ECLI:NL:RBLIM:2025:12668

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
ROE 23/3438
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning langeafstandsschietsportdisciplines door de Minister van Justitie en Veiligheid

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Limburg uitspraak gedaan in de zaak tussen de Dutch Long Range Association en de Minister van Justitie en Veiligheid. De rechtbank heeft het beroep van eiseres ongegrond verklaard, waarbij de afwijzing van de aanvraag tot erkenning van verschillende langeafstandsschietsportdisciplines door de minister werd bevestigd. De rechtbank oordeelde dat de minister de erkenning mocht weigeren omdat de betreffende schietsportdisciplines in Nederland feitelijk niet in verenigings- en wedstrijdverband kunnen worden beoefend. Bovendien zou erkenning leiden tot een toename van krachtige vuurwapens met grote kalibers, wat een risico voor de openbare veiligheid met zich meebrengt. Eiseres had niet voldaan aan de vereisten dat een schietsportdiscipline gedetailleerd en duidelijk omschreven moet zijn. De rechtbank concludeerde dat de minister zijn restrictieve beleid op het gebied van vuurwapenbezit terecht had toegepast om de veiligheid in de samenleving te waarborgen. De rechtbank heeft de argumenten van eiseres, waaronder het gelijkheidsbeginsel en het vereiste van een redelijk belang, verworpen. De uitspraak benadrukt de noodzaak van strikte regulering van schietsportdisciplines in Nederland en de verantwoordelijkheden van de minister in dit kader.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 23/3438

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2025

in de zaak tussen

Dutch Long Range Association, uit Krimpen aan den IJssel, eiseres

(gemachtigde: mr. E.M. Oskam)
en

de Minister van Justitie en Veiligheid, de minister

(gemachtigden: mr. M.R. Vennegoor, J.L. Nuijs en A.M.A. Moeskop).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres over de erkenning van verschillende langeafstandsschietsportdisciplines. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de erkenning van de langeafstandsschietsportdisciplines heeft mogen weigeren. De betreffende schietsportdisciplines kunnen in Nederland feitelijk niet in verenigings- en wedstrijdverband worden beoefend. De rechtbank kan het standpunt van de minister dan ook volgen dat dit al reden genoeg is om te concluderen dat het redelijk belang voor het erkennen van deze schietsportdisciplines ontbreekt. Daarnaast zal erkenning van deze langeafstandsschietsportdisciplines leiden tot aangroei van zeer krachtige vuurwapens met grote kalibers. De minister heeft in het geval van eiseres zijn restrictief beleid mogen toepassen op vuurwapenbezit om de veiligheid in de samenleving te waarborgen. Dit levert geen strijd op met het gelijkheidsbeginsel. Verder heeft eiseres niet voldaan aan het vereiste dat een schietsportdiscipline gedetailleerd en duidelijk omschreven moet zijn. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 12 juli 2022 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiseres tot erkenning van verschillende schietsportdisciplines ‘Long Range’ en de toevoeging daarvan tot bijlage C8 van de Circulaire wapens en munitie (de circulaire) afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 10 oktober 2023 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [gemachtigde 1] (voorzitter van eiseres), [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] (beiden namens eiseres) en de gemachtigden van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Bevoegdheid van de rechtbank
3. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve gesteld voor de vraag of zij bevoegd is om kennis te nemen van het beroep van eiseres. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Eiseres is statutair gevestigd in Krimpen aan de IJssel. Deze plaats behoort tot de relatieve competentie van de rechtbank Rotterdam. [1] De rechtbank heeft dit tijdens het onderzoek (een paar weken voor de zitting) geconstateerd. De rechtbank heeft deze constatering aan partijen voorgehouden. Partijen hebben vóór de zitting schriftelijk aangegeven geen bezwaar te hebben dat deze rechtbank uitspraak doet in het onderhavige beroep. De rechtbank zal daarom het beroep inhoudelijk beoordelen.
Relevante feiten en omstandigheden
4. Eiseres is een vereniging, die (kort gezegd) de belangen behartigt van de long range sportschutter in Nederland. Volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel houden de activiteiten van eiseres het volgende in: “
Schietsport beoefenen en wel specifiek het lange afstand schieten, bevorderen van de kennis ten aanzien van het lange afstand schieten onder de leden, reguleren van schieten met kalibers binnen het wettelijke kader voor lange afstanden.”.
4.1.
Op 20 september 2019 heeft eiseres onder meer een aanvraag ingediend bij de minister om verschillende langeafstandsschietsportdisciplines aan te wijzen als vorm van schietsport. Uit deze aanvraag blijkt onder meer dat bij de schietsportdiscipline ‘Long Range’ geschoten wordt met kalibers groter dan de huidige toegestane grens van
8 millimeter (mm). De minister heeft naar aanleiding van de aanvraag van eiseres advies ingewonnen bij de ministeriële werkgroep advies Wet wapens en munitie (hierna: werkgroep Wwm) en de Koninklijke Nederlandse Schietsporters Associatie (KNSA). Met het primaire besluit heeft de minister de aanvraag van eiseres tot erkenning van de betreffende schietsportdisciplines afgewezen.
4.2.
Eiseres heeft zich niet met dit besluit kunnen verenigen en heeft hiertegen bij de minister bezwaar gemaakt. Na de hoorzitting op 21 oktober 2022 heeft de minister de werkgroep Wwm opnieuw om advies gevraagd. Ook heeft de minister advies ingewonnen bij de Dienst Speciale Interventies.
4.3.
Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres deels gegrond (voor wat betreft het gebrek aan overleg met de KNSA en het feit dat de erkenning van de schietsportdisciplines zou botsen met terreurbestrijding) en deels ongegrond verklaard. Het primaire besluit wordt door de minister herroepen met betrekking tot de onderdelen van het bezwaar die gegrond zijn verklaard en voor het overige is het primaire besluit in stand gebleven onder aanvulling van de motivering. Daarnaast heeft de minister aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- toegekend vanwege de overschrijding van de beslistermijn.
