ECLI:NL:RBLIM:2025:12591

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
C/03/329281
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid hypotheekadviseur voor schade door niet vastzetten variabele hypotheekrente

In deze zaak heeft de Rechtbank Limburg op 24 december 2025 uitspraak gedaan in een civiele procedure tussen een eiseres en de besloten vennootschap Fidus Holtum B.V. De eiseres, vertegenwoordigd door haar advocaat mr. K.A.M.J. Horsch, heeft Fidus Holtum aangeklaagd wegens toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht. De eiseres had Fidus Holtum ingeschakeld voor financieel advies met betrekking tot haar hypothecaire lening na haar echtscheiding. Fidus Holtum heeft nagelaten om de variabele hypotheekrente van twee leningdelen vast te zetten, wat heeft geleid tot schade voor de eiseres. De rechtbank oordeelt dat Fidus Holtum aansprakelijk is voor de schade die de eiseres heeft geleden door deze tekortkoming. Het beroep van Fidus Holtum op schending van de klachttermijn en eigen schuld van de eiseres wordt afgewezen. De rechtbank stelt vast dat de schade moet worden berekend over een periode van twintig jaar en benoemt een deskundige om de schade te begroten. De eiseres vordert onder andere een schadevergoeding van € 87.140,00 en de rechtbank houdt verdere beslissingen aan voor de begroting van de schade.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/329281 / HA ZA 24-161
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat: mr. K.A.M.J. Horsch,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FIDUS HOLTUM B.V.,
gevestigd te Holtum, gemeente Sittard-Geleen,
gedaagde,
advocaat: mr. M.H. Pluymen.
Partijen zullen hierna [eiseres] en Fidus Holtum genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties 1 tot en met 18,
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 8,
- de brief van 18 september 2024 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de brief van 18 september 2024, met overlegging van productie 9 van Fidus Holtum,
- de akte eiswijziging tevens akte inbreng producties 19 tot en met 28 van [eiseres] ,
- de door [eiseres] overgelegde spreekaantekeningen,
- de door Fidus Holtum overgelegde spreekaantekeningen,
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 28 januari 2025,
- het e-mailbericht van 12 februari 2025 van [eiseres] met opmerkingen bij het proces-verbaal,
- het rolbericht van de rechtbank van 12 februari 2025,
- de akte van Fidus Holtum,
- de antwoordakte van [eiseres] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Fidus Holtum is een assurantietussenpersoon en verleent financieel advies aan particulieren en bedrijven over verzekeringen en bankzaken. Rechtsvoorganger van Fidus Holtum is Assurantiekantoor [naam BV] (hierna: [naam BV] ). [naam BV] is sinds 15 januari 2024 verder gegaan als Fidus Holtum.
2.2.
Op 4 februari 2020 heeft [eiseres] contact opgenomen met [naam BV] voor financieel advies in verband met de vraag of zij na haar echtscheiding in staat was om de voormalig echtelijke woning (hierna: de woning), over te nemen. [eiseres] heeft er vervolgens voor gekozen de woning over te nemen. [naam BV] heeft de verhoging van de hypothecaire geldlening, die nodig was voor het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van haar ex-echtgenoot, voor [eiseres] geregeld.
2.3.
Voornoemde hypotheekwijziging is per 1 mei 2021 gerealiseerd. Na wijziging bestond de hypothecaire geldlening van [eiseres] , die was afgesloten bij Aegon, uit zeven delen. Twee leningdelen kenden een variabele rente, namelijk leningdeel H4179214-2 (aflossingsvrije hypotheek van € 78.400,00) (hierna:
leningdeel 2) en leningdeel H4179214-7 (annuïteitenhypotheek van € 76.515,87) (hierna:
leningdeel 7).
2.4.
Op 19 mei 2021 ontving [naam BV] van Aegon het bericht dat met ingang van diezelfde dag de hypotheekrente werd verhoogd. [naam BV] heeft dit bericht op 19 mei 2021 aan [eiseres] doorgestuurd en haar de vraag voorgelegd of zij de rente van de variabele delen van haar hypotheek wilde vastzetten.
2.5.
[eiseres] heeft bij e-mail van 25 mei 2021 aan [naam BV] medegedeeld dat zij de variabele rente van de leningdelen 2 en 7 wilde vastzetten op respectievelijk 1,69% en 1,56%.
2.6.
[naam BV] heeft diezelfde ochtend per e-mail aan [eiseres] medegedeeld dat zij aan Aegon zal doorgeven dat de variabele rente van beide leningen wordt vastgezet:
OK, dan ga ik het doorgeven, gewoon 30 jaar (of in elk geval restant van de looptijd, 29 jaar en 10 maanden) vast.
2.7.
