3.3.3De overwegingen van de rechtbank
Bewijsmiddelen feit 1
Het
proces-verbaal van bevindingenvan 24 juli 2024 vermeldt, zakelijk weergegeven:
Op 23 juli 2024 gingen wij, verbalisanten [naam 1] en [naam 2] , op verzoek van de wijkagent ter plaatse op de [adres 2] te Sittard om een stopgesprek te voeren. Op 27 januari 2024 was een Meld Misdaad Anoniem melding binnengekomen met de letterlijke tekst: “ Vuurwapens en drugshandel vanuit pand te Sittard”.
Wij, verbalisanten [naam 1] en [naam 2] liepen samen met [verdachte] via de trap naar de kelder/garage. In de kelder kwamen we in een ruimte waar meerdere banken en tafels stonden. Wij, verbalisanten [naam 1] en [naam 2] hoorden dat [verdachte] zei dat hij hier de meeste tijd doorbracht.
Wij, verbalisanten [naam 1] en [naam 2] zagen een deur en vroegen aan [verdachte] waar deze deur toegang tot had. Wij hoorden dat [verdachte] zei, dat deze toegang had tot het andere gedeelte van de garage. Ik, verbalisant [naam 1] , vroeg aan [verdachte] of hij ons deze ruimte wilde laten zien. [verdachte] maakte ons de deur open. Wij, verbalisanten [naam 1] en [naam 2] , zagen dat in deze garage een aanhangwagen stond welke was afgedekt met blauw zeil. Wij, verbalisanten roken een lichte chemische lucht, komende vanaf de aanhanger. Wij, verbalisanten zagen dat naast deze aanhanger twee blauwe vaten stonden. Ik, verbalisant [naam 2] , keek tussen de kieren van het zeil aan de achterzijde van de aanhangwagen door. Ik, verbalisant [naam 2] , zag dat er een aantal vaten en ketels in deze aanhangwagen stonden.
Het
proces-verbaal van doorzoekingvan 25 juli 2024, vermeldt, zakelijk weergegeven:
Op 24 juli 2024 werd de woning [adres 2] te Sittard betreden met een schriftelijke machtiging tot inbeslagname.
De woning [adres 2] te Sittard betreft een vrijstaande woning. De woning heeft een kelder/garage, begane grond en een eerste verdieping.
Vanuit de keuken liep er een trap naar de kelder/garage. Onderaan de keldertrap bevond zich aan de rechterzijde een washok. Vanuit het washok was er een doorgang naar de garage. Onderaan de linkerzijde van de trap was een voorraadhok, vanuit dit voorraadhok was er een doorgang naar soort 'partyruimte', vanuit deze 'partyruimte’ was er een doorgang naar de garage. (…)
In de garage stond een aanhanger met diverse jerrycans en drukvaten. In de aanhanger bevond zich:
- 4 blauwe jerrycans van 20 liter met zoutzuur;
- 1 zwarte jerrycan van 20 liter met fosforzuur;
- 3 witte jerrycans van 20 liter met aceton;
- 1 kookreactieketel met resten van amfetamine;
- 1 refluxkoeler;
- 1 destillatieketel;
- 1 destillatiebuis;
- 1 stoomgenerator;
- 1 tang;
- 1 ratelsleutel.
Het
proces-verbaal bevindingenvan het team Landelijke Faciliteit Ontmantelen (hierna: de LFO) van 25 juli 2024 vermeldt, zakelijk weergegeven:
Op woensdag 24 juli 2024, omstreeks 10.00 uur en later hebben wij een onderzoek ingesteld aan een aanhangwagen staande in de kelder van de woning [adres 2] te Sittard.
De kelderruimte is te betreden via een elektrische schuifdeur. Direct achter de toegangsdeur stond een tandemasser huif aanhangwagen. Gezien vanaf de ingang van de laadruimte van de aanhangwagen stonden rechts naast de aanhangwagen twee jerrycans met een restant rode diesel. In de laadruimte van de aanhangwagen stonden enkele jerrycans, een gedemonteerde destillatie- en kookreactieketel.
