ECLI:NL:RBLIM:2025:12254

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/03/346412 / KG ZA 25-405
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkoop van landbouwgronden tijdens echtscheidingsprocedure en spoedeisend belang

In deze zaak heeft eiser, tijdens een lopende echtscheidingsprocedure, verzocht om toestemming voor de verkoop van landbouwgronden die behoren tot een eenvoudige gemeenschap tussen hem en gedaagde. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de toewijzing van zijn vorderingen. Het gevorderde verbod voor gedaagde om contact te hebben met de huurders van de kasteelhoeve is afgewezen. Eiser heeft op 5 september 2025 een echtscheidingsverzoek ingediend, en partijen zijn feitelijk uit elkaar gegaan in augustus 2024. Eiser heeft gesteld dat de echtscheidingsprocedure lang kan duren en dat hij financiële problemen kan ondervinden. Gedaagde heeft de vorderingen betwist en aangevoerd dat er geen spoedeisend belang is, omdat de inkomsten van partijen voldoende zijn om de lasten te dekken. De voorzieningenrechter heeft geconcludeerd dat er geen spoedeisend belang is bij de gevorderde verkoop van de landbouwgronden, en heeft de vorderingen van eiser afgewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/346412 / KG ZA 25-405
Vonnis in kort geding van 11 december 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. E.C.C. Klarus-Blomjous,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R.M.H.H. Tuinstra.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding en de daarbij overgelegde producties 1 tot en met 12,
- de producties 13 tot en met 17 van [eiser] ,
- de producties 1 tot en met 15 van [gedaagde] ,
- de mondelinge behandeling van 27 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van [eiser] ,
- de pleitnota van [gedaagde] .

2.De feiten

2.1.
[eiser] en [gedaagde] zijn op 3 juni 2005 getrouwd onder huwelijkse
voorwaarden. [eiser] heeft op 5 september 2025 een echtscheidingsverzoek ingediend bij de rechtbank. Op 7 november 2025 heeft hij dit verzoek uitgebreid met aanvullende verzoeken. Partijen zijn in augustus 2024 feitelijk uit elkaar gegaan. Voorafgaand aan het indienen van het verzoekschrift hebben zij onder begeleiding van een bemiddelaar, de heer [naam bemiddelaar] (hierna: [naam bemiddelaar] ), geprobeerd tot een afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden te komen en tot de verdeling van de tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschappen.
2.2.
De eenvoudige gemeenschappen tussen partijen hebben met name betrekking op diverse onroerende goederen. Zij bestaan in ieder geval uit een in 2011 door hen gekocht kasteel met landgoed (hierna: het kasteel) en – deels later aangekochte – omliggende landbouwgronden (hierna: de landbouwgrond). Daarnaast zijn – via een gezamenlijke vennootschap – een aantal andere panden ten behoeve van verhuur aangekocht. Het kasteel werd deels gebruikt als woonhuis voor [eiser] , [gedaagde] en hun kinderen. [gedaagde] woont hier nog steeds, [eiser] is in het gezamenlijke pand aan de [adres] gaan wonen.
2.3.
Voor de gedeeltelijke exploitatie van het kasteel is door partijen een stichting opgericht. De bij het kasteel behorende kasteelhoeve wordt op dit moment verhuurd. De landbouwgrond is deels verpacht. Verder worden ook een aantal andere panden (nu nog deels) verhuurd.
2.4.
De aankoop van het kasteel en de landbouwgrond is gefinancierd met een hypothecaire geldlening bij ABN Amro en een aantal leningen bij het restauratiefonds. De maandelijkse betaling aan ABN Amro bedraagt € 17.660,71. Daarnaast wordt per maand voor leningen bij het restauratiefonds € 2.164,41, € 1.706,62 en € 1.035,04 betaald. Alle lasten worden betaald door [eiser] .
2.5.
