ECLI:NL:RBLIM:2025:12454

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
ROE 25/2769 en ROE 25/2770
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij opleggen rijvaardigheidsonderzoek

Het CBR legde op 21 augustus 2024 aan verzoekster een rijvaardigheidsonderzoek op, waartegen zij bezwaar maakte. Dit bezwaar en een daarop volgend herzieningsverzoek werden door het CBR afgewezen. Verzoekster stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 2 december 2025 en concludeerde dat nader onderzoek niet nodig was. De rechter stelde ambtshalve vast dat verzoekster geen procesbelang had bij het beroep omdat haar rijbewijs op 16 september 2025 ongeldig was verklaard wegens niet verschijnen bij het onderzoek.

Omdat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs in rechte vaststaat en dit besluit losstaat van het besluit tot opleggen van het rijvaardigheidsonderzoek, kan het beroep niet leiden tot het beoogde resultaat. Verzoekster bracht geen aanvullende feiten aan die procesbelang zouden kunnen aantonen.

Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoekster krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.

Uitkomst: Het beroep tegen het opleggen van het rijvaardigheidsonderzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 25/2769 en ROE 25/2770
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 december 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , uit Landgraaf, verzoekster

(gemachtigde: mr. L.C.A. Diederen),
en

CBR divisie Rijgeschiktheid, het CBR

(gemachtigde: drs. I. Metaal)

Procesverloop

1. Op 21 augustus 2024 heeft het CBR aan verzoekster een rijvaardigheidsonderzoek opgelegd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.1.
Op 28 november 2024 heeft het CBR het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
1.2.
Op 27 juni 2025 is door verzoekster een verzoek om herziening van het besluit van 21 augustus 2024 ingediend.
1.3.
Het CBR heeft op 24 juli 2025 het herzieningsverzoek afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.4.
Op 13 oktober 2025 heeft het CBR het bezwaar tegen het herzieningsverzoek kennelijk ongegrond verklaard (het bestreden besluit).
1.5.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.
1.6.
Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.
1.7.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 december 2025 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Het CBR heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Kortsluiten
2. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. [1]
Procesbelang
3. De voorzieningenrechter ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of verzoekster procesbelang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Dat betekent dat verzoekster een actueel en reëel belang moet hebben bij de uitkomst van deze procedure. Met andere woorden: het doel dat verzoekster voor ogen heeft moet met deze procedure kunnen worden bereikt. Als dat belang is vervallen, hoeft de bestuursrechter geen inhoudelijke uitspraak te doen alleen vanwege de principiële betekenis daarvan.
3.1.
Verzoekster heeft aangevoerd dat het besluit tot opleggen van een rijvaardigheidsonderzoek en ook het besluit tot afwijzing van herziening van dit besluit ondeugdelijk zijn gemotiveerd. Volgens verzoekster bevat het politierapport aantoonbare fouten. Hierdoor is het ‘oorspronkelijke besluit’, de oplegging van het rijvaardigheidsonderzoek, onjuist. De hiervan afgeleide beslissing tot het ongeldig verklaren van het rijbewijs is als gevolg hiervan, naar de mening van verzoekster, ook niet juist. Verzoekster vindt dan ook haar rijbewijs niet ongeldig had mogen worden verklaard.
3.2.
De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat verzoekster ten aanzien van het beroep tegen het bestreden besluit geen procesbelang meer heeft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
3.3.
Bij afzonderlijk besluit van 16 september 2025 heeft het CBR het rijbewijs van verzoekster ongeldig verklaard omdat zij zonder geldige reden van verhindering niet is verschenen bij het rijvaardigheidsonderzoek. Verzoekster heeft ter zitting ook bevestigd dat zij twee keer niet naar het rijvaardigheidsonderzoek is gegaan. De laatste keer is verzoekster niet gegaan omdat ze het eigenlijk niet eens is met het aan haar opgelegde rijvaardigheidsonderzoek. Dat is ook de reden waarom ze om een herziening heeft gevraagd van de beslissing om aan haar een rijvaardigheidsonderzoek op te leggen.
3.4.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van verzoekster het directe gevolg is van het niet verschijnen voor het onderzoek en niet het gevolg van het, volgens verzoekster onterecht, opleggen van het rijvaardigheidsonderzoek. Het besluit tot opleggen van het rijvaardigheidsonderzoek en het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs zijn twee afzonderlijke besluiten waarop twee zelfstandige procedures (kunnen) volgen. Het CBR heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat verzoekster tegen het besluit van 16 september 2025 tot ongeldigverklaring van haar rijbewijs geen bezwaar heeft gemaakt. Dit heeft verzoekster desgevraagd ter zitting ook bevestigd. Het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs staat dus in rechte vast. Nu het rijbewijs van verzoekster ongeldig is verklaard en dit besluit in rechte vaststaat, kan in deze procedure gericht tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek het met het beroep beoogde doel - het behouden en blijven gebruiken van het rijbewijs - niet (meer) worden bereikt. Nu verzoekster ook voor het overige geen feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan procesbelang moet worden aangenomen heeft verzoekster geen belang bij een beoordeling van het door haar ingestelde beroep.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M.M.F. Roijen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025. .
griffier
voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter is niet in de gelegenheid om deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 15 december 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.