Interpretatie LFO
De kookreactieketel (K9 en K8) zijn in een eerder stadium gebruikt bij de vervaardiging en/of bewerking van synthetische drugs in casu zeer waarschijnlijk amfetamine.
De destillatieketel en koelhuis waren ongebruikt. De stoomgenerator betrof een gemodificeerd bierfust en was in een eerder stadium gebruikt.
Aceton (K2), zoutzuur (K3) en fosforzuur (K4) worden gebuikt bij de vervaardiging en bewerking van pre-precursoren en verschillende (synthetische) drugs.
Overwegingen van de rechtbank
De verdachte is de eigenaar en bewoner van de woning waar in de inpandige garage een aanhanger stond die was beladen met jerrycans met zoutzuur, een jerrycan met fosforzuur, jerrycans met aceton, een kookreactieketel, een refluxkoeler, een destillatieketel, een stoomgenerator, een destillatiebuis en een stoomgenerator. Uit onderzoek van de LFO is gebleken dat de voorwerpen en stoffen die in de laadruimte van de aanhanger stonden, gebruikt worden voor de productie van harddrugs. Naar het oordeel van de rechtbank waren die goederen, in samenhang bezien, bestemd voor het opzettelijk bereiden, bewerken of verwerken van amfetamine, althans een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De rechtbank dient thans de vraag te beantwoorden of de verdachte deze goederen voorhanden heeft gehad in de zin van artikel 10a van de Opiumwet. De verdachte heeft hierover verklaard dat de aanhanger niet van hem is, en dat hij niet wist wat erin zat.
Volgens bestendige rechtspraak geldt als uitgangspunt dat een bewoner van een woning geacht kan worden bekend te zijn met alles wat zich in de woning bevindt en daarover ook de beschikking heeft, tenzij er omstandigheden aannemelijk worden waaruit voortvloeit dat dit anders is. Uit het dossier blijkt echter niet van dergelijke omstandigheden. Integendeel: de verdachte heeft over de aanhanger wisselend verklaard. Tegen de politie heeft hij bij de doorzoeking gezegd dat die van [naam 3] was, in zijn verhoor heeft hij stellig ontkend dat hij dit zou hebben gezegd, en weer later heeft hij verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de aanhanger van [naam 3] was, maar dit niet zeker wist. Ook bleken bij de doorzoeking elders in het huis harddrugs te liggen en komt uit de chatgesprekken, die in het dossier zijn opgenomen, naar voren dat de verdachte handelde in verdovende middelen en – mogelijk schertsend – voorstelde deze zelf te gaan maken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte de goederen wel degelijk voorhanden heeft gehad.
Gelet op deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de voor het vervaardigen van amfetamine bestemde goederen niet alleen in zijn machtssfeer had, maar ook wist dat hij deze had, en aldus de productie van amfetamine heeft voorbereid als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.
Vrijspraak medeplegen
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het medeplegen nu uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte nauw en bewust met een ander of anderen heeft samengewerkt.
Bewijsmiddelen feit 2
Het
proces-verbaal van bevindingenvan 24 juli 2024 vermeldt, zakelijk weergegeven:
Op 23 juli 2024 gingen wij, verbalisanten [naam 1] en [naam 2] , op verzoek van de wijkagent ter plaatse op de [adres 2] te Sittard om een stopgesprek te voeren.
Bij een integrale bevraging in het politiesysteem op het benoemde adres zagen wij, verbalisanten [naam 1] en [naam 2] , dat hier stond ingeschreven volgens het Burger Registratie Personen:
- [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] .
Het
proces-verbaal van doorzoekingvan 25 juli 2024, vermeldt, zakelijk weergegeven:
Op 24 juli 2024 werd de woning [adres 2] te Sittard betreden met een schriftelijke machtiging tot inbeslagname.
In de kast van het voorraadhok in de kelder werd een doosje met vermoedelijk xtc en
andere medicamenten aangetroffen en in beslag genomen.
In de vriezer van de koelkast in de 'partyruimte' werd een zakje met vermoedelijk
amfetamine aangetroffen en in beslag genomen.