4.4.
Eiseres is het ook met dit besluit niet eens en betoogt dat de minister ten onrechte niet is overgegaan tot aanwijzing van de schietsportdisciplines in kwestie.
Wettelijk kader
5. Het wettelijk kader bestaat uit de Wwm, het Besluit wapens en munitie, de Regeling wapens en munitie en de circulaire. De belangrijkste toepasselijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage, die bij deze uitspraak is gevoegd.
Inhoudelijk oordeel
6. Om een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie [2] te verkrijgen moet er sprake zijn van een redelijk belang tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. De schietsport kan een redelijk belang opleveren. Volgens onderdeel B/2.1. van de circulaire – voor zover hier van belang – is dit alleen het geval als er geen gevaar is voor de openbare orde en veiligheid en de schietsport op een veilige en gecontroleerde wijze wordt beoefend en het gaat om het (in wedstrijdverband) beoefenen van een door de minister in bijlage C8 aangewezen tak van schietsport (schietsportdisciplines) in het verband van een schietvereniging.
6.1.
De minister heeft in bijlage C8 van de circulaire neergelegd welke schietsportdisciplines zijn toegestaan en aan welke technische eisen (bijvoorbeeld het maximale kaliber) de wapens in die discipline moeten voldoen.
6.2.
In onderdeel B/2.6. van de circulaire is opgenomen dat de schietsportdisciplines die niet zijn opgenomen in de bijlage C8 van de circulaire, geen redelijk belang opleveren voor het voorhanden hebben van vuurwapens. In onderdeel B/2.6. wordt ook verwezen naar de mogelijkheid voor het aanmelden van nieuwe schietsportdisciplines. Eiseres heeft dit gedaan en de minister gevraagd om verschillende langeafstandsschietsportdisciplines in bijlage C8 te laten opnemen.
6.3.
Om te kunnen beoordelen of de door eiseres gevraagde verschillende schietsportdisciplines ‘Long Range’ erkend kunnen worden, heeft de minister advies gevraagd bij de werkgroep Wwm en eiseres vragen gesteld, die onder meer zien op de betreffende schietsport, wapen specifieke zaken en over wat eiseres (als aanvrager) precies wil.
6.4.
Uit het advies van de werkgroep Wwm van 18 januari 2022 maakt de rechtbank op dat zeer terughoudend wordt omgegaan met het erkennen van een schietsportdiscipline, omdat dit kan leiden tot een stijging in vraag en aanbod in vuurwapens en munitie die voor deze schietsport gebruikt kunnen gaan worden. De minister maakt bij het erkennen van een nieuwe schietsport een afweging of deze schietsport en de daarbij te gebruiken vuurwapens in balans zijn met en in verhouding staan tot de veiligheidsbelangen in de maatschappij. In dit kader wordt onder meer rekening gehouden met de gevaarzetting van het wapen zelf (bijvoorbeeld bepaalde kalibergrootte en/of kalibersoorten). Ook wordt een vergelijk gemaakt met de al erkende schietsportdisciplines, in die zin dat wordt gekeken of de beperkingen in die disciplines van dien aard zijn dat het individuele belang van de aanvrager moet prevaleren boven het doel van de wet om een strikt beleid toe te passen op het gebied van wapens en munitie.
6.5.
Bij voornoemde afweging die wordt gemaakt bij de erkenning van schietsportdisciplines beschikt de minister over beoordelingsruimte. Deze ruimte houdt feitelijk in dat hij kan bepalen in welke gevallen een uitzondering op het wapenverbod gerechtvaardigd is, en wanneer er dus sprake is van een redelijk belang tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. Gelet op de beoordelingsruimte die de minister heeft, toetst de rechtbank het bestreden besluit dan ook terughoudend.
6.6.
De minister heeft (kort gezegd) het verzoek van eiseres om de erkenning van de verschillende schietsportdisciplines ‘Long Range’ afgewezen, omdat (i) deze schietsportdisciplines feitelijk niet binnen Nederland kunnen worden beoefend, (ii) de beoogde kalibers te ruim zijn voor het schietsportbeleid binnen Nederland met betrekking tot grootte en reikwijdte en (iii) de door eiseres aangeleverde reglementen voor de schietsportdisciplines te ruim zijn voor wat betreft de te hanteren regels.
6.7.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat de door eiseres verzochte langeafstandsschietsportdisciplines niet door de minister hoeven te worden erkend. De beroepsgronden die eiseres in dat kader naar voren heeft gebracht, slagen namelijk niet. De rechtbank zal dat hierna per beroepsgrond nader toelichten.
Schiet en wedstrijdregels
7. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de schiet- en wedstrijdregels van de verzochte schietsportdisciplines voldoende gespecificeerd en concreet zijn. Volgens eiseres zijn er voor wat betreft de afstanden voor schieten en het aantal schoten en stages voldoende duidelijke regels; deze zijn internationaal uniform geregeld. Eiseres heeft in dat kader de schiet- en wedstrijdregels overgelegd uit onder meer de Verenigde Staten (van de National Rifle Association, de NRA) van de schietsportdiscipline King Of 1 Mile (KO1M), King Of 2 Miles (KO2M) en de schietsportdiscipline Precision Rifle Series (PRS); voor wat betreft PRS in Europa heeft eiseres verwezen naar een link van een website. Ook heeft eiseres in het beroepschrift de regels over langeafstandsschieten van de Franse schietbond opgenomen.
