ECLI:NL:RBLIM:2025:10209
Rechtbank Limburg
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek geslachtsnaamwijziging wegens onjuiste rechtsingang bij familierechter
Verzoeker heeft bij de rechtbank verzocht om wijziging van zijn geslachtsnaam en die van zijn minderjarige kinderen. Volgens artikel 1:7 van Pro het Burgerlijk Wetboek dient een dergelijk verzoek echter te worden ingediend bij de dienst Justis van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, die het verzoek beoordeelt en de Koning adviseert.
Verzoeker stelde dat hij zich tot Justis had gewend, maar dat hem was medegedeeld dat hij buiten de Justis-categorieën viel en zich via een advocaat tot de rechtbank moest wenden. De rechtbank vroeg verzoeker om nadere onderbouwing en bewijs van dit contact, maar verzoeker kon slechts een mondelinge mededeling overleggen.
De rechtbank oordeelde dat het proces voor geslachtsnaamwijziging wettelijk is geregeld via Justis en dat de familierechter geen rechtsingang heeft voor dit verzoek. Omdat verzoeker geen schriftelijke of digitale aanvraag bij Justis had ingediend, werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch binnen drie maanden na de uitspraak, uitsluitend door tussenkomst van een advocaat.
Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot geslachtsnaamwijziging wegens onjuiste rechtsingang.