Het CBR legde op 21 augustus 2024 aan verzoekster een rijvaardigheidsonderzoek op, waartegen zij bezwaar maakte. Dit bezwaar en een daarop volgend herzieningsverzoek werden door het CBR afgewezen. Verzoekster stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 2 december 2025 en concludeerde dat nader onderzoek niet nodig was. De rechter stelde ambtshalve vast dat verzoekster geen procesbelang had bij het beroep omdat haar rijbewijs op 16 september 2025 ongeldig was verklaard wegens niet verschijnen bij het onderzoek.
Omdat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs in rechte vaststaat en dit besluit losstaat van het besluit tot opleggen van het rijvaardigheidsonderzoek, kan het beroep niet leiden tot het beoogde resultaat. Verzoekster bracht geen aanvullende feiten aan die procesbelang zouden kunnen aantonen.
Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoekster krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.