7.1.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat de schiet- en sportregels van de verzochte schietsportdisciplines door eiseres onvoldoende zijn gespecificeerd. Uit de door eiseres verschafte informatie van de NRA, de Franse schietbond en de discipline PRS blijkt dat de wijze waarop de schietsport op lange afstand wordt beoefend, verschilt per land en – anders dan eiseres stelt – deze reglementen dus niet uniform zijn. Zo zijn de afstanden waarop geschoten wordt verschillend. In de Amerikaanse reglementen wordt gesproken van een doelbereik van 1.500 meter tot en met 2.600 meter op de eerste en tweede dag van een wedstrijd en op de derde dag varieert het doelbereik tussen de 2.600 meter en 3.600 meter. Bij de Franse reglementen is de wedstrijdafstand tussen 731,5 meter tot 1.828,9 meter in de voorrondes, terwijl in de finale het doelbereik 1.463 meter tot 2.286 meter is. De minister heeft terecht gesteld dat er sprake is van honderden meters verschil tussen deze twee reglementen; de afstanden in deze reglementen zijn te breed om te kunnen worden aangemerkt als duidelijke, concrete afstandsnormen. Dit geldt evenzeer voor de afstanden die worden toegepast bij de schietsportdiscipline PRS.
Daarnaast maakt de rechtbank uit de voorhanden zijnde gedingstukken en de toelichting op de zitting op dat eiseres niet de schietsport wil beoefenen in Nederland, zoals omschreven in voornoemde reglementen, omdat dit in Nederland niet mogelijk is. In Nederland zijn geen schietbanen beschikbaar voor de schietsport, die langer zijn dan 300 meter. Eiseres is dan ook voornemens om de langeafstandsschietsportdisciplines te simuleren op een schietbaan van bijvoorbeeld 100 meter. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de overgelegde reglementen in werkelijkheid geen toepassing vinden binnen de Nederlandse schietsportdisciplines en dus ook op deze grond niet kan worden gesproken van voldoende concrete reglementen. De rechtbank merkt verder nog op dat ook voor wat betreft de hoeveelheid schoten en stages de reglementen van elkaar verschillen en onvoldoende zijn geconcretiseerd. Eiseres heeft op zitting onder meer aangevoerd dat het langeafstandsschieten afhankelijk is van de schietbaan en de omgeving. Dit laat onverlet dat eiseres zelf een duidelijk en concreet schietreglement moet opstellen voor de langeafstandsschietdisciplines die zij voor ogen heeft. Eiseres heeft op zitting uiteengezet hoe zij het langeafstandsschieten binnen haar vereniging wil invullen, maar dat valt in haar aanvraag, die de minister heeft moeten beoordelen, nergens uit af te leiden. De beroepsgrond van eiseres treft – gezien het voorgaande – geen doel.
De grootte van de kalibers en het gelijkheidsbeginsel
8. Eiseres heeft verder in beroep betoogd dat het erkenningsverzoek ten onrechte door de minister is afgewezen vanwege de beoogde kalibers (groter dan 8 mm) voor de verzochte schietsportdisciplines in kwestie. Eiseres meent dat hiermee de minister het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Eiseres wijst met name naar eerder erkende schietsportdisciplines door de KNSA waarbij wel met grotere kalibers wordt geschoten dan 8 mm, voordat het huidige beleid van de minister was geïntroduceerd om een restrictief wapenbeleid te voeren. Verder wijst eiseres nog naar het feit dat de minister op 31 januari 2023 de schietsportdiscipline ‘Lever Action Geweer’ heeft erkend, die grotere kalibers hanteert dan 8 mm.
8.1.
Zoals hiervoor al is overwogen, is in bijlage C8 van de circulaire een overzicht opgenomen van schietsportdisciplines die een redelijk belang kunnen leveren voor het verkrijgen van een wapenverlof en welke eigenschappen de wapens hebben om in redelijkheid noodzakelijk te zijn voor de beoefening van deze schietsportdisciplines. De schietsportdisciplines die in bijlage C8 van de circulaire zijn opgenomen werden voorheen door de KNSA aangewezen; de minister heeft dit overgenomen van de KNSA en is nu verantwoordelijk voor het reglementeren en erkennen van schietsportdisciplines naar aanleiding van rechtspraak over de verantwoordelijkheid hiervoor uit 2015 [3] .
9. Eiseres heeft betoogd dat voor langeafstandsschietsportdisciplines een wapen nodig is met een kaliber groter dan 8 mm om de afstand te overbruggen en om resultaat te behalen. De minister past echter het strikte beleid toe om nieuwe schietsportdisciplines te weigeren als er met grotere kalibers dan 8 mm wordt geschoten. In de bijlage C8 van de circulaire zijn echter schietsportdisciplines aangewezen waarbij wel hogere kalibers worden toegelaten. Dit zijn schietsportdisciplines die al waren erkend door de KNSA en die werden beoefend voordat het huidige restrictieve beleid van de minister werd ingevoerd. Het feit dat de KNSA destijds schietdisciplines heeft erkend en heeft toegestaan met kalibers die groter zijn dan 8 mm, maakt niet dat de minister dat nu ook moet toestaan. Op basis van voortschrijdend inzicht mag de minister bij nieuwe aanvragen restrictiever optreden dan voorheen. Een dergelijke beleidswijziging, waarbij striktere regels worden toegepast en erkenning van schietsportdisciplines wordt afgewezen vanwege het overschrijden van de 8 mm-kalibernorm, levert dan ook, zoals de minister terecht heeft gesteld, geen schending van het gelijkheidsbeginsel op. De minister mag een strikter beleid hanteren en daarmee is niet gezegd dat hij met twee maten meet. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.
9.1.
De rechtbank merkt in dit verband nog op dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat erkenning van de schietsportdisciplines in kwestie, met een groter kaliber dan 8 mm, zal leiden tot het verkrijgen van wapenverloven voor een brede reikwijdte van wapens en kalibers en zodoende dus een nieuwe weg wordt opengesteld voor zwaardere wapens op grond van de Wwm. Dit wordt niet wenselijk geacht, gelet op het doel van de wetgever om de openbare orde en veiligheid te waarborgen door het bezit, gebruik en handel in wapens en munitie streng te reguleren en te beheersen en het restrictieve beleid dat door de minister wordt gevoerd.
9.2.
Voor wat betreft de recente erkenning van de schietsportdiscipline ‘Lever Action Geweer’, overweegt de rechtbank dat de minister voldoende heeft aangetoond dat deze schietsportdiscipline onder een andere wapengroep valt dan de door eiseres verzochte langeafstandsschietsportdisciplines. Daarnaast is het zo dat weliswaar geschoten mag worden met een kalibergrootte van meer dan 8 mm, maar is op grond van normerende regulering vanuit de KNSA en koepelorganisaties in het kader van de veiligheid de schietafstand beperkt tot 25 tot 50 meter. Dat is naar het oordeel van de rechtbank heel wat anders dan schieten met grote kalibers op een afstand van bijvoorbeeld 1 of 2 kilometer. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is geen sprake. De beroepsgrond van eiseres treft geen doel.
9.3.
Voor zover eiseres op zitting heeft betoogd dat er schietsportdisciplines zijn opgenomen in bijlage C8 van de circulaire, waarbij (zware) wapens worden gebruikt van militaire oorsprong of de schietdiscipline zelf een militaire achtergrond heeft, overweegt de rechtbank dat namens de minister is verklaard dat dit ook schietsportdisciplines zijn die destijds zijn erkend door de KNSA. Volgens de minister worden deze schietsportdisciplines, die nu niet meer passen binnen zijn strikte beleid, bij de volgende herziening van de Wwm meegenomen.
10. Eiseres heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het gelijkheidsbeginsel ook is geschonden, omdat er andere regels gelden voor de jacht. Daar wordt volgens eiseres wel toegestaan dat met grotere kalibers kan worden geschoten en levert buitenlandse beoefening van de jacht wel een redelijk belang op.
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat een vergelijking met de jacht niet opgaat. De jacht is een andere discipline dan de schietsport. Bovendien kan de jacht in het buitenland – in tegenstelling tot de schietsport – een redelijk belang opleveren, omdat het beoefenen van de jacht binnen de Europese Unie gezien moet worden als het verrichten van een dienst, wat valt onder de vrijheid van dienstenverkeer [4] en de Dienstenrichtlijn [5] . Het beoefenen van een schietsport kan niet worden gezien als een dienst. De rechtbank verwijst in dit verband naar onderdeel B/5.9. van de circulaire.
10.2.
Dat in de jacht geschoten wordt met een groter kaliber heeft te maken met het feit dat geschoten wordt op een levend doel en niet op een statisch doel (een object), zoals bij de schietsport. In het kader van dierenwelzijn kan het noodzakelijk zijn om met een groter kaliber te schieten, zodat een dier niet onnodig hoeft te lijden.
10.3.
Gezien het voorgaande is het gerechtvaardigd dat voor de jacht een andere maatstaf geldt dan voor de schietsport, waardoor er geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.
Vereiste van redelijk belang en strijd met de vuurwapenrichtlijn
11. Eiseres heeft aangevoerd dat de schietsportdisciplines ‘Long Range’ voldoen aan het vereiste van een redelijk belang, zoals bedoeld in B/2.1. van de circulaire, waardoor deze disciplines erkend hadden moeten worden. Volgens eiseres worden deze schietsportdisciplines wereldwijd en in Europa beoefend. Eiseres stelt ook dat het niet erkennen van de schietsportdisciplines in kwestie in strijd is met de Vuurwapenrichtlijn [6] . Verder stelt eiseres dat bij de International Practical Shooting Confederation (de IPSC) Rifle disciplines geen (maximum) kalibers zijn vastgesteld. De kalibergrootte is volgens eiseres dus niet meer van belang voor het vaststellen van een schietsportdiscipline en bij het vaststellen van het redelijk belang. Het feit dat er geen 1.500 meter schietbanen zijn in Nederland is volgens eiseres niet van belang, omdat zij ook wedstrijden kan organiseren in Nederlands verenigingsverband in het buitenland of een langere afstand kan simuleren op een schietbaan in Nederland.
11.1.
Het betoog van eiseres dat het niet erkennen van de langeafstandsschietsportdisciplines in strijd is met de Vuurwapenrichtlijn volgt de rechtbank niet. De rechtbank wijst in dit verband naar artikel 3 van de Vuurwapenrichtlijn, waarin is bepaald dat lidstaten in hun wetgeving strengere voorschriften kunnen opnemen dan die welke in de richtlijn zijn vastgesteld, onder voorbehoud van rechten die krachtens artikel 17, tweede lid aan de ingezetenen van de lidstaten wordt toegekend. Dit laatste artikel ziet op het voorhanden hebben van een vuurwapen bij een reis door twee of meer lidstaten. De aanvraag van eiseres gaat daar niet over. Gelet op het voorgaande mag de minister dus strengere voorschriften hanteren dan de bepalingen in de Vuurwapenrichtlijn. De rechtbank merkt nog op dat de Vuurwapenrichtlijn over het harmoniseren van de regels voor de verwerving, het bezit en de overdracht van vuurwapens voor sport en jacht binnen de Europese Unie gaat en niet is bedoeld om schietsportdisciplines te harmoniseren. Dat de minister in strijd heeft gehandeld met de Vuurwapenrichtlijn en dat deze richtlijn rechtstreekse werking heeft, is door eiseres op geen enkele manier onderbouwd.
11.2.
Dat de schietsportdisciplines wereldwijd en in Europa worden beoefend in verenigings- en wedstrijdverband speelt geen rol bij de beoordeling of sprake is van een redelijk belang, zoals bedoeld in B/2.1. en B/2.6 van de circulaire en daarmee ook niet voor de beantwoording van de vraag of de door eiseres verzochte schietsportdisciplines erkend moeten worden.
11.3.
Hetzelfde geldt voor de stelling van eiseres dat maximum kalibers en kalibergrootte niet relevant zijn bij het vaststellen van een schietsportdiscipline. De minister heeft terecht gesteld dat kalibers bij de erkenning van een schietsportdiscipline wel degelijk ter zake doen. De minister heeft in dit verband op goede gronden gewezen naar de in 2013 afgeschafte schietsportdiscipline Gebruiksgeweer onder meer vanwege een gebrek aan feitelijke en formele kaliberbeperkingen. De verwijzing van eiseres naar IPSC Rifle discipline (waarbij geen maximum kalibers zijn vastgesteld) gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. De minister heeft zich ook hier terecht op het standpunt kunnen stellen dat dit een schietsportdiscipline is die nog door de KNSA is erkend. Daarnaast gelden voor deze schietsportdiscipline feitelijke kaliberbeperkingen vanuit normerende regulering door de KNSA en andere koepelorganisaties. Door eiseres is dit niet, althans onvoldoende, weersproken.
11.4.
Met de minister is de rechtbank van oordeel dat er niet is voldaan aan het vereiste van een redelijk belang, zoals eiseres stelt. Voor erkenning van een schietsportdiscipline moet volgens de minister sprake zijn van een gangbare schietsportdiscipline die in Nederland in verenigings- en wedstrijdverband kan worden beoefend. De minister stelt zich daarbij op het standpunt dat het beoefenen van een schietsportdiscipline binnen een buitenlandse vereniging, of uitsluitend buiten Nederland, geen redelijk belang vormt, onder andere omdat dit moeilijk te controleren is door de politie. De rechtbank kan de minister in zijn standpunt volgen, gelet ook op het restrictief beleid [7] dat de minister toepast. In het geval van eiseres zijn de schietsportdisciplines niet in wedstrijdverband te beoefenen in Nederland, omdat er geen schietbanen voor de schietsport voor die afstand beschikbaar zijn. Alleen al om die reden heeft de minister de erkenning van de schietsportdisciplines ‘Long Range’ mogen weigeren.
11.5.
Voor zover eiser stelt dat schietsportdisciplines ‘Long Range’ wel beoefend kunnen worden in Nederland door middel van simulatie op afstanden van 100, 300 of 500 meter, overweegt de rechtbank het volgende.
11.6.
De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank op dit punt het advies van de werkgroep Wwm van 16 februari 2023 kunnen volgen, waarin staat dat oefenen op een baan van 100 tot 300 meter niet bijdraagt aan de vaardigheden die nodig zijn voor schieten op 1 of 2 kilometer. Dit komt doordat de vaardigheden voor schieten op korte afstand niet zomaar zijn op te schalen naar de veel grotere afstanden waarop eiseres wil schieten. Op zulke grote afstanden spelen factoren als kromming van de aarde, windsnelheid en weersomstandigheden een aanzienlijke rol. Deze omstandigheden kunnen niet op een kortere afstand worden gesimuleerd. Eiseres heeft het standpunt van de minister onvoldoende ontkracht.
Overige gronden
12. Het betoog van eiseres op zitting waarin zij zich afvraagt wie in de werkgroep Wwm zitting neemt en zij de deskundigheid van de leden in twijfel trekt, slaagt ook niet. De rechtbank wijst naar artikel 2 van het Besluit Werkgroep Advies Wet wapens en munitie waarin de leden van deze werkgroep staan vermeld. Voor zover de deskundigheid van de leden van de werkgroep in twijfel wordt getrokken, heeft eiseres dit niet onderbouwd.
13. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de gebruikte wapens voor de verzochte schietsportdisciplines niet vallen onder de lijst van ongewenste wapens, zoals bedoeld in B/2.7.2. van de circulaire, of verboden zijn in de Wwm. Eiseres is van mening dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.
13.1.
De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat de soorten wapens die eiseres wil gebruiken voor de schietsportdisciplines in kwestie niet van doorslaggevend belang waren bij het nemen van het bestreden besluit. Relevant was vooral dat eiseres schietsportdisciplines wil beoefenen waarvoor een ruimere kalibergrootte nodig is dan volgens het huidige beleid van de minister wenselijk wordt geacht (te weten maximaal 8 mm). De afweging is dus mede gemaakt binnen het restrictieve beleid van de minister dat erop is gericht de wapenomloop binnen Nederland te beperken. Van een onvoldoende motivering van het bestreden besluit op dit punt is geen sprake.

Conclusie en gevolgen

14. Gezien het voorgaande heeft de minister de aanvraag van eiseres mogen afwijzen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht van eiseres en de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.D. Kock, voorzitter, en mr. M.E.J. Sprakel en mr. E.M.J. Hardy, leden, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025
griffier
de voorzitter is buiten staat om deze uitspraak
te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 18 december 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: wettelijk kader

Wet wapens en munitie(Wwm)
Artikel 28
1. Verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie wordt, uitsluitend voor wapens en munitie behorend tot categorie III, verleend door de korpschef.
2. Een verlof wordt verleend indien:
a. een redelijk belang de verlening van het verlof vordert;
b. de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen;
c. de aanvrager tenminste de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, behoudens afwijking voor leden van een schietvereniging.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen sprake is van een redelijk belang, als bedoeld in onderdeel a.
Besluit wapens en munitie
Artikel 7
1. Voor een verlof op grond van artikel 28 van de wet waarvoor op grond van artikel 4 van dit besluit een verplicht lidmaatschap van een erkende vereniging geldt, heeft de aanvrager slechts een redelijk belang in de zin van artikel 28 van de wet als hij aantoont dat hij in de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag minimaal 18 schietbeurten heeft verricht bij een erkende vereniging met een wapen dat voldoet aan de specificaties die vereist zijn voor een erkende of gereglementeerde schietsportdiscipline als bedoeld in artikel 6b, tweede lid, onderdeel b, van de wet.
(…)
4. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid heeft een aanvrager van een verlof voor een magazijn voor een vuurwapen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Richtlijn, slechts een redelijk belang als dit magazijn wordt gebruikt bij een door Onze Minister bij regeling aangewezen schietsportdiscipline.
