ECLI:NL:RBLIM:2025:10933

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
ROE 25/603
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking van bijstandsuitkering op grond van schending medewerkingsplicht door eiseres tijdens huisbezoek

Deze uitspraak betreft de intrekking van de uitkering die eiseres ontving op basis van de Participatiewet (PW). Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond heeft de uitkering ingetrokken omdat eiseres niet voldoende medewerking verleende aan een huisbezoek dat noodzakelijk was voor het beoordelen van haar recht op bijstand. Eiseres heeft het huisbezoek voortijdig afgebroken, wat volgens het college een schending van haar medewerkingsplicht opleverde. De rechtbank oordeelt dat het college bevoegd was om de uitkering in te trekken, maar dat het college niet voldoende een belangenafweging heeft gemaakt. De rechtbank wijst erop dat eiseres tijdens het huisbezoek 32 weken zwanger was en dat dit niet in de belangenafweging is meegenomen. Eiseres heeft na het afgebroken huisbezoek contact geprobeerd te leggen met het college, maar zonder resultaat. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op om een nieuw besluit te nemen, waarbij een zorgvuldige belangenafweging moet plaatsvinden. De rechtbank veroordeelt het college tot het betalen van de proceskosten van eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/603

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.P. Harten),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, het college
(gemachtigde: F.W.A. Janssen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de uitkering die eiseres op grond van de Participatiewet (PW) ontving. Eiseres is het niet eens met deze intrekking. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het recht op bijstand van eiseres heeft kunnen intrekken.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiseres gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft de uitkering van eiseres met het primaire besluit van 23 augustus 2024 ingetrokken vanaf 26 juli 2024, omdat eiseres niet heeft meegewerkt aan een huisbezoek dat noodzakelijk was om de feitelijke woon- en inkomenssituatie en daarmee haar recht op bijstand van eiseres te kunnen beoordelen. Met het bestreden besluit van 4 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college. Ook was aanwezig [naam sociaal rechercheur] , sociaal rechercheur.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft op 24 juni 2022 een bijstandsuitkering aangevraagd. Bij besluit van 21 juli 2022 is deze uitkering per 3 juni 2022 aan haar toegekend naar de norm van een alleenstaande. Bij brief van 5 april 2024, ontvangen door het college op 10 april 2024, is een anonieme melding gedaan, waarin – samengevat weergegeven – stond dat eiseres mogelijk andere inkomsten heeft uit de verkoop van taart en gebak en mogelijk met haar vriend, [naam ] , samenwoont in haar woning. Vanwege deze melding is het college een rechtmatigheidsonderzoek gestart. Dit onderzoek bestond uit een administratief vooronderzoek, waarnemingen en een huisbezoek. Bij het administratief onderzoek zijn onder andere de door eiseres overgelegde bankafschriften bestudeerd. Gebleken is dat eiseres materialen heeft aangeschaft die gebruikt worden voor het decoreren en verpakken van taarten en aanverwante producten. Ook is gebleken van transacties tussen eiseres en [naam ] . Op het openbare Facebook account van eiseres stonden professionele foto’s van taarten en aanverwante producten. Daarnaast stond er een foto van een hoekbank die zij te koop aanbood. Deze foto stond ook op het openbare Facebook account van [naam ] . Verder is het waterverbruik op het adres van eiseres en het waterverbruik op het adres waar [naam ] staat ingeschreven bekeken. Gebleken is dat dat op het eerste adres hoog en op het tweede adres extreem laag was. Tijdens de waarnemingen bij de woning van eiseres van 30 mei 2024 tot en met 26 juli 2024 is verder 23 van de 31 keer gezien dat [naam ] de woning van eiseres verliet in de vroege ochtend. Tot slot heeft op 26 juli 2024 een onaangekondigd huisbezoek plaatsgevonden, waarbij eiseres aanvankelijk aangaf dat zij mee zou werken aan het onderzoek maar na acht minuten aangaf dat zij niet langer wenste mee te werken. Vervolgens heeft het college de hiervoor genoemde besluiten genomen.
Standpunt eiseres
4. Eiseres heeft – samengevat weergegeven – primair aangevoerd dat zij wel medewerking heeft verleend aan het huisbezoek. Ze heeft toestemming gegeven om haar woning te betreden. Zij heeft echter geen toestemming gegeven om deuren, kasten, lades en enveloppen te openen. De rechercheurs hebben dit echter toch gedaan, zonder expliciet aanvullend toestemming daarvoor aan haar te vragen. Eiseres heeft dit ervaren als een inbreuk op haar huisrecht en haar recht op privacy en heeft daarom verzocht om het huisbezoek af te breken. De rechercheurs hebben zich ook intimiderend en vrijpostig gedragen. Subsidiair heeft eiseres aangevoerd dat de rechercheurs haar desgevraagd geen gemotiveerd onderbouwde reden en doel voor het huisbezoek hebben medegedeeld. Meer subsidiair hebben de rechercheurs eiseres niet medegedeeld wat de gevolgen voor haar waren als zij het huisbezoek zou weigeren. De intrekking van de uitkering is in strijd met de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Ook moet de menselijke maat in acht worden genomen.
