ECLI:NL:RBLIM:2025:11409

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
11796348 AZ VERZ 25-79
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst en vernietiging ontslag op staande voet wegens niet meewerken aan re-integratieverplichtingen

In deze zaak heeft de kantonrechter te Maastricht op 5 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een werknemer, aangeduid als [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek], en zijn werkgever, ENERGY ESSENTIALS GROUP BV (EEG). De werknemer, die in Duitsland woonde, had zich ziekgemeld en was niet verschenen op meerdere afspraken met de bedrijfsarts, wat leidde tot een ontslag op staande voet door EEG. De werknemer verzocht de rechter om het ontslag te vernietigen en om te verklaren dat de arbeidsovereenkomst voortduurt. EEG voerde verweer en vroeg, voor het geval het ontslag niet vernietigd werd, om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar gedrag van de werknemer.

De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet niet onverwijld was gegeven, omdat EEG al op 9 april 2025 op de hoogte was van de verhuizing van de werknemer naar Duitsland en de bijbehorende reisafstand. Hierdoor was het ontslag niet rechtsgeldig. De rechter vernietigde het ontslag en oordeelde dat EEG de werknemer moest toelaten tot zijn werkzaamheden zodra hij weer hersteld was. Echter, de kantonrechter oordeelde ook dat de arbeidsovereenkomst ontbonden moest worden wegens verwijtbaar gedrag van de werknemer, omdat hij niet had meegewerkt aan zijn re-integratie en zijn verplichtingen niet was nagekomen. De arbeidsovereenkomst eindigde op 31 december 2025, en de werknemer had recht op een transitievergoeding, die verrekend zou worden met een eerder betaalde vergoeding. De proceskosten werden gecompenseerd, wat betekent dat elke partij zijn eigen kosten droeg.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer / rekestnummer: 11796348 \ AZ VERZ 25-79
Beschikking van 5 november 2025
in de zaak van
[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek],
te [woonplaats 1] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] ,
gemachtigde: mr. B. van Meurs,
tegen
ENERGY ESSENTIALS GROUP BV,
te Maastricht,
verwerende partij,
verzoekende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
hierna te noemen: EEG,
gemachtigde: mr. R.R.H.J. Ramakers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift, met een tegenverzoek
- aanvullende stukken van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] van 27 september 2025
- de mondelinge behandeling van 2 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij beide partijen een pleitnota hebben overgelegd.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] , geboren [geboortedatum] 1985, is op 1 april 2023 in dienst getreden bij EEG op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De arbeidsovereenkomst is per juli 2024 voortgezet voor onbepaalde tijd. De functie van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] is Business Analist met een loon van € 4.400,00 bruto per maand exclusief emolumenten.
2.2.
Ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst woonde [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] te [woonplaats 2] .
2.3.
EEG heeft het [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] toegestaan om zijn werkzaamheden zowel thuis als op het kantoor van EEG te Maastricht te verrichten.
2.4.
Op 18 september 2024 heeft [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] aan EEG gevraagd of hij twee weken verlof mag nemen en aansluitend vier weken onbetaald verlof.
2.5.
Bij brief van 25 september 2024 heeft EEG aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] medegedeeld dat zij onder voorwaarden akkoord gaat met zijn verzoek. In de brief heeft EEG vermeld dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] ’s prestaties na zijn overstap naar het STO-team na de zomervakantie ver onder de verwachting zijn. De brief bevat de volgende passage:
“Van jou heb ik inmiddels begrepen dat persoonlijke omstandigheden hierin een negatieve rol spelen en dat je die gefocust het hoofd wilt bieden, om daarna weer goed te kunnen functioneren. Om dit voor elkaar te krijgen wil je het onbetaald verlof opnemen. Daarom hebben we besloten je verlof verzoek te accepteren. Zodoende krijg je de tijd om je privézaken goed op orde te brengen, en kan je na die periode met frisse energie en motivatie waar aan de slag”.
