Verzoeker, een advocaat met een eigen kantoor, is geschorst door de Raad van Discipline en het Hof van Discipline. De deken van de Orde van Advocaten Limburg legde verzoeker een last onder dwangsom op wegens het niet tijdig aanleveren van de Kantooropgave 2024, een jaarlijkse verplichting ter controle van naleving van regelgeving.
Na meerdere herinneringen en een voornemen tot last onder dwangsom, werd op 4 november 2024 een definitieve last opgelegd met een dwangsom van €500 per week, maximaal €5000. Verzoeker diende de Kantooropgave uiteindelijk op 2 december 2024 in, na het verbeuren van dwangsommen.
Verzoeker vroeg vervolgens een voorlopige voorziening om de last onder dwangsom te schorsen, stellende dat de bevoegdheid van de deken om deze last op te leggen ter discussie staat en dat dit invloed kan hebben op zijn tuchtrechtelijke procedure. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang is, omdat de last inmiddels is nagekomen en de tuchtrechtelijke maatregel niet direct wordt opgeheven door de voorziening.
Ook is niet gebleken dat het besluit evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter wees het verzoek af en kende geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toe. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.