Regeling wapens en munitie
Artikel 43a
1. Als erkende schietsportdisciplines in de zin van artikel 7, vierde lid, van het Besluit wapens en munitie worden aanwezen:
a. Statische disciplines Groot Kaliber Pistool
1° Militair Pistool
2° Service Pistool
3° Action Shooting
4° Meesterkaart Zwaar
b. Statische disciplines Groot Kaliber Geweer
1° Militair geweer
2° Veteranengeweer
2
°Precisiegeweer
2
°.30 M1
c. Dynamische / Parcours-disciplines Pistool
1° IPSC Handgun Open
2° IPSC Handgun Standard
3° IPSC Handgun Classic
4° IPSC Handgun Production
5° IPSC Handgun Revolver
6° Dynamic Service Rifle Pistool
d. Dynamische / Parcours-disciplines Geweer
1° IPSC Rifle Semi Auto Open
2° IPSC Rifle Semi Auto Standard
3° IPSC Rifle Manual Action Open
4° IPSC Rifle Manual Action Standard
5° Dynamic Service Rifle Geweer Semiautomaat
6° Dynamic Service Rifle Geweer Diverse
2. Aanvragen voor erkenning van een schietsportdiscipline, als bedoeld in het eerste lid kunnen ingediend worden door een koepelvereniging voor schietsportverenigingen
Circulaire wet wapens en munitie(circulaire)
B. Bijzonder deel
2. Schietsport
2.1.
Algemeen
(…)
Wettelijk kader schietsport
In dit hoofdstuk wordt onder meer uiteengezet binnen welke kaders een schietvereniging of een individu een verlof kan krijgen ten einde de schietsport te kunnen beoefenen. In artikel 28, tweede lid, van de WMM is bepaald dat een verlof wordt verleend indien:
a. een redelijk belang de verlening van het verlof vordert;
b. de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen;
c. de aanvrager tenminste de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, behoudens de afwijking voor leden van een schietvereniging.
In artikel 7 WMM staan de algemene gronden genoemd die leiden tot afwijzing van de verlofaanvraag. Dit is het geval wanneer:
a. de aanvrager niet de door Onze Minister bij regeling vastgestelde gegevens en bescheiden heeft overgelegd;
b. er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd;
c. er reden is om te vrezen dat daarvan dan wel van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt;
of
d. wanneer daartoe dringende, aan het algemeen belang ontleende, redenen bestaan.
In artikel 26, vierde lid, van de WWM is opgenomen dat Onze Minister ten aanzien van de personen die houder zijn van een verlof als bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de WWM regels kan vaststellen met betrekking tot:
a. de medische geschiktheid en vaardigheid in het omgaan met wapens;
b. de vereiste kennis op het terrein van wapens; en
c. het aantal wapens dat zij ten hoogste voorhanden mogen hebben.
Deze regels zijn, zover voor de schietsport van belang, in artikel 43 en 43a van de RWM uitgewerkt. Wanneer een schietvereniging of een individueel persoon een verlofaanvraag doet in het kader van het beoefenen van de schietsport, is bovenstaande wettelijke kader van belang. Binnen dit kader wordt afgewogen of iemand in aanmerking komt voor een verlof. Hieronder wordt uiteengezet hoe aan dit kader in de praktijk invulling dient te worden gegeven.
Geen gevaar voor zichzelf, openbare orde en veiligheid
Gelet op de grote gevaarzetting van vuurwapens is er een noodzaak het voorhanden daarvan streng te reguleren. Daarom kan er alleen sprake zijn van het legaal beoefenen van de schietsport, wanneer iemand dit in Nederland op een veilige en gecontroleerde wijze doet. Hiervoor moet sprake zijn van een zogenoemd redelijk belang om wapens en munitie voorhanden te hebben. Dit is verder uitgewerkt onder het kopje redelijk belang en onder het kopje erkende en gereglementeerde takken van schietsport.
Daarnaast mag er tegen de aanvrager van een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie geen vrees voor misbruik bestaan. Dit is uitgewerkt in paragraaf B/1.2. In het geval de aanvrager een schietvereniging is mag er behalve jegens de vereniging, ook jegens de bestuurders van die vereniging en jegens de beheerders geen vrees voor misbruik bestaan. Van een wapenverlofhouder en een schietvereniging wordt verwacht dat hij op de hoogte is van de geldende (wapen)wettelijke regels en deze stipt volgt.
De wapens waarmee en de schietbaan of schietterrein waarop geschoten wordt, moeten geschikt zijn om op een veilige wijze de schietsport te beoefenen. Ook het systeem van de opbouw in wapentypes (zie onder 2.2.2, 2.2.3, 2.2.5 en 2.4.6) is een uitwerking van het wettelijk criterium dat de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, openbare orde en veiligheid mag vormen: voorkomen moet worden dat de relatief ongeoefende schutter de beschikking krijgt over ‘zwaardere’ vuurwapens.
Bepaalde wapens zijn voor iedere discipline te gevaarlijk om te schieten. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf B2.7.
De wapens moeten zowel door een schutter met een privé verlof als een schietvereniging op een veilige wijze worden opgeborgen. Dit is nader uitgewerkt in hoofdstuk B 8.