EEG heeft in de brief verder aangekondigd dat een Persoonlijk Verbeter Plan zal worden opgesteld om [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] te ondersteunen zijn functioneren te verbeteren.
Onderaan deze brief staat:
“Aldus overeengekomen en in tweevoud opgemaakt, per bladzijde geparafeerd en ondertekend te Maastricht op …”
2.6.
Bij e-mail van 25 september 2024 heeft [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] aan EEG medegedeeld dat hij het document niet zal ondertekenen, dat hij zijn verzoek om onbetaald verlof intrekt en dat hij normaal verzoek voor betaald verlof zal indienen.
2.7.
EEG heeft vervolgens diezelfde dag nog aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] medegedeeld dat zij zich wel afvraagt of hij dan
“fully recovered and able to function well”zal terugkeren. Ook heeft zij hem meegedeeld dat haar standpunt over zijn “
performance in the past period”nog steeds geldt.
2.8.
Bij e-mail van 26 september 2024 heeft [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] gereageerd op de bedenkingen van EEG omtrent zijn functioneren en deelt hij haar daarnaast het volgende mede:
“Signing your assessment can be construed as me agreeing with it. This could give rise to unclear or incalculable (potential) legal consequences to my detriment, even years from now. This is very obviously not in my interest, nor do I personally consider it a fair and decent response to the situation and my original request.”
2.9.
Op 19 november 2024 heeft EEG aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] bericht dat hij niet op kantoor is, terwijl in zijn agenda staat dat hij wel op kantoor is.
2.10.
Op 14 januari 2025 heeft EEG aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] twee berichten gestuurd.
In het eerste bericht staat dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek]
“last minute”zijn
“whereabouts”in de agenda verandert en dat zij niet ziet dat hij online is op dat moment. Verder staat in dit bericht dat hij een meeting gisteren heeft geweigerd en dat hij heeft voorgesteld die te verplaatsen naar vandaag. EEG heeft hem in het bericht medegedeeld deze werkwijze niet oké te vinden en dat zij morgen een meeting op kantoor met hem wil.
Later die dag heeft zij hem een tweede bericht gestuurd waarin staat dat zij niet heeft gezien dat hij die dag online was.
2.11.
Op 15 januari 2025 heeft EEG aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] een formele waarschuwing gegeven omdat zij een terugkerend patroon ziet waarbij hij afwezig is zonder
“prior notice”, dat hij zijn agenda
“last minute”aanpast en op een
“ad hoc basis”naar kantoor komt wanneer het hem uitkomt. Ze heeft hem daarbij medegedeeld dat dit gedrag in strijd is met
“our agreements regarding attendance”.
2.12.
Op 17 januari 2025 heeft EEG aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] medegedeeld dat hij zich via Slack heeft ziekgemeld terwijl een ziekmelding telefonisch moet gebeuren.
2.13.
Op 26 februari 2025 heeft EEG aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] (samengevat) medegedeeld dat het hem vanaf 27 februari 2025 niet meer is toegestaan om thuis te werken wegens zorgen over zijn
“work output, inconsistent presence during working hours, and unclarity around your availability”.
2.14.
Op 27 februari 2025 heeft [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] een gesprek gehad met zijn leidinggevende [naam leidinggevende] . Het gesprek ging over de omvang en kwaliteit van het werk van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] alsmede over zijn werkhouding.
2.15.
Op 27 februari 2025 heeft [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] een e-mail gestuurd aan [naam leidinggevende] . De e-mail bevat als bijlage een verklaring van 5 december 2022 van een Duitse arts te Aachen waarin staat dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] sinds jaren aldaar wordt behandeld en dat hij is gediagnosticeerd met een
“ADHS-Syndroms (F90.0) und eines Asperger-Syndroms (F84.5)”.
2.16.
Daarna heeft [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] diezelfde dag aan EEG een bericht gestuurd met hyperlinks naar diverse uitspraken van het College voor de Rechten van de Mens die volgens [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] zien op
“the potential implications about employees with disabilities in the Netherlands”.
2.17.
Op 26 maart 2025 heeft EEG [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] er opnieuw op gewezen dat hij zich niet via Slack maar telefonisch moet ziekmelden.
2.18.
Op 31 maart 2025 heeft EEG aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] een bericht gestuurd waarin zij stelt dat hij haar eerder had moeten informeren over zijn beperkingen en dat zij nadenkt over de
“potential implications of this late disclosure”.Ook heeft zij hem in dit bericht meegedeeld dat zijn verzoek om thuis te mogen werken is afgewezen en dat zij zich zorgen maakt om zijn werkomgeving omdat hij regelmatig ramen opent bij een binnentemperatuur van 20/21 graden, hetgeen tot ongemak voor anderen leidt en waardoor
collega’s “have expressed reluctance to share the space with you”.
2.19.
Diezelfde dag heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] en [naam leidinggevende] (en [naam] die eveneens bij EEG in dienst is). In dit gesprek is [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] medegedeeld dat EEG de arbeidsovereenkomst wenst te beëindigen en dat hij per die dag is vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden.
2.20.
Bij e-mail van 9 april 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] aan EEG medegedeeld dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] ziek is en dat hij had besloten om in ieder geval voor de ziekteperiode (terug) te verhuizen naar Duitsland. In de e-mail staat dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] zich heeft uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen in Nederland dat zijn huidige woon/verpleegadres [adres] , [woonplaats 1] is. Het bericht bevat als bijlage een
“Arbeidsunfähigkeitsbescheinigung”waarin een Duitse arts verklaart dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] sinds 7 april 2025
“arbeitsunfähig”is.
2.21.
Bij brief van 24 april 2025 heeft de door EEG ingeschakelde arbodienst [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] uitgenodigd voor een videogesprek op 30 april 2025 met
“Praktijkondersteuner bedrijfsarts de heer [naam praktijkondersteuner] ”.
2.22.
Bij e-mail van 29 april 2025 heeft (de vervanger van) de gemachtigde van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] aan de gemachtigde van EEG doorgegeven dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] op 30 april 2025 verhinderd is vanwege een afspraak met een medisch specialist op die dag.
2.23.
De arbodienst heeft vervolgens op 30 april 2025 aan EEG bericht dat de afspraak die dag niet is doorgegaan vanwege
“no show”en dat zij geen bericht van verhindering ontvangen heeft.
2.24.
Bij brief van 30 april 2025 heeft de arbodienst [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] uitgenodigd voor een gesprek met eerdergenoemde [naam praktijkondersteuner] te Hoensboek op 6 mei 2025.
2.25.
Op 2 mei 2025 heeft (de vervanger van) de gemachtigde van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] aan EEG bericht dat:
  • [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] niet verplicht is op het fysieke gesprek te verschijnen en dat de instructie daartoe ook niet redelijk is vanwege de reistijd;
  • [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] zich wel had afgemeld voor het gesprek op 30 april 2025;
  • EEG het loon over de maand april 2025 binnen drie werkdagen dient te betalen.
2.26.
[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] is niet verschenen op bij het met [naam praktijkondersteuner] ingeplande gesprek op 6 mei 2025.
2.27.
Bij e-mailbericht van 12 mei 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] aangekondigd dat hij een kortgeding zal starten omdat EEG het loon van april 2025 niet heeft betaald. Verder staat in dit bericht dat EEG van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] niet kan verwachten om te verschijnen op een fysiek gesprek op meer dan zes uur rijden van de woonplaats van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] omdat dit geen redelijke instructie is.
2.28.
