvan in verzuim verkeert, kan niet worden vastgesteld met ingang van welke data [gedaagde] met de betaling van de hoofdsom in verzuim is. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom wordt daarom toegewezen vanaf de dag van dagvaarding. Door de daad van de dagvaarding is in elk geval verzuim ingetreden.
4.8.
Uit het voorgaande volgt dat een bedrag € 803,21 (hoofdsom) zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 803,21 vanaf 19 juli 2024 tot de dag van volledige betaling.
4.9.
[gedaagde] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van Anderzorg worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
137,39
- griffierecht
328,00
- salaris gemachtigde
270,00
(2 punten × € 135,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
802,89

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Anderzorg te betalen een bedrag van € 803,21, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 803,21, met ingang van 19 juli 2024, zijnde de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van Anderzorg tot dit vonnis begroot op € 802,89, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2024.
MW