In het kader van de onderhandelingen tussen partijen over een convenant is gesproken over het uitgangspunt dat [eiser] het kasteel, een specifiek onroerend goed, te weten het [naam pand] , en de (hypothecaire) geldleningen bij ABN Amro en het restauratiefonds zou overnemen, terwijl [gedaagde] in dat geval de landbouwgrond en de appartementen aan de [adres] zou overnemen. Partijen hebben hierover uiteindelijk geen overeenstemming bereikt.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter:
I. [eiser] machtigt tot het te gelde maken van de landbouwgrond als opgenomen in de als productie 8 overgelegde concept koopovereenkomst en daarbij bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [gedaagde] aan het tot stand komen van de overeenkomst van opdracht tot verkoop met de rentmeester [naam rentmeester] , van de koopovereenkomst met de kopers en van de benodigde wilsverklaring, medewerking en handtekening van [gedaagde] voor het opmaken van de notariële leveringsakte voor de eigendomsoverdracht van de gronden,
II. [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis haar volledige medewerking te verlenen aan rentmeester [naam rentmeester] voor het bewerkstelligen van de verkoop van de landbouwgrond zoals beschreven in de concept koopovereenkomst, dit door ondertekening van de verkoopopdracht en de koopovereenkomst alsmede al datgene dat de rentmeester noodzakelijk acht voor het sluiten van de koopovereenkomst met koper,
III. bepaalt dat, indien [gedaagde] niet binnen de in II genoemde termijn (vrijwillig) haar medewerking verleent door ondertekening van de verkoopopdracht of de koopovereenkomst, [gedaagde] een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel verbeurt totdat het maximum van € 20.000,00 is bereikt,
IV. bepaalt dat, indien het maximum aan dwangsommen verbeurd is, het in deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [gedaagde] aan het voltooien van de koopovereenkomst alsmede van alle verdere handelingen noodzakelijk voor het voltooien van de koopovereenkomst en de daarop volgende levering aan de koper,
V. [gedaagde] een verbod oplegt tot enige vorm van contact met de huurders van de kasteelhoeve, en in het bijzonder schriftelijk of per e-mail contact te hebben, alsmede een verbod zich op te houden in de directe nabijheid van de kasteelhoeve en het aanplakken of achterlaten van berichten op of in de nabijheid van de kasteelhoeve, dit alles op verbeurte van een dwangsom van
€ 1.000,00 per overtreding, te vermeerderen met wettelijke rente en (buitengerechtelijke) incassokosten,
VI. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] betwist de vorderingen en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing daarvan.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Alleen als dat belang komt vast te staan, komt de voorzieningenrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
4.2.
[eiser] heeft, in het kader van de vordering I tot en met IV, ten aanzien van het spoedeisend belang gesteld dat hij bang is dat de echtscheidingsprocedure lang gaat duren en dat er in die tijd grote financiële problemen kunnen ontstaan. Hij voert aan dat partijen lang hebben onderhandeld over een convenant, maar dat [gedaagde] het concept toch niet wil tekenen. Bemiddelaar [naam bemiddelaar] heeft zijn werkzaamheden in juni 2025 neergelegd. [eiser] verwacht niet dat partijen op korte termijn er nog samen uit gaan komen. Hoewel [gedaagde] stelt bereid te zijn tot overleg, blijkt dit niet uit haar houding. Zij gaat persoonlijk overleg met [eiser] uit de weg, reageert niet op inhoudelijke schikkingsvoorstellen en blijft e-mails sturen waarin zij om meer, ook reeds verstrekte, informatie blijft vragen. Intussen frustreert zij op iedere mogelijke wijze de exploitatie van het kasteel, terwijl de inkomsten uit exploitatie nodig zijn. [eiser] heeft een cashflow overzicht van het gezin gemaakt waaruit volgt welke kosten er maandelijks zijn en hij heeft dat afgezet tegen zijn maandelijks inkomen. [gedaagde] draagt niet bij aan de betaling van de lasten. Zonder inkomsten uit exploitatie en zonder de bonussen uit zijn baan is er sprake van een negatieve cashflow. De verkoop van de landbouwgrond stelt partijen in staat de volledige hypothecaire geldlening af te lossen en een betere cashflow situatie te bereiken gedurende de echtscheidingsprocedure. Het kasteel is geen courant onroerend goed, zodat de verkoop daarvan lang kan duren. Daarentegen is de landbouwgrond wel courant en zijn er drie serieuze kopers die de landbouwgrond graag willen verkrijgen en wel tegen een substantieel hogere prijs dan waar partijen in hun onderhandelingen van zijn uitgegaan. [gedaagde] wil hier echter geen medewerking aan verlenen, aldus [eiser] .