Bij brief van 16 mei 2025 heeft EEG [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] op staande voet ontslagen. De brief vermeldt de volgende dringende reden voor het ontslag:
“Nadat wij u met een gesprek hebben gehad over uw functioneren en de mogelijke gevolgen voor het voortduren van de arbeidsovereenkomst heeft u zich ziekgemeld en bent u direct naar Duitsland verhuisd, zes uur rijden met de auto vanaf ons kantoor. U heeft zich uitgeschreven bij de gemeente [woonplaats 2] en in Duitsland ingeschreven. Ondanks herhaalde instructie heeft u geen gehoor gegeven aan uw wettelijke verplichting tot medewerking aan uw re-integratie. Zo bent u tweemaal niet verschenen op een consult bij de bedrijfsarts, zowel op kantoor van de bedrijfsarts als ook online. Daarnaast heeft u geen enkele inspanning verricht om vanuit uw nieuwe woonadres in Duitsland tot een werkbare re-integratie te komen.
Door deze handelwijze heeft u een situatie gecreëerd waarin van een voortzetting van het dienstverband geen sprake meer kan zijn omdat sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 lid 1 BW. Daarnaast heeft uw opstelling het afgelopen jaar zich gekenmerkt door afwezigheid, gebrek aan communicatie en herhaalde schending van fundamentele verplichtingen, die wij reeds met u besproken hebben.”
Verder heeft EEG aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] in deze brief medegedeeld dat zij:
  • het loon van april 2025, dat volgens haar abusievelijk niet uitbetaald was, alsnog zal uitbetalen
  • het loon van de volledige maand mei 2025 van € 4.400,00 bruto zal betalen
  • de transitievergoeding van € 3.483,78 zal betalen, hoewel zij vindt dat zij daartoe niet verplicht is.
2.29.
Op 20 mei 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] aan de gemachtigde van EEG gevraagd het ontslag op staande voet in te trekken omdat er geen sprake is van een dringende reden en het ontslag niet onverwijld gegeven is.
2.30.
EEG heeft niet gereageerd op het verzoek van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] ’s gemachtigde.

3.verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] verzoekt:
om voor de duur van dit geding diverse voorlopige voorzieningen toe te wijzen.
voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet is geëindigd en tot op heden voortduurt, althans het ontslag te vernietigen,
EEG te verplichten om [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] binnen 24 uur na betekening toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden zodra hij weer hersteld is tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig eindigt, op straffe van een dwangsom,
EEG te veroordelen tot betaling van het loon vanaf 16 mei 2025 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en waarop de loonbetaling in mindering strekt die betrekking heeft op de maand mei 2025 die EEG ondanks het ontslag op staande voet toch heeft uitbetaald,
EEG te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de betaling onder sub 4.;
EEG te veroordelen tot betaling van de proceskosten en de nakosten.
3.2.
EEG voert verweer. Volgens haar is het ontslag op staande voet rechtsgeldig gegeven en moet daarom het verzoek van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] afgewezen worden.
3.3.
Voor het geval de kantonrechter het ontslag op staande voet vernietigt, verzoekt EEG de arbeidsovereenkomst met [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] op de kortst mogelijke termijn te ontbinden.
3.4.
[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] voert verweer tegen dit (voorwaardelijk) tegenverzoek van EEG. Hij stelt dat er geen grond is voor ontbinding. Voor het geval die grond er wel is, verzoekt hij om aan hem een transitievergoeding en een billijke vergoeding toe te wijzen. De billijke vergoeding begroot hij op € 100.000,00 bruto.

4.De beoordeling van het verzoek

het verzoek van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek]
4.1.
De kantonrechter zal hierna de afzonderlijke onderdelen van het verzoek van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] beoordelen.
Onderdeel 1: het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen
4.2.
Als een partij dat vordert kan de kantonrechter op grond van art. 223 Rv
een voorlopige voorziening treffen voor de duur van het geding. De kantonrechter is van oordeel dat er geen grond is om dit onderdeel van het verzoek van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] toe te wijzen aangezien in deze beschikking op alle onderdelen een eindbeslissing zal worden genomen. [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] heeft geen verder belang bij de verzochte voorlopige voorzieningen.
Onderdeel 2: verklaring voor recht, althans verzoek tot vernietiging van het ontslag
4.3.
Het verzoek van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] om voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet is geëindigd, is niet toewijsbaar. Feit is namelijk dat de arbeidsovereenkomst wel degelijk is geëindigd als gevolg van de opzegging op 16 mei 2025.
4.4.
Het verzoek van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] om de opzegging van 16 mei 2025 te vernietigen, zal wel worden toegewezen. Een ontslag op staande voet moet namelijk onverwijld gebeuren, onder onverwijlde mededeling van de dringende redenen voor dat ontslag. Dat staat in artikel 7:677 lid 1 BW. Zoals de kantonrechter ook al tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven, heeft [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] gelijk met zijn stelling dat het ontslag op staande voet niet onverwijld gegeven is. De in de ontslagbrief door EEG vermelde dringende reden (zie hiervoor 2.28) waren immers reeds enige tijd bekend bij EEG. Al op 9 april 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] EEG immers medegedeeld dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] naar Duitsland verhuisd was. En verder heeft de gemachtigde van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] al op 2 mei 2025 aan EEG medegedeeld dat van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] vanwege de reisafstand in redelijkheid niet kan worden verlangd om te verschijnen bij op het fysieke gesprek bij de arbodienst. Op dat moment was [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] al twee keer niet verschenen voor een gesprek met praktijkondersteuner bedrijfsarts [naam praktijkondersteuner] . Vervolgens heeft EEG nog twee weken laten verstrijken, waarna zij [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] op staande voet ontslagen heeft op 16 mei 2025. De kantonrechter is daarom van oordeel dat dit ontslag niet onverwijld gedaan is. Het verweer van EEG brengt geen verandering in dit oordeel. Dit verweer komt erop neer dat zij de e-mail van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] ’s gemachtigde van 12 mei 2025 (zie hiervoor 2.27) eerst op 15 mei 2025 ontvangen heeft. EEG betoogt dat in die e-mail staat dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] vindt dat vanwege de reistijd van zes uur van hem niet gevergd kan worden om voor zijn re-integratie naar de bedrijfsarts te komen. EEG stelt dat dit standpunt uiteraard tot een (volgende) vertrouwensbreuk heeft geleid en dat het ontslag op staande voet de volgende dag daarom onverwijld gegeven heeft. Dit betoog van EEG slaagt niet. Om te beginnen moet het er namelijk voor gehouden worden dat EEG de e-mail van 12 mei 2025 op de dag zelf heeft ontvangen. Belangrijker is echter dat de in die e-mail gedane mededeling van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] ’s gemachtigde geen nieuw standpunt bevat aangaande [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] ’s weigering om zes uur te reizen. Dat standpunt staat immers ook al in de e-mail van 2 mei 2025.
4.5.
Het ontslag op staande voet is niet onverwijld gedaan. Alleen al op die grond zal het verzoek om de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen worden toegewezen. De kantonrechter zal daarom geen oordeel vellen over de door partijen opgeworpen vraag of er wel sprake is geweest van een dringende reden. Dat leidt immers niet tot een andere uitkomst voor dit onderdeel van het verzoek van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] .
Onderdeel 3: wedertewerkstelling
4.6.
Als gevolg van de vernietiging van de arbeidsovereenkomst, heeft EEG in beginsel de verplichting om [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] toe te laten tot de bedongen arbeid zodra [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] weer arbeidsgeschikt is. Toch zal de kantonrechter dit onderdeel van het verzoek van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] afwijzen. Het tegenverzoek van EEG om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] te ontbinden, zal namelijk worden toegewezen op grond van verwijtbaar gedrag van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] . In die situatie heeft [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] geen belang bij toewijzing van dit onderdeel van zijn verzoek, te meer daar hij op dit moment arbeidsongeschikt is en hij naar verwachting als gevolg daarvan en van de door hemzelf gecreëerde reisafstand niet zal kunnen hervatten vóór de einddatum van de arbeidsovereenkomst.
Onderdeel 4: betaling van het loon vanaf 16 mei 2025 en de wettelijke verhoging
4.7.