[naam BV] heeft op 25 mei 2021 een offerteverzoek ingediend bij Aegon om de variabele rente van beide leningdelen tot einde looptijd vast te zetten.
2.8.
Aegon heeft naar aanleiding van het offerteverzoek een omzettingsofferte in het portaal van [naam BV] gezet, maar [naam BV] heeft deze niet opgemerkt. Na het opvragen van de omzettingsofferte zijn aldus geen handelingen verricht om ervoor te zorgen dat de omzettingsofferte werd bevestigd en de variabele rente daadwerkelijk vastgezet zou worden.
2.9.
Na de e-mailwisseling op 25 mei 2021 is er geen contact meer geweest tussen [eiseres] en [naam BV] .
2.10.
[eiseres] heeft in juli 2021 en in april 2022 het door haar betaalde maandelijkse hypotheekbedrag op haar bankafschriften gecontroleerd. Daaruit bleek dat vanaf juli 2021 iedere maand een bedrag van € 1.121,12 werd afgeschreven.
2.11.
Op 15 april 2023 constateerde [eiseres] dat sinds een aantal maanden een hoger bedrag aan hypotheekbetalingen werd afgeschreven. [eiseres] heeft [naam BV] diezelfde dag bij e-mail het volgende medegedeeld:
“(…) Er gaat iets mis bij mijn hypotheek.
De bindende offerte stond destijds op 1132 euro met een stukje variabel.
Toen ging de rente wat omlaag en heb ik die vast laten zetten en stond het op 1121 euro. Dit is 1,5 jaar goed afgeschreven.
Nu zie ik ineens sinds oktober 2021 1197 euro
sinds januari 1327 euro en nu in april 1386 euro!
(zie benedenstaand de bankafschriften)
Kunnen jullie aub even kijken wat hier mis gaat?
(…)” [1]
2.12.
[naam BV] heeft contact opgenomen met [eiseres] . [naam BV] heeft vervolgens getracht de rentes met terugwerkende kracht aan te passen, maar Aegon weigerde dit.
2.13.
Partijen hebben op 15 mei 2023 onderling een gesprek gehad om tot een oplossing te komen. [naam BV] heeft daarbij erkend een fout te hebben gemaakt.
2.14.
[naam BV] heeft de zaak ter verdere behandeling voorgelegd aan haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar, De Vereende N.V. (hierna: De Vereende). De Vereende heeft aansprakelijkheid van haar verzekerde betwist; overleg om tot een financiële regeling te komen heeft niet tot succes geleid.
2.15.
[eiseres] (althans haar rechtsbijstandsverzekeraar) heeft vervolgens adviesbureau [naam adviesbureau] ingeschakeld om de door haar geleden en te lijden schade te begroten. [naam adviesbureau] heeft op 17 oktober 2023 een schaderapport opgesteld, waarin zij de schade begroot op € 61.855,00. [naam adviesbureau] gaat bij de begroting van de schade uit van het renteverschil tussen de situatie dat de rente zou zijn vastgezet na ontdekking van de fout (per 21 juni 2023: € 185.004,00) en de situatie zonder fout, waarbij de rente per 1 juni 2021 zou zijn vastgezet (€ 110.674,00) verminderd met 2% (inflatiecorrectie).
2.16.
Op 24 oktober 2023 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [eiseres] het rapport van [naam adviesbureau] toegezonden aan De Vereende en [naam BV] aansprakelijk gesteld.
2.17.
De Vereende heeft bij e-mail van 17 november 2023 medegedeeld dat zij zich niet kan vinden in bepaalde punten van het rapport van [naam adviesbureau] en heeft de aansprakelijkheid van [naam BV] betwist.
2.18.
[eiseres] heeft [naam BV] op 15 maart 2024 gedagvaard.
2.19.