Het belang van de openbare orde en veiligheid van artikel 28, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wwm vereist een adequaat overheidstoezicht op de wijze waarop verlofhouders met wapens omgaan. Het lidmaatschap van een vereniging is een passend en proportioneel middel om concreet gestalte te geven aan dit toezicht. Aan schietsportverenigingen worden derhalve eisen gesteld om te waarborgen dat er toezicht wordt gehouden op de wijze waarop individuele leden met hun wapens omgaan. Een schietsport vereniging respectievelijk een vereniging waar traditioneel schieten wordt beoefend moet om die reden door de KNSA respectievelijk de KNTS zijn gecertificeerd. Deze certificering draagt er toe bij dat het schieten op een veilige en gecontroleerde wijze wordt beoefend en een sportschutter c.q. traditioneel schutter geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde en veiligheid kan vormen. De certificering wordt hierna nog nader toegelicht. Schieten buiten een door de KNSA of KNTS gecertificeerde schietvereniging is in het kader van de openbare orde en veiligheid ongewenst. Er zijn drie mogelijkheden voor een vereniging om gecertificeerd te worden. In de eerste plaats kan een vereniging lid zijn van de KNSA. In dat geval bestaat de mogelijkheid om binnen het KNSA-verband een vorm van de daar geldende certificering te verkrijgen. Binnen de KNSA zijn 2 certificaten mogelijk: de zogenoemde basiscertificering die voldoet aan de certificering die is voorgeschreven door de Minister, en de certificering met één kroon voor verenigingen die voldoen aan aanvullende kwaliteitseisen die door de KNSA zelf zijn gesteld. Een tweede mogelijkheid is dat een vereniging waar traditioneel wordt geschoten, lid kan worden van de KNTS en daar gecertificeerd wordt. Als laatste kan een vereniging op haar verzoek gecertificeerd worden door de KNSA zonder lid te zijn van de KNSA. Het staat de KNSA en de KNTS vrij om andere (extra) voorwaarden te verbinden aan de certificering voor de bij hun aangesloten verenigingen, dan de voorwaarden die betrekking hebben op de veiligheid en openbare orde die met de Minister zijn overeengekomen en vastgelegd in een gezamenlijk convenant. Het voldoen aan deze extra voorwaarden geschiedt op vrijwillige basis. Deze aanvullende voorwaarden kunnen daarom geen reden vormen om een basiscertificering te weigeren.
Certificering
Krachtens artikel 28, tweede lid, Wwm jo. 43a, eerste lid, Rwm dient een ieder die de schietsport wenst te beoefenen en daartoe een wapenverlof aanvraagt, aangesloten te zijn bij een schietvereniging, die door een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen organisatie is gecertificeerd. De KNSA en de KNTS zijn als organisaties door de Minister van Justitie en Veiligheid, met inachtneming van onderstaande voorwaarden, aangewezen om schietsportverenigingen c.q. verenigingen waar de traditionele schietsport wordt beoefend te certificeren. De KNSA is aangewezen omdat deze organisatie in internationaal verband het vertegenwoordigend orgaan van de schietsport is en is aangesloten bij onder meer NOC*NSF, ISSF (International Shooting Sport Federation) en de ESC (European Shooting Confederation). De KNSA is daarmee de koepelorganisatie op het gebied van de schietsport in Nederland en heeft de afgelopen jaren samen met de Minister van Justitie en Veiligheid kaders ontwikkeld om te toetsen dat een schietvereniging de schietsport op een veilige en gecontroleerde wijze door haar leden laat beoefenen.
De KNTS is opgericht door de Noord Brabantse Federatie van Schuttersgilden en de Vereniging Brabantse Gildeschutters en vertegenwoordigt een belangrijk deel van de Gilden en daarmee van het traditioneel schieten in Nederland. De KNTS staat als koepel dicht bij de overige activiteiten die naast het schieten plaatsvinden bij de Gilden.
Redelijk belang
Om een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wwm te verkrijgen moet er sprake zijn van een redelijk belang tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. De schietsport of het traditioneel schieten kan een redelijk belang opleveren tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. Dit is alleen het geval, indien er geen gevaar is voor de openbare orde en veiligheid, de schietsport of het traditioneel schieten op een veilige en gecontroleerde wijze wordt beoefend, en het gaat om het (in wedstrijdverband) beoefenen van een door mij in bijlage C8 aangewezen tak van schietsport of het traditioneel schieten (hierna ook wel schietsportdisciplines genoemd) in het verband van een schietvereniging. Een schietsportvereniging of een vereniging aangesloten bij de KNTS dient om een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie te verkrijgen, haar leden in staat te stellen een erkende of gereglementeerde schietsportdiscipline binnen haar vereniging te beoefenen.
Zoals in onderdeel B/2.1 en B/2.4 is vermeld is het in wedstrijdverband beoefenen van een gereglementeerde schietsportdiscipline, of als betrokkene lid is van een vereniging voor traditionele schietsportdisciplines, één van de voorwaarden voor het verkrijgen van een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens ten behoeve van de (traditionele) schietsport. Daarbij is bepalend of het beoefenen van de schietsport een redelijk belang voor het voorhanden hebben van wapens als bedoeld in artikel 28 WWM oplevert. Door voor de invulling van het criterium van het redelijk belang bij het beoefenen van de schietsport aan te sluiten bij de bestaande kaders voor die sport, wordt zo veel mogelijk gewaarborgd dat daadwerkelijk sprake is van beoefening van de schietsport en wordt zoveel mogelijk de veiligheid gewaarborgd. Schietsportdisciplines zijn vastgesteld om te waarborgen dat onder meer wapens en schietterrein geschikt zijn om op veilige wijze de schietsport te beoefenen. Een vrije interpretatie van het begrip schietsport zou kunnen leiden tot een wildgroei aan schietsportdisciplines. Hierdoor zou de korpschef niet of nauwelijks meer kunnen controleren of er sprake is van een schietsportdiscipline en of de wapens en munitie geschikt zijn voor de te beoefenen discipline. Gezien het voorgaande zou het dan niet of nauwelijks te bepalen zijn of de schutter een redelijk belang heeft bij het voorhanden hebben van het door hem gewenste wapens en munitie ten behoeve van het beoefenen van de schietsport. Bovendien is dan niet goed meer vast te stellen of het beoefenen van de schietsportdiscipline een gevaar voor de openbare orde en veiligheid oplevert. Om invulling te geven aan wat ik onder een schietsportdiscipline versta, is in bijlag C8 een overzicht opgenomen van de schietsportdisciplines die naar mijn oordeel een redelijk belang op kunnen leveren voor het verkrijgen van een wapenverlof. Dit betreft schietsportdisciplines die in verenigings- en wedstrijdverband worden beoefend en waarvan ik van oordeel ben dat dit gangbare schietsportdisciplines zijn. Daarbij is ook opgenomen welke eigenschappen de wapens hebben om in redelijkheid noodzakelijk zijn voor de beoefening van deze schietsportdisciplines. Zie verder 2.6 Schietsportdisciplines.