Als gevolg van de in deze beschikking uit te spreken vernietiging van de opzegging, is de arbeidsovereenkomst op 16 mei 2025 (achteraf bezien) niet geëindigd. [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] heeft daarom in beginsel recht op betaling van het loon vanaf die datum totdat de arbeidsovereenkomst eindigt. Het enige verweer dat EEG op dit onderdeel heeft gevoerd, is het ontslag op staande voet op rechtsgeldig is gegeven. Dit verweer slaagt niet en daarom zal EEG worden veroordeeld tot doorbetaling van het loon aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen eindigt. Anders dan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] verzoekt, zal de kantonrechter echter niet uitgaan van 16 mei 2025 als begindatum van de loondoorbetaling, maar van 1 juni 2025. EEG heeft het loon van mei 2025 immers reeds aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] betaald. Aangezien gesteld noch gebleken is dat zij dit te laat gedaan heeft, is er ook geen aanleiding om wettelijke verhoging over het loon van mei 2025 aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] toe te wijzen. EEG is vanaf 1 juni 2025 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst eindigt 70% van het loon aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] verschuldigd zolang hij gedurende die periode arbeidsongeschikt blijft. De door [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] verzochte wettelijke verhoging zal eveneens worden toegewezen.
Onderdeel 5: de wettelijke rente
4.8.
De wettelijke rente over het door EEG te betalen loon en wettelijke verhoging zal worden toegewezen vanaf de respectieve verzuimdata tot de dag van betaling.
het verzoek van EEG
ontbinding van de arbeidsovereenkomst
4.9.
EEG verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst met Tossolini te ontbinden. Primair is EEG van mening dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden wegens (ernstig) verwijtbaar gedrag van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] . Subsidiair grondt zij het ontbindingsverzoek op het betoog dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] disfunctioneert. Meer subsidiair vindt EEG dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Tot slot beroept zij zich erop dat de arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden omdat er sprake is van een zodanige combinatie van omstandigheden, genoemd in de hiervoor vermelde ontbindingsgronden, dat van haar in redelijkheid niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zeggen.
4.10.
De kantonrechter is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst met [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] ontbonden dient te worden wegens verwijtbaar handelen. Op grond van de volgende overwegingen.
4.11.
Na zijn ziekmelding heeft [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] Nederland verlaten en is hij weer bij zijn ouders in Duitsland gaan wonen. Uiteraard heeft [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] de vrijheid om te wonen waar hij wil, ook in het buitenland. Maar die keuze raakt ook diens verplichtingen voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst. Zo heeft [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] in dit geval ervoor gekozen om te verhuizen naar [woonplaats 1] in Duitsland op zes uur rijden afstand van de vestiging van EEG en om zijn verblijf in Nederland te beëindigen. Hij heeft de huur van zijn woning in [woonplaats 2] opgezegd en zich uit het register van de gemeente laten schrijven.
4.12.
[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] stelt dat hij dit heeft gedaan omdat hij behandeld wilde worden in een hem vertrouwde omgeving in zijn moedertaal aangezien hij de Nederlandse taal niet machtig is en ook omdat hij in de
“Nederlandse zorgwereld de weg niet kent”.Dit zijn op zichzelf genomen begrijpelijke redenen, maar geen verklaring waarom hij niet ervoor heeft gekozen te worden behandeld in Aken, welke plaats veel dichter in de buurt van [woonplaats 2] ligt dan [woonplaats 1] . In Aken werd [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] immers al jarenlang behandeld. Dit blijkt uit een door hem zelf in deze procedure overgelegde brief van 5 december 2022 van een Duitse arts in Aken die verklaart dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] aldaar langjarig behandeld wordt (zie bijlage 3 van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] en hiervoor onder randnummer 2.15.). Ook is het begrijpelijk dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] wilde terugkeren naar zijn ouders in [woonplaats 1] , maar van een (medische of anderszins) acute noodzaak daartoe is niet gebleken. Het is kortom een eigen (ongedwongen) keuze van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] geweest om na zijn ziekmelding plotsklaps, zonder enig overleg met diens werkgever en zonder enige kenbare en onderbouwde noodzaak te gaan wonen in een plaats op zes uur afstand rijden van de vestiging van EEG, zijn werkgever. Van EEG kan onder die omstandigheden niet worden verlangd dat zij met die reisafstand rekening houdt.