Fidus Holtum heeft het rapport van [naam adviesbureau] ter beoordeling voorgelegd aan de heer [naam] van Crawford & Company B.V. (hierna: Crawford). Crawford heeft haar bevindingen neergelegd in een rapport van 10 juni 2024.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
I. Fidus Holtum veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het eindvonnis aan [eiseres] te voldoen het bruto verschil in te betalen hypotheekrente tussen de vaste rente van 1,69% over leningsdeel 2 (aflossingsvrije hypotheek € 78.400,00) en 1,56% over leningdeel 7 (annuïteitenhypotheek van destijds € 76.515,87) en de door [eiseres] betaalde variabele rente vanaf 1 oktober 2022 tot aan de dag van het eindvonnis, met de verplichting voor [eiseres] om binnen vier weken na dat vonnis aan Fidus Holtum te voldoen de met dit verschil corresponderende definitief, dus niet voorlopig, vastgestelde belastingteruggave over de periode vanaf 1 oktober 2022 tot aan de dag van het eindvonnis, te weten de belastingteruggave over de belastingjaren 2022 (laatste drie maanden), 2023 en 2024;
II. Fidus Holtum veroordeelt om gedurende de gehele resterende looptijd van leningdeel 2 en leningdeel 7, jaarlijks, uiterlijk op 1 maart, voor het eerst per 1 maart 2026, na verstrekking door [eiseres] aan Fidus Holtum van het jaaroverzicht van de hypotheek van [eiseres] dat Aegon begin februari van ieder jaar verstrekt met de totaal betaalde hypotheekrente, aan [eiseres] te voldoen het verschil tussen de vaste rente van 1,69% over leningdeel 2 (aflossingsvrije hypotheek € 78.400,00) en 1,56% over leningdeel 7 (annuïteitenhypotheek van destijds € 76.515,87) en de door [eiseres] betaalde variabele rente over het daaraan voorafgaande kalenderjaar, voor het kalenderjaar 2025 minus hetgeen tot aan de dag van het eindvonnis reeds is voldaan, met de verplichting voor [eiseres] om binnen vier weken na ontvangst door [eiseres] van de definitieve belastingaanslag van het betreffende belastingjaar, voor het eerst over het belastingjaar 2025, aan Fidus Holtum te voldoen de met dit verschil corresponderende definitief, dus niet voorlopig, vastgestelde jaarlijkse belastingteruggave;
III. Fidus Holtum veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het eindvonnis zekerheid te stellen voor de nakoming van haar verplichtingen jegens [eiseres] door een bankgarantie af te doen geven aan [eiseres] voor een bedrag van € 87.140,00, althans € 73.276,53, welke bankgarantie in stand dient te blijven gedurende de gehele resterende looptijd van leningdeel 2 en leningdeel 7;
Subsidiair en meer subsidiair:
IV. Fidus Holtum veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het eindvonnis aan [eiseres] te voldoen het bedrag van € 87.140,00, althans het bedrag van € 73.276,53, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening,
Primair, subsidiair en meer subsidiair:
V. Fidus Holtum veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het eindvonnis aan [eiseres] te voldoen de deskundigenkosten van € 1.424,07 inclusief btw, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf de datum van het in dit vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening,
VI. Fidus Holtum veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het eindvonnis aan [eiseres] te voldoen de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.646,40, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf de datum van het eindvonnis, tot aan de dag der algehele voldoening,
VII. Fidus Holtum veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het eindvonnis aan [eiseres] te voldoen de kosten van deze procedure, de nakosten daarbij inbegrepen.
3.2.
[eiseres] voert ter onderbouwing van haar vorderingen aan dat Fidus Holtum is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht, doordat Fidus Holtum de variabele rente van leningdeel 2 en leningdeel 7 niet heeft vastgezet. [eiseres] stelt dat zij hierdoor schade heeft geleden en nog steeds schade lijdt. [eiseres] wenst deze schade vergoed te krijgen.
3.3.
Fidus Holtum voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Fidus Holtum betwist niet dat zij een fout heeft gemaakt doordat zij de variabele rente van leningdeel 2 en leningdeel 7 bij Aegon niet heeft vastgezet. Evenmin wordt betwist dat [eiseres] daardoor schade heeft geleden en nog steeds lijdt. Daarmee kan als vaststaand worden aangenomen dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van (de rechtsvoorganger van) Fidus Holtum, verzuim (nakoming is blijvend onmogelijk), schade en causaal verband tussen de tekortkoming en die schade.
4.2.
Het geschil tussen partijen ziet op de omvang van de schade. [eiseres] stelt dat de schadeomvang moet worden bepaald op grond van het rapport van [naam adviesbureau] en haar eigen aanvullende berekening. Fidus Holtum betwist de door [eiseres] gestelde berekeningen van de schade en voert daarnaast als verweer aan dat [eiseres] haar klachtplicht heeft geschonden, alsmede dat sprake is van eigen schuld. De rechtbank ziet aanleiding het verweer met betrekking tot schending van de klachtplicht – als meest verstrekkend verweer – het eerst te beoordelen.
Klachtplicht
4.3.
