Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 16 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Rechtbank Limburg
Eiser is sinds 1 augustus 2008 in dienst bij gedaagde en is sinds 1 februari 2023 ziekgemeld. Het UWV heeft vastgesteld dat gedaagde onvoldoende heeft gedaan aan re-integratie en heeft de loondoorbetalingsverplichting verlengd tot 27 januari 2026. Gedaagde heeft het loon over juli en augustus 2025 niet betaald, waarna eiser loonbetaling vorderde inclusief wettelijke verhoging, rente en incassokosten.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft gedaagde het loon over juli, augustus en september 2025 alsnog betaald. Eiser vordert echter alsnog betaling van het achterstallige loon en een maandelijkse betaling van 70% van het loon tot het einde van de loondoorbetalingsverplichting. Gedaagde stelt betalingsonmacht wegens financiële problemen.
De kantonrechter oordeelt dat ondanks de betalingsonmacht de loondoorbetalingsverplichting geldt en dat loonbetaling toewijsbaar is als voorlopige voorziening. De wettelijke verhoging wordt vanwege de financiële situatie van gedaagde beperkt tot nihil. De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen tot het wettelijke maximum. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon, de maandelijkse loonbetalingen, incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, maandelijkse loonbetalingen, incassokosten en proceskosten met uitvoerbaarheid bij voorraad.