4.1.
Op zitting heeft eiseres nog aangevuld dat zij na het afgebroken huisbezoek vanwege complicaties tijdens haar zwangerschap in het ziekenhuis terecht is gekomen. In die tijd heeft zij meerdere keren geprobeerd om contact te leggen met het college om het een en ander toe te lichten. Ze werd echter telkens afgepoeierd, waardoor ze veel stress tijdens de zwangerschap en na de bevalling heeft ervaren.
Oordeel van de rechtbank
5. Het besluit tot intrekking van het recht op bijstand is een voor eiseres belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college. Dit betekent dat het college de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. Het ligt daarom op de weg van het college om aannemelijk te maken dat eiseres de op grond van artikel 17, tweede lid, van de PW op haar rustende medewerkingsplicht heeft geschonden door onvoldoende medewerking te verlenen aan het huisbezoek én dat het recht op bijstand daardoor niet (langer) kan worden vastgesteld.
Was het college bevoegd om het recht op bijstand in te trekken?
5.1.
Tussen partijen is in geschil of eiseres de medewerkingsplicht heeft geschonden door het huisbezoek niet toe te staan.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres de op haar rustende medewerkingsplicht heeft geschonden.
5.3.
Uit de gedingstukken, met name uit het door eiseres ondertekende formulier toestemming betreden woning van 26 juli 2024 en het rapport van bevindingen van diezelfde dag, blijkt de gang van zaken in aanloop naar en tijdens het huisbezoek. Eiseres heeft de sociaal rechercheurs weliswaar toestemming gegeven voor het betreden van haar woning, maar na enkele minuten besloot eiseres het huisbezoek niet langer te willen voortzetten. Dit is een schending van de medewerkingsplicht. Voorts blijkt uit de gedingstukken dat de rechercheurs hebben aangegeven dat ze elk vertrek in de woning gaan bekijken en dat er kastjes en lades geopend zouden kunnen worden. Eiseres heeft daarop aangegeven dat ze dat begreep. In de woonkamer hebben de rechercheurs vervolgens aan eiseres gevraagd om de lades van het televisiekastje te openen. Ze zagen in de lades meerdere schriften en mapjes met papieren liggen en hebben eiseres gevraagd om deze te overhandigen. Om na te gaan of er een administratie dan wel boekhouding van het bakken en verkopen van taarten werd bijgehouden, wilden de rechercheurs de schriften en papieren nader onderzoeken. Op dat moment zei eiseres dat ze zich niet meer prettig voelde bij het huisbezoek en het huisbezoek werd gestaakt. De rechercheurs hebben dus niet zelfstandig de lades geopend en geen enveloppen geopend. Het is begrijpelijk dat een huisbezoek als belastend kan worden ervaren, maar uit de gedingstukken blijkt niet dat de rechercheurs zich intimiderend en vrijpostig hebben gedragen tegenover eiseres. Eiseres heeft na het huisbezoek weliswaar later op de dag een e-mail gestuurd waarin zij aangaf dat zij zich ongemakkelijk voelde door het huisbezoek. Eiseres heeft hierbij echter aangegeven dat dit kwam door de kleding die zij droeg. Zij heeft hierbij geen melding gemaakt van intimidatie of vrijpostigheid. Daarnaast blijkt uit met name het door eiseres ondertekende formulier toestemming betreden woning dat de rechercheurs de reden voor het huisbezoek aan eiseres hebben medegedeeld. Zo hebben zij eiseres verteld dat het college een anonieme brief heeft ontvangen, waarin is aangegeven dat eiseres taarten bakt en verkoopt en dat haar vriend bij haar in huis woont en dat het college naar aanleiding daarvan onderzoek heeft gedaan. Ook is verteld dat toen is gezien dat eiseres een professioneel Facebook account heeft waarop zij taarten verkoopt en dat over een lange periode waarnemingen zijn verricht bij haar woning, waarbij herhaaldelijk is gezien dat [naam ] haar woning verliet. Daarnaast is verteld dat het waterverbruik van eiseres hoog is en niet past bij een eenpersoonshuishouden. Verder blijkt met name uit voormeld formulier dat de rechercheurs ook het doel van het huisbezoek aan eiseres hebben medegedeeld, namelijk dat zij haar woonsituatie wilden vaststellen. Ook hebben zij aan eiseres uitgelegd dat het weigeren van medewerking aan het betreden van de woning gevolgen kan hebben voor de voortzetting van de uitkering en dat deze dan ingetrokken wordt.
5.4.
De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de gang van zaken voor en tijdens het huisbezoek zoals weergegeven in de gedingstukken, met name het rapport van bevindingen en het door eiseres ondertekende formulier toestemming betreden woning, welk formulier eiseres rustig binnen in haar woning heeft doorgenomen. Eiseres heeft haar standpunten ook niet concreet (aan de hand van stukken) onderbouwd.