Fidus Holtum stelt dat [eiseres] met haar e-mail in april 2023 te laat heeft geklaagd. Zij wist immers, althans behoorde te weten, dat de rente niet was vastgezet op basis van de enkele correspondentie met [naam BV] . Fidus Holtum voert in dat verband aan dat [naam BV] bij e-mail van 25 mei 2021, 15.43 uur aan [eiseres] heeft bericht dat de omzettingsofferte is opgevraagd en dat [naam BV] weer van zich zal laten horen als deze binnen is. [eiseres] wist dus dat zij nog een omzettingsofferte zou (moeten) ontvangen. Het is daarnaast gebruikelijk, aldus Fidus Holtum, dat een hypotheekverstrekker een wijziging in de rente bevestigt aan de klant. Omdat de rente niet is vastgezet heeft Aegon een dergelijk bericht niet aan [eiseres] gestuurd. Volgens Fidus Holtum had [eiseres] hierbij een eigen onderzoeksplicht: [eiseres] had de fout van [naam BV] gemakkelijk kunnen herkennen en zij wist – zeker nu ze kort daarvoor haar hypothecaire geldlening had gewijzigd – dat een wijzigingsverzoek met een handtekening geaccordeerd dient te worden. Als [eiseres] tijdig had geklaagd, had [naam BV] de hypotheekrente, die toen nog steeds laag was, alsnog kunnen vastzetten en was de schade voorkomen.
4.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Art. 6:89 BW bepaalt dat de schuldeiser geen beroep meer kan doen op een gebrek, als hij niet protesteert ‘binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken’. Volgens vaste rechtspraak [2] moet bij beantwoording van de vraag of is voldaan aan deze onderzoeks- en klachtplicht acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en inhoud van de rechtsverhouding, de aard en inhoud van de prestatie en de aard van het gestelde gebrek in de prestatie. Daaronder valt onder meer de waarneembaarheid van de tekortkoming, de deskundigheid van partijen en de onderlinge verhouding van partijen.
4.5.
De rechtbank komt op basis van de omstandigheden van deze zaak tot de conclusie dat de klachtplicht niet is geschonden. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat zij na de afspraak met [naam BV] heeft gecontroleerd of het nieuwe (door [naam BV] in algemene termen aangeduide) maandbedrag klopte; dat bleek het geval. Bij de boekhoudkundige controle in april 2022 bleek bovendien dat vanaf juli 2021 steeds hetzelfde bedrag was afgeschreven. Gelet op deze omstandigheden bestond er voor [eiseres] geen aanleiding voor nader (diepgaander) onderzoek. Dat geldt temeer nu in de verhouding tussen partijen [naam BV] de deskundige partij was; [eiseres] mocht er in beginsel van uitgaan dat [naam BV] , haar zorgplicht zou nakomen en hoefde er niet op bedacht te zijn dat [naam BV] , bij wie zij al gedurende langere tijd klant was, fouten zou maken.
De rechtbank volgt Fidus Holtum niet in haar stelling dat [eiseres] had moeten weten dat zij nog een offerte zou moeten tekenen en dat zij een bevestiging van Aegon had moeten ontvangen. Uit de omstandigheid dat [eiseres] niet lang daarvoor een offerte van Aegon voor een (substantiële) hypotheekwijziging had getekend volgt niet zonder meer dat zij daaruit had moeten begrijpen dat dit ook nodig was voor het vastzetten van twee leningdelen binnen die hypotheek. De stelling van [naam BV] dat [eiseres] dit had moeten begrijpen door een e-mail van 25 mei 2021, 15.43 uur die [naam BV] aan haar zou hebben verzonden (zie rov. 4.3) slaagt evenmin. [eiseres] betwist dat zij dit e-mailbericht heeft ontvangen. Het is dan aan Fidus Holtum om aan te tonen dat [eiseres] wel heeft bereikt. Daarvoor is nodig en voldoende dat het e-mailbericht in de inbox van [eiseres] is gekomen; verzending alleen is onvoldoende. Feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat het bericht in de inbox van [eiseres] is gekomen zijn door Fidus Holtum echter niet gesteld. Daarmee is niet komen vast te staan dat [eiseres] dit e-mailbericht heeft ontvangen.
Fidus Holtum stelt tot slot nog dat [eiseres] de wijzigingen van de rentestand had kunnen zien in haar klantenportaal (waartoe Fidus Holtum geen toegang heeft). [eiseres] heeft dit echter gemotiveerd betwist met de stelling (onderbouwd met een e-mailbericht van Aegon [3] ) dat Aegon pas vanaf 15 maart 2024 berichten aan klanten stuurt over wijziging van de variabele rente. Nu Fidus Holtum deze betwisting niet heeft weerlegd, verwerpt de rechtbank deze stelling.
Bij het voorgaande merkt de rechtbank volledigheidshalve op dat het e-mailbericht van [eiseres] van 15 april 2023 (zie rov. 2.11) een kennelijke schrijffout bevat: waar zij schrijft
“Nu zie ik ineens sinds oktober 2021 1197 euro (…)”is naar de rechtbank begrijpt (in overeenstemming met het bij die mail gevoegde overzicht van de hypotheekafschrijvingen) bedoeld “oktober 2022”.