4.13.
EEG heeft na de ziekmelding van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] geprobeerd haar re-integratieverplichting jegens [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] na te komen door hem uit te nodigen voor gesprekken met de arboarts praktijkondersteuner [naam praktijkondersteuner] . [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] ’s standpunt dat van hem niet gevergd kan worden om zes uur te rijden voor een dergelijke afspraak, verwerpt de kantonrechter op basis van hetgeen hiervoor onder 4.12 is overwogen. Het is immers de eigen keuze geweest van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] om zijn verblijf in Nederland op te geven en te gaan wonen op een reisafstand van zes uur. [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] heeft verder tegenover EEG het standpunt ingenomen dat het niet nodig was om te verschijnen bij [naam praktijkondersteuner] omdat zijn arbeidsongeschiktheid reeds door een Duitse arts was vastgesteld en EEG van de juistheid van die vaststelling diende uit te gaan. Bij dit betoog ziet [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] echter over het hoofd dat EEG niet twijfelde over zijn arbeidsongeschiktheid, maar wel wilde onderzoeken welke re-integratiemogelijkheden er waren. Dat onderzoek heeft [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] met zijn weigering om te verschijnen onmogelijk gemaakt, terwijl hij wel de verplichting had aan een dergelijk onderzoek mee te werken. Met EEG is de kantonrechter van oordeel dat dit valt aan te merken als zodanig verwijtbaar gedrag, dat van haar redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst met [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] nog voort te zetten. Anders dan EEG stelt is het handelen van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] niet zodanig ernstig dat sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan zijn kant. EEG heeft dat verder ook niet toegelicht. [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] is kennelijk uitgegaan van een verkeerde veronderstelling en een ernstig verwijt valt hem daarvan niet te maken.
4.14.
[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] doet tevergeefs een beroep op het opzegverbod wegens ziekte. Het opzegverbod tijdens ziekte geldt immers niet als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen verband houdt met de ziekte. De kantonrechter is van oordeel dat van een dergelijke situatie in deze zaak sprake is. [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] is weliswaar ziek, maar het enkele feit dat hij ziek is, ontslaat hem niet van zijn verplichting om mee te werken aan zijn eigen re-integratie. Dat zijn ziekte het hem onmogelijk heeft gemaakt mee te werken aan zijn re-integratie, is niet gebleken. Hij heeft zelf immers als enige redenen voor het niet meewerken daaraan aangevoerd dat hij daartoe niet verplicht was en dat dat van hem in redelijkheid niet gevergd kon worden gezien de reisafstand.
4.15.
[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] heeft verder aangevoerd dat zijn gedrag jegens EEG voortvloeit uit zijn beperkingen waarvan hij eerst op 27 februari 2025 (bijna twee jaar na indiensttreding) aan EEG melding heeft gemaakt (zie hiervoor onder randnummer 2.15). Ook dit verweer kan hem niet baten.
4.16.
Krachtens de door hem zelf overgelegde verklaring kampte [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] reeds lang voordat hij bij EEG in dienst trad met deze beperkingen. Hij was immers, zo volgt uit die verklaring, al jarenlang onder behandeling bij een arts in het naburige Aken (D).
De beperkingen van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] vallen weliswaar onder het bereik van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ), doch dit hoeft niet te betekenen dat de betrokkene niet op hoog niveau in een bedrijf kan functioneren.
[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] vertrouwde daar kennelijk ook op en zag ook geen noodzaak zijn werkgever bij aanvang van diens dienstverband hierover te informeren. Deze beperkingen hebben hem vervolgens ook niet kenbaar gehinderd in diens functioneren bij EEG, nu hij aanvankelijk gewaardeerd werd en daardoor vrij snel promotie maakte. Niet betwist wordt verder de stelling van EEG dat ook andere medewerkers vergelijkbare beperkingen hebben, dat daar binnen de organisatie goed rekening mee kan worden gehouden en dat deze prima functioneren.