Het
proces-verbaal onderzoek verdovende middelenvan 29 augustus 2024, vermeldt, zakelijk weergegeven:
Goednummer: 1724661. Dit goed is aangetroffen in de vriezer in de partyruimte, [adres 2] te Sittard.
SIN: AARP5456NL
Omschrijving: Het betrof een transparant kunststof gripzakje, met een oranje gekleurd accent, met daarin crèmekleurige pasta
Gewicht netto: 14,55 gram
Monster
SIN: AAQR7280NL
Plaats veiligstellen: afkomstig uit goed met SIN AARP5456NL
Goednummer: 1724646. Dit goed is aangetroffen in de voorraadruimte in de kelder, [adres 2] te Sittard.
SIN: AARP5381NL
Omschrijving: Het betrof 5 hele en meerdere delen van zeshoekige roze gekleurde
tabletten, met op een zijde de tekst 'qp' en op de andere zijde een afbeelding van een schedel
Gewicht netto: 5,10 gram
Monster
SIN: AAQR7278NL
Plaats veiligstellen: afkomstig uit goed met SIN AARP5381NL
Goednummer: 1724642. Dit goed is aangetroffen in de voorraadruimte in de kelder, [adres 2] te Sittard.
SIN: AARP5379NL
Omschrijving: Het betrof roze gekleurde tabletten die wij op basis van uiterlijke kenmerken ingedeeld hebben in 2 groepen.
Groep 1
SIN: AAQG0179NL
Omschrijving: het betrof 1 hele en meerdere delen van roze gekleurde tabletten.
Gewicht netto: 1,30 gram
Monster
SIN: AAQR7275NL
Plaats veiligstellen: afkomstig uit goed met SIN AAQG0179NL
Groep 2
SIN: AAQG0180NL
Omschrijving: Het betrof 78 hele en meerdere delen van roze gekleurde tabletten
Gewicht netto: 27,10 gram
Monster
SIN: AAQR7277NL
Plaats veiligstellen: afkomstig uit goed met SIN AARP5380NL
Een rapport van het NFI, voor zover inhoudende:
Kenmerk
Omschrijving FO
Conclusie
AARP5456NL
pasta, creme, uit 14,55 gram
bevat amfetamine
AARP5381NL
tablet, roze, uit 5,10 gram
bevat MDMA
AAQG0180NL
tablet, roze, 27,10 gram
bevat MDMA
AAWG0179NL
tablet, roze, 1,30 gram
bevat MDMA
De verdachte [verdachte]is op 25 juli 2024 door de politie verhoord. Tijdens dat verhoor heeft de verdachte, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:
M: In de kast van het voorraadhok in de kelder werd een doosje met vermoedelijk xtc en andere medicamenten aangetroffen en in beslag genomen.
V: Wat kun jij hierover verklaren?
A: Ja dat zijn dingetjes die ik heb die gebruik ik wanneer ik drugs wil gebruiken.
V: Dat zijn jouw XTC pillen?
A: Ja.
Overwegingen van de rechtbank
De MDMA is aangetroffen in de voorraadruimte in de kelder van de woning van de verdachte; de amfetamine lag in de vriezer in de ‘partyruimte’.
De verdachte heeft ten aanzien van de aangetroffen MDMA een bekennende verklaring afgelegd bij de politie.
Ten aanzien van de amfetamine heeft de verdachte verklaard dat hij niet wist dat die in de vriezer lag, en dat de amfetamine mogelijk door iemand anders daar was neergelegd.
Voor de vraag of de verdachte deze verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad, is niet doorslaggevend aan wie de verdovende middelen toebehoren.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat voor een bewezenverklaring van ‘aanwezig hebben’ in de zin van art. 2 onder C Opiumwet niet hoeft te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen (vgl HR 21 december 2021, ECLI:HR:2021:1945, r.o. 3.3.2).
