Na het overlijden van de vader van partijen ontstond een geschil over de aandelen uit zijn nalatenschap. De moeder, lijdend aan Alzheimer, verblijft in een verpleeginstelling en wordt gezamenlijk vertegenwoordigd door partijen op grond van een levenstestament. De nalatenschap is beneficiair aanvaard en partijen zijn benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder. Na het ontslag van verzoeker als executeur heeft verweerster de aandelen verkocht, wat tot een geschil leidde.
Verzoeker vroeg een voorlopig getuigenverhoor om bewijs te verzamelen over de verkoop van aandelen, maar verweerster verzette zich vanwege gebrek aan belang, strijd met de goede procesorde en het verschoningsrecht. De rechtbank oordeelde dat het verzoek in strijd is met de goede procesorde, omdat de bodemprocedure al aanhangig was en het verzoek leidt tot ondoelmatige procesvoering en mogelijke doorkruising van de bodemprocedure.
De rechtbank benadrukte dat de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht sinds 1 januari 2025 bepaalt dat voorlopige bewijsverrichtingen niet meer tijdens een lopende procedure kunnen worden verzocht. Verzoeker had het verzoek eerder kunnen indienen en kon de versnelde procedure niet als reden aanvoeren. De proceskosten worden gecompenseerd door iedere partij haar eigen kosten te laten dragen.