4.3.
[gedaagde] betwist (primair) het spoedeisend belang in het kader van de vordering I tot en met IV. Zij kan zich niet vinden in de door [eiser] gegeven situatieschets. [gedaagde] betwist dat zij elk overleg uit de weg gaat en niet zou reageren op schikkingsvoorstellen. Zij had een informatieachterstand en heeft veel stukken moeten opvragen bij [eiser] , hetgeen tijd kostte. Zij heeft een alomvattend schikkingsvoorstel gedaan, hetgeen ook het uitgangspunt van beide partijen was in de onderhandelingen. Over verkoop van de landbouwgrond en het verstrekken van een verkoopopdracht is geen gezamenlijk besluit genomen. Zij wenst niet mee te werken aan een verkoop van alleen die landbouwgrond en al zeker niet zonder dat zij beschikt over alle informatie. [eiser] heeft geen openheid van zaken gegeven over de potentiële kopers en de biedingen die zij zouden hebben gedaan. Als partijen alsnog niet samen een regeling weten te treffen, zal daarover beslist moeten worden in de echtscheidingsprocedure.
Voor inmenging in de verdeling tussen partijen bestaat op dit moment geen rechtvaardigingsgrond, zeker niet in het kader van dit kort geding. Een spoedeisend belang bij snelle verkoop van de landbouwgronden is er niet. Er zijn immers geen betalingsproblemen. De inkomsten van partijen (salaris [eiser] , pacht en huur) zijn (meer dan) toereikend voor voldoening van de maandelijkse lasten en hun vermogenspositie is absoluut niet alarmerend. De hypotheekschuld hoeft op dit moment niet te worden afgelost. Het door [eiser] opgestelde cashflow overzicht wordt door [gedaagde] betwist: het is aan de inkomstenskant onvolledig en onjuist en bij een deel van de opgevoerde kostenposten kunnen vraagtekens worden geplaatst. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat als [eiser] daadwerkelijk het kasteel en [naam pand] niet meer wil overnemen en deze verkocht moeten worden, daarmee ook het spoedeisend belang bij verkoop van de landbouwgrond met het doel de hypotheekschuld af te lossen, komt te vervallen. Zij betwist de stelling van [eiser] dat het kasteel niet courant zou zijn en verwijst daartoe naar de taxatierapporten van de taxateurs [naam taxateur 1] en [naam taxateur 2] , waarin zij het kasteel als courant omschreven.
4.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van het door hem gevorderde onder I. De stellingen van [eiser] houden voor een belangrijk deel verband met de financiële positie van [eiser] en de situatie die mogelijk zou
kunnenontstaan. Uit de stellingen van [eiser] en de door hem overgelegde stukken blijkt niet dat op dit moment sprake is van een negatieve cashflow binnen ‘de gezinsfinanciën’. Onduidelijk is gebleven dat en waarom de inkomsten uit verhuur en exploitatie, voor zover die er thans zijn, op dit moment of op korte termijn beduidend zouden (gaan) teruglopen. Zo is, zoals ook door [gedaagde] is aangevoerd, de kasteelhoeve sinds kort weer verhuurd. [eiser] heeft bovendien in juni van dit jaar zijn bonus van substantiële omvang ontvangen, zo blijkt uit het door [gedaagde] overgelegde afschrift, en was dit jaar in staat om een agio storting in een gezamenlijke vennootschap te doen. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat de inkomsten van partijen onvoldoende zouden zijn om hun kosten te dekken en heeft aangevoerd dat het vermogen van partijen ruimschoots voldoende is om de hypotheekschuld te voldoen. Dit kort geding is niet de geschikte procedure om vervolgens de gegrondheid van de desbetreffende stellingen van [eiser] en de juistheid van de in dat verband overgelegde stukken aan een nader onderzoek te onderwerpen. Alles overziende is de voorzieningenrechter aldus van oordeel dat het spoedeisend belang van [eiser] bij het gevorderde onder I ontbreekt. Die vordering wordt dan ook afgewezen en hetzelfde lot moeten de vorderingen onder II tot en met IV ondergaan, nu zij op de vordering onder I voortborduren.
4.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang van [eiser] bij het gevorderde onder V volgt uit de aard van die vordering.
4.6.
In het kader van het gevorderde onder V heeft [eiser] het volgende aangevoerd. De vordering tot het opleggen van een contactverbod met de huurders, versterkt met een dwangsom is bedoeld om [gedaagde] zich te laten onthouden van het bedreigen en intimideren van huurders van de kasteelhoeve. [gedaagde] frustreert de exploitatie, terwijl de inkomsten uit de verhuur van de kasteelhoeve nodig zijn. Bovendien wordt de stichting geschaad in haar aanzien en daarmee ook [eiser] . [eiser] stelt dat [gedaagde] brieven op de ramen van de kasteelhoeve heeft geplakt en [eiser] heeft daarvan foto’s overgelegd, aldus [eiser] .
4.7.
[gedaagde] betwist niet dat zij brieven op de ramen van de kasteelhoeve heeft geplakt. Die brieven zijn door [eiser] echter weggehaald en de huurders hebben deze brieven niet gezien. [gedaagde] stelt dat haar actie gerechtvaardigd is. Zij heeft haar juridische positie willen veiligstellen, nu over de verhuur van de kasteelhoeve door [eiser] geen overleg is gepleegd.
4.8.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook deze vordering moet worden afgewezen. De situatie is thans zo dat de huurders inmiddels in de kasteelhoeve wonen. Voor zover zij kennis hebben genomen van de brieven van [gedaagde] , hebben deze brieven aldus geen effect gehad. Van het bedreigen of intimideren van de huurders van de kasteelhoeve is de voorzieningenrechter ook overigens niets gebleken. Het is daarmee niet aannemelijk geworden dat sprake is van een situatie die de gevorderde verboden kan rechtvaardigen. Daarnaast, zo heeft [gedaagde] terecht aangevoerd, zou een eventueel uitgesproken veroordeling van [gedaagde] (a) om niet enige vorm van contact met de huurders te hebben, (b) om zich niet op te houden in de directe nabijheid van de kasteelhoeve of (c) om niet berichten achter te laten aan de of in de nabijheid van de kasteelhoeve al snel praktisch onuitvoerbaar blijken te zijn. De kasteelhoeve ligt immers naast de woning waar [gedaagde] woont. Bovendien is niet ondenkbaar dat een zodanig verbod de juridische (eigendoms)positie van de vrouw met betrekking tot het kasteel op ontoelaatbare wijze zou kunnen doorkruisen. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter aldus het gevorderde onder V af.
4.9.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.10.
De voorzieningenrechter veroorlooft zich nog een laatste opmerking. Al tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter partijen voorgehouden om, onder deskundige (bege)leiding van advocaten, te (blijven) streven naar een regeling in der minne. Dat standpunt herhaalt de voorzieningenrechter hier, omdat hij denkt dat beide partijen daar het meest gebaat bij zullen zijn. Een regeling in der minne zal immers veelal de beste manier zijn om een oplossing te vinden, die op een zo kort mogelijke termijn recht kan doen aan de (financiële en emotionele) belangen van beide partijen. De voorzieningenrechter verwacht dat partijen, zoals zij tijdens de mondelinge behandeling ook hebben uitgesproken, zich daarvoor zullen inspannen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J. Noelmans en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025.
EvdS