Dit aanwezig hebben geldt als misdrijf wanneer wordt tenlastegelegd en bewezenverklaard dat sprake is van opzet (daaronder begrepen voorwaardelijk opzet) op dat aanwezig hebben. Dat betekent dat de verdachte wetenschap moet hebben gehad van de aanwezigheid van de verdovende middelen, of dat hij tenminste bewust de aanmerkelijke kans op de aanwezigheid daarvan moet hebben aanvaard dan wel op de koop toegenomen. De verdachte bewoonde de woning waar de MDMA en de amfetamine werden aangetroffen. De amfetamine lag in de vriezer in de ‘partyruimte’, was niet verborgen en was voor de bewoner van het huis vrij toegankelijk. De vriezer bevond zich niet op een moeilijk zichtbare plek en was eveneens vrij toegankelijk. De verdachte heeft tegenover de verbalisanten ook verklaard dat hij de meeste tijd doorbracht in de betreffende ‘partyruimte’.
De rechtbank hanteert hier eveneens het uitgangspunt dat een bewoner weet welke voorwerpen zich in zijn of haar woning bevinden en dat hetgeen zich daar bevindt, zich ook in zijn of haar machtssfeer bevindt. Van dit uitgangspunt kan in bijzondere gevallen worden afgeweken. Uit het dossier blijkt echter niet dat deze bijzondere omstandigheden zich hebben voorgedaan. Integendeel: uit de inhoud van het dossier, waaronder met name de chatgesprekken, komt naar voren dat de verdachte zelf drugs verhandelde en gebruikte. Dat de verdachte, zoals hij heeft verklaard, regelmatig mensen ontving in de ‘partyruimte’ en meerdere personen een sleutel van zijn woning hadden, maakt nog niet dat de verdachte de amfetamine niet zelf (ook) aanwezig heeft gehad.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 4 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Bewijsmiddelen feit 4
Het
proces-verbaal van bevindingenvan 24 juli 2024 vermeldt, zakelijk weergegeven:
Op 23 juli 2024 gingen wij, verbalisanten [naam 1] en [naam 2] , op verzoek van de wijkagent ter plaatse op de [adres 2] te Sittard om een stopgesprek te voeren.
Bij een integrale bevraging in het politiesysteem op het benoemde adres zagen wij, verbalisanten [naam 1] en [naam 2] , dat hier stond ingeschreven volgens het Burger Registratie Personen:
- [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] .
Het
proces-verbaal van doorzoekingvan 25 juli 2024, vermeldt, zakelijk weergegeven:
Op 24 juli 2024 werd de woning [adres 2] te Sittard betreden met een schriftelijke machtiging tot inbeslagname.
In een bakje naast de kledingkast van de slaapkamer op de begane grond werd een busje pepperspray aangetroffen en in beslag genomen.
Het
proces-verbaal van bevindingenvan 28 juli 2024 vermeldt, zakelijk weergegeven:
Goednummer: 1724617. Dit goed is aangetroffen in een bakje naast de kast, op de slaapkamer begane grond, [adres 2] , te Sittard.
Het inbeslaggenomen voorwerp is een zogenaamd traangasbusje (pepperspray).
Op grond van bovenstaande is dit gasbusje een voorwerp dat geschikt is voor het
treffen van personen met een giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende of soortgelijke stof.
Dit voorwerp betreft een wapen in de zin van Artikel 2 lid 1, categorie II onder 6
van de Wet Wapens en Munitie.
Overwegingen van de rechtbank
Het busje traangast lag in een bakje naast de kledingkast in de slaapkamer van de verdachte.
De verdachte heeft hierover verklaard dat er op zijn slaapkamer een hoop spullen van zijn ex-vriendin lagen en dat hij zich er niet van bewust was dat er een busje met pepperspray lag.
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor het voorhanden hebben van een wapen in de zin van de Wet wapens en munitie is vereist dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid hiervan.
Zoals hiervoor reeds is overwogen, hanteert de rechtbank hierbij het uitgangspunt dat een bewoner weet welke voorwerpen zich in zijn of haar woning bevinden en dat hetgeen zich daar bevindt, zich ook in zijn of haar machtssfeer bevindt, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Nu niet van dergelijke bijzondere omstandigheden is gebleken, acht de rechtbank het onder 4 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.