Begroting schade
De reeds geleden schade
4.6.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de door [eiseres] geleden schade tot 1 januari 2025 kan worden begroot op een bedrag van € 4.663,34 (netto teveel betaalde rente). Dit bedrag blijkt uit de berekening van de boekhouder van [eiseres] in productie 28 bij de akte eiswijziging, tevens akte inbreng producties. Fidus Holtum heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij zich kan vinden in die berekening. De rechtbank stelt daarom vast dat de door [eiseres] geleden schade tot 1 januari 2025 kan worden begroot op een bedrag van € 4.663,34.
Primaire vordering: periodieke vergoeding concrete schade
4.7.
Partijen twisten over de vraag hoe de (toekomstige) schade vanaf 1 januari 2025 en de daaropvolgende jaren dient te worden begroot. [eiseres] stelt (primair) dat de schadevergoeding periodiek moet worden uitgekeerd, omdat zij hierdoor de zekerheid heeft dat zij in ieder geval de daadwerkelijk door haar geleden schade vergoed krijgt. Volgens Fidus Holtum moet het schadebedrag in de vorm van een som ineens worden uitgekeerd. Zij voert daartoe aan dat een periodieke uitkering een grote administratieve belasting met zich brengt en acht in deze situatie een abstracte berekening met een som ineens gebruikelijker en passender.
4.8.
Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat op grond van artikel 6:97 jo artikel 6:105 BW de begroting van nog niet ingetreden schade bij voorbaat kan geschieden. Het schadebedrag kan als een som ineens of periodiek worden uitgekeerd. Artikel 6:105 lid 1 BW bepaalt daartoe dat, indien de nog niet ingetreden schade wordt begroot, dit gebeurt na afweging van goede en kwade kansen. De rechtbank overweegt dat de gedupeerde partij in beginsel vrij is te kiezen voor een som ineens of een periodieke afwikkeling, maar dat die vrijheid niet zo ver gaat dat geen rekening dient te worden gehouden met redelijke belangen van de aansprakelijke partij.
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige situatie een periodieke vergoeding van de concreet geleden schade minder passend is. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat een periodieke uitkering in de vorm van een jaarlijkse vergoeding achteraf van de concreet geleden schade, zoals gevorderd door [eiseres] , een perverse prikkel oplevert voor [eiseres] om de rente niet vast te zetten. Een dergelijke constructie leidt er immers toe dat [eiseres] risicoloos de variabele rente kan blijven hanteren: een lagere rente zou ten goede komen aan [eiseres] , terwijl een hogere rente voor rekening zouden komen van Fidus Holtum. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat deze benadering – nog afgezien van de kosten van de door [eiseres] gevorderde bankgarantie – meebrengt dat partijen nog jarenlang met elkaar te maken houden met alle mogelijke discussies omtrent de afwikkeling van dien en dat Fidus Holtum jarenlang administratieve kosten zal moeten maken om de periodieke uitkeringen te berekenen en te voldoen. Tot slot heeft de rechtbank ernstige vraagtekens bij de fiscale toelaatbaarheid van de door [eiseres] gevorderde aanpak, die onder meer inhoudt dat [eiseres] het door haar op grond van de hypotheekrenteaftrek te veel ontvangen belastingvoordeel aan Fidus Holtum zal verstrekken. De rechtbank is gelet op het hiervoor overwogene van oordeel dat de nog te lijden schade middels een bedrag ineens dient te worden uitgekeerd aan [eiseres] . De rechtbank zal daarom het primair gevorderde onder I, II en III afwijzen.
Subsidiaire en meer subsidiaire vordering: eenmalige uitkering toekomstige schade
4.10.
[eiseres] vordert subsidiair dat Fidus Holtum wordt veroordeeld om een bedrag van
€ 87.140,00 althans (meer subsidiair) een bedrag van € 73.276,53 aan haar te voldoen. Deze bedragen zijn gebaseerd op het rapport van [naam adviesbureau] [4] en de eigen (aanvullende) berekeningen van [eiseres] . [5] [naam adviesbureau] heeft in haar rapport het verschil berekend tussen de door [eiseres] netto verschuldigde rente over de periode van 2021-2050 in de situatie zonder fout [6] en de situatie met fout, waarin de rente zou zijn vastgezet op het moment van ontdekking (1 juni 2023) [7] . [naam adviesbureau] becijfert dat verschil op € 79.293,- en komt na inflatiecorrectie (2%) uit op een schadebedrag van € 61.855,- (de contante waarde op 1 juli 2023). [eiseres] stelt in dat verband dat zij voornemens is om het volledige schadevergoedingsbedrag te gebruiken voor aflossing op leningdeel 2. Zij heeft berekend dat zij in dat geval nog € 7.901,- tekort komt, om welke reden zij primair een bedrag van (€ 79.293,- + € 7.901,- =) € 87.140,- vordert. Indien [eiseres] zou kiezen voor het vastzetten van de rente en het schadebedrag zou gebruiken om de hogere rente mee te betalen, dient rekening te worden gehouden met mogelijke daling dan wel het volledig verdwijnen van de hypotheekrenteaftrek. [eiseres] schat de hierdoor extra te lijden schade op € 11.421,53 en komt daarmee subsidiair op een vordering tot betaling van schadevergoeding van (€ 61.855,= + € 11.421,53 =) € 73.276,53,-.
