Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
5.De beslissing
woensdag 15 januari 2025voor beraad rolrechter,
Rechtbank Limburg
De rechtbank Limburg behandelde een bevoegdheidsincident in een civiele zaak waarin een erfgename een vordering instelde tot nakoming van een mondelinge koopovereenkomst betreffende aandelen in een Duitse vennootschap (GbR). De gedaagde stelde zich onbevoegd op vanwege een arbitragebeding in het Gesellschaftsvertrag, exclusieve bevoegdheid van het Duitse Landgericht Aachen en een forumkeuzebeding in een conceptkoopovereenkomst.
De rechtbank oordeelde dat het geschil niet onder het arbitragebeding valt omdat het niet voortvloeit uit het Gesellschaftsvertrag maar uit een aparte koopovereenkomst. Ook is geen exclusieve bevoegdheid van de Duitse rechter van toepassing omdat de vordering niet ziet op de geldigheid of ontbinding van de vennootschap. Het forumkeuzebeding voldeed niet aan het schriftelijkheidsvereiste omdat het niet door gedaagde was ondertekend.
Het Gleichlaufbeginsel bood geen grond voor exclusieve bevoegdheid. Volgens de hoofdregel van artikel 4 Brussel Pro I-bis Verordening is de rechter van de woonplaats van gedaagde bevoegd, en aangezien gedaagde in Nederland woont, is de Nederlandse rechtbank bevoegd. De rechtbank wees de vordering in het incident af, verklaarde zich bevoegd in de hoofdzaak en veroordeelde gedaagde in de proceskosten.
Uitkomst: Rechtbank verklaart zich bevoegd en wijst het bevoegdheidsincident af; gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.