Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2025:10788

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
11762178 \ CV EXPL 25-2705
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke veroordeling tot betaling wegens niet-nakoming financial lease overeenkomst

Volkswagen Pon Financial Services B.V. heeft een financial lease overeenkomst gesloten met de gedaagden voor de financiering van een motorrijtuig met een looptijd van 60 maanden. De gedaagden zijn verplicht maandelijks € 229,68 te betalen en een slottermijn van € 4.229,68. De gedaagden zijn in gebreke gebleven met betalingen, ondanks aanmaningen van Volkswagen.

De auto is total-loss gereden door de gedaagden en Volkswagen heeft geen verzekeringsuitkering ontvangen, waardoor zij zich niet op het voertuig kon verhalen. Na een minimale betalingsregeling die niet werd nagekomen, vordert Volkswagen betaling van het openstaande bedrag vermeerderd met handelsrente en incassokosten.

De rechtbank stelt vast dat de gedaagden het bestaan en de omvang van de hoofdsom niet hebben betwist en wijst de vordering toe. Ook de handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 10.575,38 plus rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 10.575,38 plus handelsrente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11762178 \ CV EXPL 25-2705
Vonnis van 29 oktober 2025
in de zaak van
VOLKSWAGEN PON FINANCIAL SERVICES B.V.,
handelend onder de naam
DUTCHFINANCE,
te Amersfoort,
eisende partij,
hierna te noemen: Volkswagen,
gemachtigde: Jongejan & Wisseborn c.s. Harderwijk,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [vestigingsplaats] ,
vertegenwoordigd door: [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ,
2.
[gedaagde sub 2],
in hoedanigheid van vennoot van [gedaagde sub 1] ,
te [woonplaats 1] ,
gemachtigde: [gedaagde sub 3] (bij volmacht),
3.
[gedaagde sub 3],
in hoedanigheid van vennoot van [gedaagde sub 1] ,
te [woonplaats 2] ,
procederend in persoon,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding met producties 1 tot en met 5;
- de brief met bijlagen van [gedaagden] die bij de rechtbank is binnengekomen op 8 juli 2025 en die wordt aangemerkt als conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek met productie 6.
[gedaagden] heeft geen conclusie van dupliek genomen, waarna dit recht vervallen is verklaard.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
Volkswagen en [gedaagden] hebben een financial lease overeenkomst (huurkoop overeenkomst) gesloten (hierna: de overeenkomst) waarmee [gedaagden] een motorrijtuig heeft gefinancierd. De overeenkomst heeft een looptijd van 60 maanden en op grond daarvan is [gedaagden] verplicht om € 229,68 per maand en € 4.229,68 als laatste maandtermijn te betalen aan Volkswagen.
2.2.
Op de overeenkomst zijn de Algemene voorwaarden Financial Lease (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. Daarin staat, voor zover van belang voor het geschil, het volgende:
4. Hoe en hoeveel betaalt u?
[…]
4.4.
Het betaalschema dat is opgenomen in uw contract is dwingend en u mag daar niet van afwijken. Dit beteken dat u bij niet-volledige of niet-tijdige betaling direct in verzuim bent zonder dat daarvoor eerst nog een ingebrekestelling nodig is. U bent dan aan ons een achterstandsrente verschuldigd over het openstaande bedrag. Deze achterstandsrente is nooit hoger dan de wettelijke rente volgens het Burgerlijk Wetboek. De achterstandsrente wordt gerekend vanaf de datum waarop u had moeten betalen tot de datum waarop uw betaling alsnog door ons is ontvangen. Bij het bereken van de achterstandsrente wordt een gedeelte van een maand als een hele maand meegeteld.”
2.3.
[gedaagden] heeft een betalingsachterstand laten ontstaan.
2.4.
Volkswagen heeft [gedaagden] bij brief van 26 januari 2023 aangemaand om de betalingsachterstand te voldoen.
2.5.
Omdat betaling uitbleef, heeft Volkswagen aan [gedaagden] gevraagd om de haar in eigendom toebehorende auto af te geven zodat Volkswagen zich op de opbrengst ervan kan verhalen.
2.6.
De auto is door [gedaagden] total-loss gereden. Volkswagen heeft geen verzekeringsuitkering ontvangen.
2.7.
Volkswagen heeft [gedaagden] bij brief van 25 juli 2024 aangemaand het openstaande bedrag te voldoen.
2.8.
[gedaagden] hebben € 470,00 betaald.
2.9.
Tussen partijen werd een (minimale) betalingsregeling overeengekomen, die [gedaagden] niet is nagekomen.

3.Het geschil

3.1.
Volkswagen vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan Volkswagen van € 10.575,38, vermeerderd met de handelsrente over € 8.171,47, en in de kosten van deze procedure.
3.2.
Naar de kantonrechter begrijpt legt Volkswagen aan haar vordering de stelling ten grondslag dat [gedaagden] de overeenkomst niet is nagekomen door in gebreke te blijven met de voldoening van de maandelijkse termijnen. Volkswagen heeft het krediet daarom vervroegd opgeëist. Omdat er niets werd betaald heeft Volkswagen aan [gedaagden] gevraagd om de haar in eigendom toebehorende auto af te geven, zodat Volkswagen zich op de opbrengst ervan kan verhalen. Hierna bleek dat [gedaagden] de auto total-loss heeft gereden. [gedaagden] heeft geen verzekeringsuitkering ontvangen waardoor Volkswagen zich niet op het huurkoopobject heeft kunnen verhalen. De opbrengst van het wrak heeft Volkswagen in mindering laten strekken op het resterende kredietbedrag, waarna er nog steeds een bedrag openstaat.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

hoofdsom
4.1.
[gedaagden] hebben het bestaan en de omvang van de gevorderde hoofdsom van € 8.641,47 (als berekend in het lichaam van de dagvaarding) niet weersproken. Deze zal dan ook worden toegewezen. Daaraan kunnen de door [gedaagden] gestelde persoonlijke en financiële omstandigheden waardoor het voor hen niet mogelijk is om de openstaande schuld in één keer te voldoen, niet afdoen. Deze omstandigheden ontslaan [gedaagden] niet van de op hen rustende betalingsverplichting nu dit omstandigheden betreffen die voor hun rekening en risico komen.
wettelijke handelsrente
4.2.
De post reeds vervallen rente t/m 20/05/2025 wordt door [gedaagde sub 1] verder niet betwist, zodat deze wordt toegewezen evenals de gevorderde wettelijke handelsrente over een bedrag van € 8.171,47 vanaf diezelfde datum.
buitengerechtelijke incassokosten
4.3.
Volkswagen vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw. Deze vordering zal eveneens worden toegewezen nu uit de verder onbetwiste stellingen (onderbouwd met producties) van Volkswagen volgt dat ter zake voldoende inspanningen zijn verricht.
proceskosten
4.4.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Volkswagen worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
295,86
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.785,86
4.5.
De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
4.6.
Voor zover [gedaagden] een betalingsregeling willen treffen, moeten zij zich daarvoor wenden tot Volkswagen. De kantonrechter heeft niet de wettelijke mogelijkheid om een betalingsregeling op te leggen aan partijen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan Volkswagen te betalen een bedrag van € 10.575,38, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 8.171,47, met ingang van 21 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.785,86, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.
CH