Niet onderbouwd en daarmee niet aannemelijk geworden is dan ook de stelling van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] dat in diens beperkingen een oorzaak lag voor zijn abrupte verhuizing en zijn daarmee samenhangende weigering om mee te werken aan re-integratie.
4.17.
Op grond van voorgaande overwegingen zal de arbeidsovereenkomst tussen EEG en [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] dus worden ontbonden op grond van zodanig verwijtbaar handelen van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] dat van EEG redelijkerwijs niet kan worden verlangd om de arbeidsovereenkomst met hem nog voort te zetten.
billijke vergoeding
4.18.
[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] verzoekt EEG te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding omdat zij zich jegens hem ernstig verwijtbaar gedragen heeft. De kantonrechter wijst dit verzoek af. Als de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens ernstig verwijtbaar handelen/nalaten van EEG, kan de kantonrechter EEG veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding. In deze zaak bestaat daartoe geen aanleiding aangezien de arbeidsovereenkomst niet wordt ontbonden vanwege ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van EEG, maar vanwege verwijtbaar gedrag van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] .
de einddatum van de arbeidsovereenkomst
4.19.
Omdat van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] geen sprake is, zal de kantonrechter de einddatum van de arbeidsovereenkomst op basis van art. 7:671b lid 9 aanhef en onder b BW, vaststellen op 31 december 2025.
de transitievergoeding
4.20.
Omdat van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] geen sprake is, heeft hij recht op een transitievergoeding. Vast staat dat EEG reeds een transitievergoeding van
€ 3.483,78 aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] betaald heeft. Zij is daarbij destijds uitgegaan van 16 of 31 mei 2025 als einddatum. Die einddatum is niet correct aangezien de arbeidsovereenkomst tussen partijen eindigt op 31 december 2025. Het gevolg daarvan is dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] recht heeft op een transitievergoeding die is berekend over de periode 1 april 2023 tot en met 31 december 2025. EEG zal dus worden veroordeeld om aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] een transitievergoeding te betalen, waarop dan wel het reeds betaalde bedrag van € 3.483,78 in mindering strekt. Dit houdt dus wel in dat het door [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] ter zitting ingenomen standpunt (zie randnummer. 24 van de pleitnota) wordt verworpen. Niet valt in te zien waarom niet rekening gehouden zou mogen worden met reeds eerder onder de noemer van transitievergoeding gedane betalingen van EEG.
ten aanzien van beide verzoeken
de proceskosten en de nakosten
4.21.
Omdat het verzoek van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] (grotendeels) wordt toegewezen en het tegenverzoek van EEG eveneens, zullen de proceskosten en de eventuele nakosten over en weer worden gecompenseerd. Dit houdt in dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek]
5.1.
vernietigt het ontslag op staande voet van 16 mei 2025,
5.2.
veroordeelt EEG tot betaling aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] van € 4.400,00 brutoloon per maand, vermeerderd met emolumenten, althans, zolang [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] arbeidsongeschikt is, tot betaling van 70% van dat brutoloon vermeerderd met emolumenten, vanaf 1 juni 2025 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging,
5.3.
veroordeelt EEG tot betaling van de wettelijke rente over onderdeel 2. van deze beslissing, vanaf de respectieve dagen van verzuim tot de dag van betaling,
5.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad [1] ,
op het tegenverzoek van EEG
5.5.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen,
5.6.
bepaalt dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 31 december 2025,
5.7.
veroordeelt EEG om aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] een transitievergoeding te betalen op basis van de in 5.6. vermelde einddatum, op welke transitievergoeding het reeds aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] betaalde bedrag van € 3.483,78 bruto in mindering strekt,
op beide verzoeken
5.8.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
5.9.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken op
5 november 2025.
RW

Voetnoten

1.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.