Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging aangevoerd dat de curator wist dat de verdachte werkzaamheden uitoefende tijdens het faillissement en dat hij daarmee geld verdiende. Tevens heeft de curator gezegd dat de trilplaat en het gereedschap geen waarde meer hadden en dat de verdachte die dus mocht gebruiken voor zijn eigen werkzaamheden. Er is dus geen sprake van opzettelijke onttrekking en benadeling door de verdachte.
aangiftegedaan en heeft zakelijk weergegeven het volgende verklaard: [3]
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
in staat van faillissement verklaard en wettelijk verplicht tot het geven van inlichtingen, opzettelijk onvolledige inlichtingen geven
het tijdens faillissement opzettelijk niet voldoen aan de verplichting tot het verstrekken van de administratie
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf
7.De wettelijke voorschriften
8.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor feit 2 en feit 3 tot een
- beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen;