Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
primair),
subsidiair).
3.De beoordeling van het bewijs
het rapport forensisch pathologisch onderzoekonder meer geschreven: [3]
dactyloscopische sporen, waarin onder meer het volgende staat beschreven: [4]
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf
De verdachte heeft vanaf het eerste moment bij de politie bekend schuldig te zijn aan de dood van het slachtoffer. Hoewel hij eerder wisselende verklaringen heeft gegeven over de toedracht, heeft hij uiteindelijk in het Pieter Baan Centrum toegegeven dat hij het slachtoffer in zijn slaap heeft geslagen en is hij ter terechtzitting bij deze verklaring gebleven, waarmee hij openheid van zaken heeft gegeven. Ofschoon bij de verdachte emoties moeilijk zijn waar te nemen, blijkt uit de rapportage van het PBC dat er zeker lijdensdruk door de onderzoekers en groepsleiding is waargenomen in de gesprekken met hem over het tenlastegelegde. De verdachte heeft meerdere keren aangegeven dat hij nog nooit zo'n grote fout heeft gemaakt en dat hij het ook heel erg vindt dat het slachtoffer, met wie hij eigenlijk goed contact had, dood is. Hij schaamt zich ervoor en wil ook de verantwoordelijkheid ervoor nemen; hij vindt dat hij straf verdient.
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 10 jaren;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- vermeerdert de vergoeding van de schade met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- legt aan de veroordeelde op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [nabestaande 2] , van een bedrag van € 18.104,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 125 dagen;
- bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat de veroordeelde van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.