4.11.
Fidus Holtum betwist de door [eiseres] gestelde hoogte van de schade en voert, onder verwijzing naar het door haar overgelegde rapport van Crawford [8] , aan dat de schade maximaal € 40.000,00 bedraagt. De opsteller van het rapport van Crawford, die in opdracht van Fidus Holtum het rapport van [naam adviesbureau] heeft beoordeeld, geeft aan de gehanteerde methodiek van [naam adviesbureau] te kunnen volgen, met de kanttekening dat de berekening alleen valide is als [eiseres] na ontdekking inderdaad de rente op de hypotheekdelen 2 en 7 per 1 juni 2023 zou hebben vastgezet. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het voordeel voor [eiseres] bij vervroegde aflossing. Uitgaande van dezelfde rentetarieven als [naam adviesbureau] en rekening houdend met het rentevoordeel door vervroegde aflossing is in het rapport van Crawford vervolgens een doorrekening gemaakt van het effect van extra aflossingen in tranches van € 10.000,- op leningdeel 2, ingaande op 1 juli 2024. Daarbij is, uitgaande van een percentage van 3,5% (de op dat moment aangeboden depositorente), de contante waarde per 1 juli 2024 berekend. De uitkomst van die berekening luidt dat een bedrag van € 40.000,- (voor aflossingen in tranches van € 10.000,-) resulteert in een netto besparing van € 60.952,-, welk bedrag nagenoeg overeenkomt met het door [naam adviesbureau] berekende schadebedrag, aldus het rapport van Crawford. Naast verwijzing naar het rapport van Crawford heeft Fidus Holtum aangevoerd dat [eiseres] ten onrechte de hoogte van de schade berekend over een periode van dertig jaar. Bovendien moet rekening worden gehouden met een aftrek voor eigen schuld, aldus Fidus Holtum.
4.12.
De rechtbank zal eerst het beroep op eigen schuld beoordelen.
Eigen schuld
4.13.
Fidus Holtum baseert haar beroep op eigen schuld op dezelfde stellingen die zij naar voren heeft gebracht bij het beroep op schending van de klachtplicht. Zoals hiervoor reeds overwogen volgt de rechtbank Fidus Holtum niet in die stellingen. De rechtbank verwijst voor de motivering van dit oordeel naar hetgeen zij heeft overwogen in rechtsoverweging 4.5. Anders dan betoogd door Fidus Holtum acht de rechtbank daarbij wel relevant dat het afgeschreven hypotheekbedrag tot 1 oktober 2022 steeds gelijk is gebleven (€ 1.121,12). Daaruit volgt immers dat [eiseres] , ook als zij die afschrijvingen vaker had gecontroleerd, de fout van Fidus Holtum niet had kunnen opmerken.
Begroting van de schade
4.14.
De rechtbank stelt met betrekking tot de begroting van de schade het volgende voorop. Als uitgangspunt geldt dat schadevergoeding de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand dient te brengen waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Dit brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. In dit geval betekent dit dat de feitelijke situatie waarbij de hypotheekrente in 2021 niet is vastgezet moet worden vergeleken met de hypothetische situatie dat de hypotheekrente in 2021 wel zou zijn vastgezet.
4.15.
In de hypothetische situatie (zonder fout) dat Fidus Holtum de hypotheekrente van de leningen wel zou hebben vastgezet bedraagt de hypotheekrente per 1 juli 2021 1,69% voor leningdeel 2 en 1,56% voor leningdeel 7. De rechtbank zal daarom voor de hypothetische situatie zonder fout deze percentages tot uitgangspunt nemen.
De hoogte van de hypotheekrente van de feitelijke situatie (met fout) kan vanwege de huidige variabele rente van beide leningdelen niet eenvoudig worden vastgesteld. Fidus Holtum heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij er geen bezwaar tegen heeft om voor de situatie met de fout de hypotheekrentepercentages van 23 mei 2023 of 21 juni 2023 tot uitgangspunt te nemen. De rechtbank zal daarom voor de feitelijke situatie met fout aansluiten bij de door [naam adviesbureau] gehanteerde rentepercentages op 21 juni 2023, namelijk 4,67% voor leningdeel 2 en 4,51% voor leningdeel 7.
