Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de producties 13 tot en met 17 van [eiser] ,
- de producties 1 tot en met 15 van [gedaagde] ,
- de mondelinge behandeling van 27 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van [eiser] ,
- de pleitnota van [gedaagde] .
2.De feiten
3.Het geschil
€ 1.000,00 per overtreding, te vermeerderen met wettelijke rente en (buitengerechtelijke) incassokosten,
4.De beoordeling
kunnenontstaan. Uit de stellingen van [eiser] en de door hem overgelegde stukken blijkt niet dat op dit moment sprake is van een negatieve cashflow binnen ‘de gezinsfinanciën’. Onduidelijk is gebleven dat en waarom de inkomsten uit verhuur en exploitatie, voor zover die er thans zijn, op dit moment of op korte termijn beduidend zouden (gaan) teruglopen. Zo is, zoals ook door [gedaagde] is aangevoerd, de kasteelhoeve sinds kort weer verhuurd. [eiser] heeft bovendien in juni van dit jaar zijn bonus van substantiële omvang ontvangen, zo blijkt uit het door [gedaagde] overgelegde afschrift, en was dit jaar in staat om een agio storting in een gezamenlijke vennootschap te doen. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat de inkomsten van partijen onvoldoende zouden zijn om hun kosten te dekken en heeft aangevoerd dat het vermogen van partijen ruimschoots voldoende is om de hypotheekschuld te voldoen. Dit kort geding is niet de geschikte procedure om vervolgens de gegrondheid van de desbetreffende stellingen van [eiser] en de juistheid van de in dat verband overgelegde stukken aan een nader onderzoek te onderwerpen. Alles overziende is de voorzieningenrechter aldus van oordeel dat het spoedeisend belang van [eiser] bij het gevorderde onder I ontbreekt. Die vordering wordt dan ook afgewezen en hetzelfde lot moeten de vorderingen onder II tot en met IV ondergaan, nu zij op de vordering onder I voortborduren.