5.5.
Op basis van de uitkomst van het administratie vooronderzoek en de waarnemingen heeft het college redelijkerwijs kunnen twijfelen aan de juistheid van de door eiseres verstrekte informatie over haar woonsituatie en kunnen besluiten om over te gaan tot een huisbezoek. Het college kon de door eiseres verstrekte inlichtingen over haar woonsituatie niet op een andere effectieve en voor eiseres minder belastende manier verifiëren. Het gaat namelijk om de feitelijke situatie. Het college heeft dan ook terecht van eiseres verlangd dat zij medewerking zou verlenen aan het huisbezoek.
5.6.
Schending van de medewerkingsverplichting levert grond op voor intrekking van de bijstand, met ingang van de dag dat niet wordt voldaan aan een concreet verzoek om medewerking van het college, als daardoor het recht op bijstand niet of niet langer kan worden vastgesteld. [1] Door onvoldoende medewerking te verlenen aan het huisbezoek heeft het college de door eiseres opgegeven woon- en inkomenssituatie niet kunnen controleren. Nu het college de woon- en inkomenssituatie van eiseres niet heeft kunnen controleren is de rechtbank van oordeel dat in beginsel aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan. [2] Het college kan zo namelijk niet vaststellen of voortzetting van de bijstand gerechtvaardigd is. Zowel de woon- als de inkomenssituatie zijn immers relevant voor het recht op bijstand en er waren aanwijzingen dat de woon- en inkomenssituatie van eiseres mogelijk anders is dan zij heeft verteld aan het college. Met een huisbezoek kan over beide situaties informatie worden verkregen. Het college had gelet op het voorgaande de bevoegdheid om de bijstandsuitkering in te trekken.
Mocht het college gebruik maken van deze bevoegdheid?
5.7.
In navolging van het voorgaande overweegt de rechtbank echter dat intrekking van het recht op bijstand in deze situatie een discretionaire bevoegdheid betreft. Dit betekent dat het college gehouden is om een belangenafweging te maken. [3] De rechtbank stelt vast dat het college heeft nagelaten om deze belangenafweging te maken in het bestreden besluit, waardoor het besluit niet goed is gemotiveerd. [4] Op zitting heeft de gemachtigde van het college desgevraagd verklaard dat de belangenafweging alleen kort is terug te zien in het advies van de Commissie behandeling bezwaarschriften Sociale Kamer aan het college van 28 januari 2025. Daarin is enkel meegewogen dat er geen sprake is van een schuldenpositie of een actuele noodsituatie. Naar het oordeel van de rechtbank is deze belangenafweging (te) summier en bovendien onvolledig. Hoewel inderdaad niet is gebleken dat eiseres door de intrekking van het recht op bijstand in grote financiële problemen is gekomen en zij ook op zitting heeft verklaard dat zij kan rondkomen doordat zij een aantal toeslagen ontvangt en haar zus haar financieel helpt, stelt de rechtbank vast dat het college ten onrechte niet in de belangenafweging heeft betrokken dat eiseres tijdens het huisbezoek zo’n 32 weken zwanger was en dus kwetsbaar was. Verder is eiseres kort na het afgebroken huisbezoek (in de bezinningsperiode) bevallen en daardoor met andere dingen bezig geweest. Desondanks heeft zij contact proberen te leggen met het college, hetgeen helaas niet is gelukt. In lijn met de beroepsgrond van eiseres, dat het college meer oog had moeten hebben voor de menselijke maat in deze zaak, is de rechtbank van oordeel dat het college een (nadere) belangenafweging moet maken, met inachtneming van de
volledigesituatie van eiseres.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is genomen met artikel 3:2 van de Awb en artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Dit betekent dat het college een nieuw besluit moet nemen.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank het college in de kosten van eiseres in beroep. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde van € 907,00 per punt en een wegingsfactor 1). Verder dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het college op om binnen 8 weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt het college tot het betalen van € 1.814,- aan proceskosten van eiseres;
  • bepaalt dat het college het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.W.M. Heyman, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.M.A.W. Kusters-van Mulken, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025
De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 6 november 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
In artikel 3:2 is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
In artikel 3:4, eerste lid, is bepaald dat het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afweegt voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
In artikel 3:4, tweede lid, is bepaald dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
In artikel 3:46 is bepaald dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
In artikel 7:12 is bepaald dat de beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.
Participatiewet
Artikel 11, eerste lid, bepaalt dat alleen een in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand heeft van overheidswege.
Artikel 17, eerste lid, bepaalt dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
Artikel 17, tweede lid, bepaalt dat de belanghebbende het college desgevraagd de medewerking verleent die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
In artikel 53a, zesde lid, is bepaald dat het college bevoegd is onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het college besluiten tot herziening of intrekking van de bijstand.
In artikel 54, derde lid, is bepaald dat het college, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand, een besluit tot toekenning van bijstand kan herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:38.
2.Artikel 54, derde lid, tweede volzin, van de PW.
3.Artikel 3:4, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.