4.16.
De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de basis voor de begroting van de schade bestaat uit het verschil in de totale netto hypotheekrente tussen de situatie met en zonder fout, zoals ook door [naam adviesbureau] tot uitgangspunt is genomen. Ook zijn partijen het erover eens dat dit bedrag moet worden gekapitaliseerd. Zij verschillen echter van mening over de looptijd van de berekening (dertig jaar tegenover vijftien jaar) en de wijze waarop de kapitalisatie moet plaatsvinden.
De goede en kwade kansen (looptijd)
4.17.
Bij de berekening van de toekomstige schade dient zoals hiervoor reeds is vermeld op grond van artikel 6:105 BW rekening te worden gehouden met een afweging van de goede en kwade kansen. Daarbij komt het aan op de redelijke verwachting over toekomstige ontwikkelingen. Het is aan de eisende partij om de toekomstige schade te bewijzen, waarbij geldt dat slechts kan worden verlangd dat zij feiten en omstandigheden aandraagt op grond waarvan het door haar geschetste hypothetische scenario voldoende aannemelijk kan worden geacht.
4.18.
[eiseres] gaat ervan uit – hierop is ook de schadeberekening van [naam adviesbureau] gebaseerd – dat zij de huidige hypothecaire geldleningen voor de volledige looptijd van dertig jaar ongewijzigd zal aanhouden. [eiseres] stelt daartoe dat zij een meeneemhypotheek heeft en de levensloopbestendige gelijkvloerse woning vlakbij het centrum heeft gekocht, omdat zij niet van plan is de komende dertig jaar nog te verhuizen. [eiseres] stelt verder dat in het rapport van [naam adviesbureau] rekening is gehouden met het verdwijnen van de hypotheekrenteaftrek, hetgeen in haar nadeel zou werken.
4.19.
Fidus Holtum betoogt dat de schade moet worden berekend over een periode van vijftien jaar. Volgens Fidus Holtum is in de berekening van [naam adviesbureau] ten onrechte geen rekening gehouden met omstandigheden die ervoor kunnen zorgen dat [eiseres] niet daadwerkelijk de volle resterende looptijd gebruik zal maken van de lening of het rentepercentage waarmee wordt gerekend. Voor de uiteindelijke omvang van de schade is onder meer bepalend hoe lang [eiseres] in de woning blijft wonen, of zij onverhoopt vroegtijdig komt te overlijden of dat een toekomstige rentedaling haar kan doen besluiten de lening over te sluiten. Fidus Holtum vindt om die reden een periode van vijftien jaar redelijk.
4.20.
De rechtbank is gelet op hetgeen door partijen is aangevoerd van oordeel dat de schade niet over de volle dertig jaar van de rentevaste periode moet worden berekend. Zoals Fidus Holtum terecht heeft aangevoerd moet rekening worden gehouden met het feit dat zich (op dit moment nog niet voorziene) omstandigheden kunnen voordoen waardoor [eiseres] niet daadwerkelijk de volledige dertig jaar gebruik zal blijven maken van de lening of het huidige rentepercentage. Het gaat daarbij niet alleen om de vraag of zij de komende dertig jaar zal verhuizen, maar ook om mogelijke wijzigingen van financiële aard, zoals de mogelijkheid dat zij een financiële meevaller heeft waardoor zij een extra aflossing kan doen of dat de financiële markt zodanig wijzigt dat zij de lening op gunstige voorwaarden kan oversluiten. De rechtbank zal om die reden tot uitgangspunt nemen dat de schade van [eiseres] moet worden berekend op basis van de veronderstelling dat zij de leningdelen 2 en 7 gedurende een periode van twintig jaar zal voortzetten, te rekenen vanaf 1 mei 2021.
Benoeming deskundige
4.21.
Nu de uitgangspunten voor de schadebegroting zijn gewijzigd ten opzichte van de uitgangspunten van de partijdeskundigen dient de (gekapitaliseerde) schadevergoeding opnieuw begroot te worden. De rechtbank zal daarbij zoals overwogen uitgaan van een looptijd van twintig jaar (dus van 1 mei 2021 tot 1 mei 2041). Nu inmiddels ook het jaar 2025 vrijwel is verstreken ziet de rechtbank aanleiding de reeds verschenen schade in dit kalenderjaar concreet te (laten) berekenen. De gekapitaliseerde toekomstige schade over de periode van 1 januari 2026 tot 1 mei 2041, uit te keren in een som ineens, zal door middel van abstracte schadeberekening worden vastgesteld. Daarbij zal de rechtbank uitgaan van de in rov. 4.15 genoemde rentepercentages voor het scenario met en zonder fout. Ook neemt de rechtbank bij die berekening tot uitgangspunt dat [eiseres] het uit te keren bedrag zal gebruiken voor directe aflossing op leningdeel 2 en/of leningdeel 7, nu dit, naar de rechtbank uit de stellingen van [eiseres] begrijpt, het scenario is dat de meeste besparing oplevert en [eiseres] onbeperkt boetevrij kan aflossen op deze rekeningen.
4.22.
Gelet op de complexiteit van de begroting van de toekomstige schade en de omstandigheid dat de door partijen overgelegde rapporten elkaar tegenspreken, ziet de rechtbank aanleiding om voor de begroting van de onder rov. 4.21 genoemde schadeposten een deskundige te benoemen. De rechtbank is voornemens de volgende vraagstelling aan de deskundige voor te leggen:
1. Wat is de omvang van de concreet door [eiseres] geleden schade in de periode van 1 januari 2025 en 31 december 2025, op basis van de daadwerkelijk betaalde hypotheekrente over de leningdelen 2 en 7, afgezet tegen de rentepercentages die hadden gegolden als de rente tegen 1 juli 2021 was vastgezet (1,69% voor leningdeel 2 en 1,56% voor leningdeel 7)?
2. Welke rekenmethode en welke rente is naar uw oordeel in dit geval het meest passend voor het berekenen van de gekapitaliseerde schadevergoeding voor de toekomstige schade van [eiseres] over de periode vanaf 1 januari 2026 tot 1 mei 2041, uitgaande van de hiervoor in rov. 4.21 genoemde uitgangspunten? De rechtbank verzoekt u in uw antwoord ook de rapporten van [naam adviesbureau] en Crawford te betrekken.
3. Op welk bedrag begroot u de gekapitaliseerde vergoeding voor toekomstige schade zoals bedoeld in vraag 2?
4. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
4.23.
Wellicht geven de in dit tussenvonnis opgenomen overwegingen partijen aanknopingspunten voor nader overleg. De rechtbank zal partijen daarom in de gelegenheid stellen zich niet alleen uit te laten over het specialisme van de te benoemen deskundige en de aan de deskundige voor te leggen vragen, maar ook over de noodzaak van een deskundigenbericht.
4.24.
De rechtbank ziet, gelet op het feit dat de tekortkoming en de aansprakelijkheid vaststaan, aanleiding om de kosten voor het voorschot van de deskundige te verdelen, in die zin dat elk der partijen de helft van die kosten draagt. In het eindvonnis zal de rechtbank beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen.
4.25.
Met betrekking tot de persoon van de deskundige geeft de rechtbank partijen in overweging in onderling overleg overeenstemming bereiken over de persoon die als deskundige gaat optreden. Indien partijen hierover geen overeenstemming kunnen bereiken dient elke partij één of meer deskundige(n) voor te dragen, voorzien van een motivering met betrekking tot de geschiktheid van deze deskundige(n). Daarbij dienen partijen elkaar tijdig op de hoogte te stellen van de namen van de deskundigen die zij zullen voordragen, zodat zij ieder direct gemotiveerd kunnen aangeven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige en waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking dient te komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid van de deskundige. Die zwaarwegende redenen moeten worden onderbouwd. De rechtbank zal dan, na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming van een potentiële deskundige, een door partijen aangedragen deskundige of een eigen deskundige benoemen.
4.26.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen, zodat partijen zich gelijktijdig bij akte kunnen uitlaten over hetgeen is opgenomen in rov. 4.23 en 4.25. Partijen moeten de conceptakte, althans het gedeelte daarvan dat handelt over de voor te dragen deskundige(n) uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij in hun definitieve akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren. Mede in verband met voornoemd overleg over de persoon van de deskundige zal de rechtbank partijen een termijn van vier weken verlenen voor het nemen van de akten.
4.27.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van
21 januari 2026voor zijdens beide partijen gelijktijdig te nemen akte uitlating omtrent hetgeen onder rechtsoverweging 4.23 en 4.25 is overwogen,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.C.M. Hurkens, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
type: FL
coll:

Voetnoten

1.Productie 8 bij conclusie van antwoord.
2.Zie bijvoorbeeld HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600.
3.Productie 25 van [eiseres] .
4.Productie 9 bij dagvaarding.
5.Dagvaarding, randnummer 43 en 44.
6.Uitgaande van een rente van 1,69% voor leningdeel 2 en 1,56% voor leningdeel 7.
7.Met een rentestand van 4,67% voor leningdeel 2 en 4,51% voor leningdeel 7.
8.Productie 9 van Fidus Holtum.