Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de conclusie van antwoord van Achmea,
- de akte wijziging van eis van [eiser] ,
2.De feiten
8 juli 2020 [5] heeft [eiser] onder meer verklaard:
indicatievesnelheid van minimaal 97 en maximaal 109 km/uur, althans met een hogere snelheid van de terplaatse toegestane snelheid van 50 km/uur.
indicatievesnelheid.
3.Het geschil
primairzal verklaren voor recht dat Achmea, in haar hoedanigheid van WAM-verzekeraar van [naam] , gehouden is tot betaling van 100% van de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade ten gevolge van het verkeersongeval van 9 mei 2020;
4.De beoordeling
zag ik ook plotseling dat er rechts voor mij een auto vanaf de parkeerplaats de weg op reed”. Daarnaast volgt uit de VOA dat het zeer waarschijnlijk is dat [naam] [eiser] pas heeft waargenomen toen hij reeds gedeeltelijk aan het keren was en zich nagenoeg in het midden van de rijbaan van de Gewandeweg bevond. Ook dit komt overeen met hetgeen [naam] bij de politie heeft verklaard: “
Plotseling hoorde ik een heel hard schakelend motor geluid links van mij […] en direct hierna voelde ik […] een hele harde klap tegen de auto. […] Ik zag toen dat ik een aanrijding had gehad met een motorrijder”. Dit terwijl [naam] heeft verklaard dat hij van tevoren goed in de spiegels had gekeken en ook tijdens het keren om zich heen is blijven kijken. Op grond van de VOA en deze verklaring van [naam] kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangenomen dat [naam] [eiser] van tevoren heeft zien aankomen, zoals [eiser] tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld.