Op 21 augustus 2024 heeft het CBR aan verzoekster, een inwoner van Landgraaf, een rijvaardigheidsonderzoek opgelegd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar het CBR verklaarde dit bezwaar op 28 november 2024 ongegrond. Vervolgens diende verzoekster op 27 juni 2025 een verzoek om herziening in, dat op 24 juli 2025 door het CBR werd afgewezen. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd op 13 oktober 2025 kennelijk ongegrond verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 december 2025 behandeld, waarbij verzoekster werd bijgestaan door haar gemachtigde en het CBR vertegenwoordigd was door haar gemachtigde.
De voorzieningenrechter concludeerde na de zitting dat nader onderzoek niet nodig was en deed uitspraak op zowel het verzoek om voorlopige voorziening als het beroep. De rechter stelde vast dat verzoekster geen procesbelang meer had, omdat haar rijbewijs op 16 september 2025 ongeldig was verklaard wegens het niet verschijnen bij het rijvaardigheidsonderzoek. Dit besluit stond in rechte vast, waardoor het doel van het beroep, het behouden van het rijbewijs, niet meer kon worden bereikt. De voorzieningenrechter oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk was en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoekster kreeg geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten.
De uitspraak werd gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, in aanwezigheid van griffier mr. M.M.M.F. Roijen, en werd op 15 december 2025 in het openbaar uitgesproken. Een afschrift van de uitspraak is op dezelfde dag aan de partijen verzonden.