Eiseres, woonachtig in een verzorgingsinstelling, maakte bezwaar tegen de door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) vastgestelde maandelijkse aflossingsbedragen op haar schuld van € 8.892,81, ontstaan door een te hoge AIO-uitkering in 2019-2020. De Svb had vastgesteld dat zij vanaf mei 2022 maandelijks € 115,55 moest aflossen, met een coulanceperiode waarin zij minder hoefde te betalen.
De rechtbank oordeelde dat de berekening van de aflossingscapaciteit correct was en dat eiseres geen rechtsmiddelen had aangewend tegen de oorspronkelijke schuldvaststelling. Eiseres stelde dat het aflossingsbedrag uit menselijk oogpunt te hoog was, maar de rechtbank interpreteerde dit als een beroep op artikel 3, zevende lid, van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen.
De rechtbank volgde de Svb in het standpunt dat er geen sprake was van een kennelijk onredelijk resultaat, omdat uitzonderlijke omstandigheden zoals dreigende afsluiting van energie of ontruiming ontbraken. Bovendien was eiseres niet benadeeld doordat vanaf mei 2022 geen aflossingen plaatsvonden vanwege de bezwaarprocedure en latere aflossingen lager waren dan de vastgestelde capaciteit.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Eiseres kreeg geen terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Rechtbank Limburg op 23 december 2024.