ECLI:NL:RBLIM:2025:11746

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
ROE 24/4563
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de aanvraag voor een Wajong-uitkering op basis van de tienjarenregel en de aanvangsdatum van het ontbreken van arbeidsvermogen

In deze zaak heeft eiser, geboren op 22 juli 1995, een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering op basis van de tienjarenregel, met de verzoekdatum van 22 juli 2023. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft deze aanvraag afgewezen, stellende dat eiser pas op 1 juli 2024 tien jaar tijdelijk geen arbeidsvermogen heeft gehad. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar het Uwv heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft de zaak op 22 oktober 2025 behandeld. Eiser was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, terwijl het Uwv wegens ziekte van de gemachtigde afwezig was. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser eerder een Wajong-aanvraag had ingediend, die was afgewezen omdat hij arbeidsvermogen had. Eiser heeft tegen deze eerdere afwijzing beroep ingesteld, dat door de Centrale Raad van Beroep is bevestigd.

De rechtbank oordeelt dat de aanvangsdatum van het ontbreken van arbeidsvermogen bepalend is voor de tienjarenregeling en dat deze datum moet worden vastgesteld op basis van alle beschikbare gegevens ten tijde van de aanvraag. De rechtbank is van mening dat het Uwv in zijn besluit onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld, omdat het enkel heeft verwezen naar eerdere besluiten zonder een nieuwe beoordeling te maken. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit in strijd is met de Algemene wet bestuursrecht, maar dat het inhoudelijk juist is. Eiser is niet benadeeld door deze schending, waardoor de rechtbank afziet van vernietiging van het besluit.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,- en bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 51,- aan eiser vergoedt. De uitspraak is gedaan door rechter T.M. Schelfhout en is openbaar uitgesproken op 28 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/4563

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.H.A. Brauer),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen), het Uwv
(gemachtigde: mr. R. Boonstra).

Procesverloop

1. Eiser heeft aan het Uwv gevraagd om aan hem een Wajong-uitkering [1] toe te kennen met ingang van 22 juli 2023 op grond van de zogeheten tienjarenregel.
2. Het Uwv heeft deze ‘aanvraag’ van eiser met het besluit van 19 april 2024 afgewezen, omdat er volgens het Uwv pas sprake is van tien jaar tijdelijk geen arbeidsvermogen op 1 juli 2024.
3. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.
4. Het Uwv heeft het bezwaar van eiser met het bestreden besluit van 9 oktober 2024 ongegrond verklaard en heeft het besluit van 19 april 2024 gehandhaafd.
5. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
6. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
7. De rechtbank heeft het beroep op 22 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich door zijn gemachtigde laten vertegenwoordigen. Het Uwv was wegens ziekte van de gemachtigde afwezig.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten en besluitvorming van het Uwv
8. Voor de beoordeling door de rechtbank is van belang dat eiser is geboren op 22 juli 1995 (hij is dus achttien jaar geworden op 22 juli 2013) en dat hij eerder een aanvraag voor een Wajong-uitkering heeft ingediend. Het Uwv heeft de aanvraag van 17 februari 2020 met het besluit van 22 april 2020 afgewezen, omdat eiser arbeidsvermogen heeft. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft het bezwaar van eiser met het besluit van 18 december 2020 ongegrond verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat eiser vanaf 1 juli 2014 niet meer over basale werknemersvaardigheden beschikt. Omdat echter niet is uitgesloten dat eiser in de toekomst toch weer zal beschikken over die werknemersvaardigheden is volgens het Uwv per datum aanvraag niet voldaan aan het duurzaamheidscriterium. Eiser heeft tegen dat besluit beroep ingesteld (ROE 21/54). De rechtbank heeft dit beroep op 20 oktober 2022 ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen hoger beroep ingesteld. De Centrale Raad van Beroep heeft de aangevallen uitspraak van de rechtbank op 3 juni 2024 bevestigd.
9. Nog vóór de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep heeft eiser op 8 augustus 2023 aan het Uwv gevraagd om aan hem een Wajong-uitkering toe te kennen met ingang van 22 juli 2023 op grond van de zogeheten tienjarenregel. Het Uwv heeft deze aanvraag met het besluit van 19 april 2024 afgewezen, omdat er volgens het Uwv pas sprake is van tien jaar tijdelijk geen arbeidsvermogen op 1 juli 2024. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard met het in deze zaak bestreden besluit van 9 oktober 2024. In dat besluit wordt, zonder nader verzekeringsgeneeskundig of arbeidskundig onderzoek, verwezen naar het besluit op bezwaar van 18 december 2020, waaruit volgens het Uwv volgt dat het arbeidsvermogen (pas) per 1 juli 2014 is komen te ontbreken. In het verweerschrift heeft het Uwv er voorts op gewezen dat eiser die aanvangsdatum in de eerdere procedure niet heeft betwist. Ook is daarin aangevoerd dat eiser zijn stelling dat reeds op zijn achttiende verjaardag geen sprake was van arbeidsvermogen niet met nieuwe medische gegevens heeft onderbouwd.
10. Nadien heeft het Uwv met het besluit van 13 oktober 2024 alsnog een Wajong-uitkering toegekend aan eiser met ingang van 1 juli 2024, omdat eiser op die laatste datum tien jaar onafgebroken geen arbeidsvermogen heeft gehad.
Het betoog van eiser
11. Eiser stelt dat hij op 22 juli 2023 al tien jaar tijdelijk geen arbeidsvermogen had. Al zijn beperkingen bestonden namelijk al op zijn achttiende verjaardag. Slechts “onder extreme dwang” heeft hij zijn HAVO-opleiding kunnen volhouden en afronden. Volgens eiser is weliswaar op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong de beoordelingsdatum opgeschoven, maar is er in de tienjarenregeling nog steeds sprake van een koppeling met de achttienjarige leeftijd. Het Uwv houdt volgens eiser het beleid rondom de tienjarenregel geheim, waardoor hij niet kan beoordelen of het Uwv zijn beleid goed heeft toegepast. Dat de aanvangsdatum van het ontbreken van arbeidsvermogen in de vorige procedure niet is aangevochten, komt volgens hem omdat toen de duurzaamheid punt van geschil was en het kan hem daarom niet worden verweten.
Het oordeel van de rechtbank
12. Artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong, houdt in dat de ingezetene die gedurende een aaneengesloten periode van tien jaar geen arbeidsvermogen heeft alsnog aangemerkt kan worden als jonggehandicapte. Daarvoor gelden de volgende voorwaarden:
1. De ingezetene wordt niet aangemerkt als jonggehandicapte op grond van het eerste lid, onderdeel a of b, of het tweede lid, uitsluitend omdat hij tijdelijk in plaats van duurzaam geen arbeidsvermogen heeft; en
2. De periode van tien jaar sluit direct aan op de dag waarop de ingezetene op grond van het eerste lid, onderdeel a of b, of het tweede lid, jonggehandicapte zou zijn geworden als het ontbreken van arbeidsvermogen wel duurzaam zou zijn geweest.
13. Uit voormelde bepalingen volgt dat voor de toepassing van de onder 12 omschreven tienjarenregeling de datum van aanvang van het ontbreken van arbeidsvermogen bepalend is en dat die datum moet worden vastgesteld op basis van alle gegevens die ten tijde van de aanvraag om die regeling toe te passen, voorhanden zijn. Het maakt daarbij niet uit of een eerdere Wajong-aanvraag is beoordeeld aan de hand van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong (jonggehandicapte op de leeftijd van 18 jaar), artikel 1a:1, eerste lid aanhef en onder b, van de Wajong (de studieregeling) of artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong (de Amber-regeling). Dat het Uwv, zoals eiser veronderstelt, een afwijkend beleid of gedragslijn over toepassing van de tienjarenregeling heeft, is de rechtbank niet gebleken.
14. Met het betoog van eiser dat hem niet tegengeworpen kan worden dat hij in de eerdere procedure over de afwijzing van zijn Wajong-aanvraag de aanvangsdatum van ontbreken van arbeidsvermogen niet heeft aangevochten, is de rechtbank het eens. Het rechtsgevolg van het destijds bestreden besluit betreft namelijk (slechts) de weigering om vanaf de datum van aanvraag (17 februari 2020) Wajong-uitkering toe te kennen. Omdat in de procedure over dat besluit alleen de duurzaamheid punt van geschil was, is er ook geen rechterlijke uitspraak gedaan over de aanvangsdatum van het ontbreken van arbeidsvermogen. Aldus stond ten tijde van de aanvraag voor de tienjarenregeling niet in rechte vast welke datum bepalend is voor de aanvang van de daarvoor geldende periode van tien jaar. Nu in het bestreden besluit enkel is verwezen naar het besluit over de eerdere aanvraag en geen nadere beoordeling heeft plaatsgevonden, berust dat besluit niet op een zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke motivering.
15. Dat neemt niet weg dat bij de beoordeling van een aanvraag om de tienjarenregeling toe te passen, (mede) mag worden teruggegrepen op de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapportage inzake een eerdere aanvraag om Wajong-uitkering. De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van
4 november 2020 op grond van zorgvuldig onderzoek en een inzichtelijke motivering heeft geconcludeerd dat na afronding van eisers HAVO-opleiding op 1 juli 2014 sprake is geweest van een “knikpunt”, waardoor eiser op medische gronden niet langer over basale werknemersvaardigheden beschikte. De stelling van eiser dat hij de HAVO alleen door “extreme dwang“ heeft kunnen afmaken, is door hem niet onderbouwd en vindt geen enkele steun in de gegevens die in het eerdere onderzoek zijn gebleken.
Conclusies
16. Uit hetgeen onder 14 en 15 is overwogen, volgt dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar dat het inhoudelijk juist is. Nu eiser door de schending van die bepaling niet is benadeeld, ziet de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Awb af van vernietiging van het bestreden besluit.
17. Vanwege de toepassing van genoemd artikel 6:22 van de Awb veroordeelt de rechtbank het Uwv in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een weegfactor 1).
18. Het Uwv moet ook de kosten van het griffierecht aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 51,- aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M.J. Caris, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2025
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 28 november 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.