De rechtbank Limburg behandelde op 8 oktober 2025 de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van medeplegen van mishandeling met voorbedachten rade. De officier van justitie stelde dat medeplegen bewezen kon worden, terwijl de verdediging stelde dat verdachte niet deelnam aan het plan en slechts aanwezig was ter bescherming van zijn vriendin.
De rechtbank oordeelde dat voor medeplegen sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het delict. Uit het dossier bleek dat verdachte geen rol had in het plan en alleen handelde om zijn vriendin uit de woning te halen, waarbij hij slechts een slachtoffer wegduwde. Dit werd ondersteund door verklaringen van medeverdachten en aangevers.
Daarom was niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een voldoende intellectuele of materiële bijdrage had geleverd aan de mishandeling. De rechtbank sprak verdachte vrij van medeplegen mishandeling met voorbedachten rade.
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €2.300, maar omdat verdachte werd vrijgesproken, verklaarde de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in deze vordering.
De rechtbank hief tevens het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis op en veroordeelde de benadeelde partij in de proceskosten, begroot op nihil.