2.4.3.
Buitenlandse schietverenigingen
Het kunnen beoefenen van de schietsport in buitenlands verenigingsverband levert voor de betrokkene weliswaar een belang op bij het voorhanden mogen hebben van vuurwapens, maar dit enkele belang is geen ‘redelijk belang’ in de zin van artikel 28 van de WWM. Gelet op de restrictieve wetgeving en het dienovereenkomstige beleid, wordt geen verlof verleend indien de aanvrager slechts de bedoeling heeft buiten Nederland de schietsport te beoefenen. De betrokkene zal zich, om in het desbetreffende land de bevoegdheid te krijgen om over een wapen te beschikken, tot de autoriteiten van dat land moeten wenden. Hij zal er voorts voor moeten zorgen dat het wapen in dat land – ten behoeve van het doel waarvoor hij het voorhanden wil houden – kan worden bewaard.
2.6.
Schietsportdisciplines
Schietsportdisciplines vormen een indeling van vormen van schietsport (binnen een wapengroep), die kunnen worden onderscheiden op grond van onder meer houding en positie, aantal schoten, soort wapen, gewicht, trekkerdruk, soort kaliber en schietafstand (takken van schietsport).
Zoals ook onder B2.1 vermeld kan alleen de beoefening van een aangewezen schietsportdiscipline in verenigingsverband naar mijn oordeel een redelijk belang opleveren in de zin van artikel 28, tweede lid, WWM. Dat betekent dat alleen een verlof kan worden verleend, als sprake is van beoefening van een aangewezen schietsportdiscipline. In bijlage C8 zijn deze schietsportdisciplines aangewezen, waarbij tevens de wapentechnische eisen zijn benoemd, die gelden voor de binnen de schietsport te gebruiken vuurwapens. Het gaat om schietsportdisciplines die een gereglementeerde tak van schietsport betreffen. Het maatschappelijk belang is ermee gediend dat niet meer wapens in de samenleving in omloop komen dan uitsluitend die, die geschikt zijn voor schietsportdoeleinden. De technische eisen die aan de wapens worden gesteld betreffen naar mijn oordeel een wezenlijke aspecten van wapens en zijn daarom eveneens opgenomen in bijlage C8. Verder gelden de door de KNSA en KNTS opgestelde reglementen voor wat betreft de sporttechnische eigenschappen van de schietsportdisciplines. De reglementering staat ook onder invloed van de internationale regels voor de schietsport van de International Shooting Sport Federation (I.S.S.F.).
Ik laat het reglementeren van de sporttechnische eigenschappen van de schietdisciplines aan deze verenigingen over, omdat het bepalen welke sporttechnische eisen gesteld worden aan een schietsportactiviteit bij uitstek een taak van de landelijke schietsportbond of de landelijke bond van traditionele schutters is.
Hierbij zij aangetekend dat er – doordat de Nederlandse sportschutter onder meer door het deelnemen aan buitenlandse schietwedstrijden kennis neemt van nieuwe wedstrijdvormen – ook in Nederland een aantal nieuwe schietsportdisciplines zijn ontstaan. Nieuwe of (nog) niet aangewezen schietsportdisciplines kunnen voor aanwijzing schriftelijk bij de Minister van Justitie en Veiligheid aangemeld worden. Alvorens een besluit te nemen laat de minister zich adviseren door de ministeriële werkgroep advies Wet wapens en munitie en KNSA dan wel KNTS. De disciplines die niet door mij zijn aangewezen als schietsportdisciplines waarvan de beoefening in verenigingsverband een redelijk belang op kan leveren voor het voorhanden hebben van vuurwapens, dienen te worden beschouwd als zijnde facultatief. Zij leveren geen redelijk belang op bij het voorhanden hebben van vuurwapens die uitsluitend voor die disciplines zijn bestemd. Het staat de verlofhouder echter vrij om deze schietsportdisciplines te beoefenen met de vuurwapens die hij ten behoeve van het beoefenen van andere, wel aangewezen, schietsportdisciplines reeds bevoegd voorhanden heeft. Voor de verlofhouders die een KNTS-licentie hebben is alleen het beoefenen van de traditionele schietsportdisciplines toegestaan, aangewezen in bijlage C8.
2.7.2.
Ongewenste wapens
Wapens die voldoen aan onderstaande criteria zijn ongewenst ten behoeve van de schietsport. Een verlofaanvraag voor een dergelijk wapen dient dan ook te worden afgewezen tenzij op de aanvraag de overgangsregeling (zie onderdeel B 2.8.1.) van toepassing is.
1) Vuurwapens die door de fabriek zijn vervaardigd om volautomatisch [8] mee te schieten maar waarin een duurzame blokkering is aangebracht of waarvan onderdelen duurzaam zijn aangepast zodat volautomatisch schieten onmogelijk is, tenzij dit is geschied voor 1 augustus 2005. Dit kan worden aangetoond door midddel van:
a. a) Een door een erkenninghouder afgegeven en ondertekende verklaring waarin vermeld wordt dat de blokkering voor 1 augustus 2005 is aangebracht en dat de blokkering voldoet aan de eisen zoals opgenomen in bijlage C2 bij deze circulaire; of
b) Een kopie van een verlof ten behoeve van de schietsport waaruit blijkt dat het wapen voor 1 augustus 2005 op een verlof was bijgeschreven; of
c) Een verklaring van de korpschef van een politieregio waaruit blijkt dat het wapen voor 1 augustus 2005 op een verlof was bijgeschreven.
2) Schoudervuurwapens met een totale lengte van 60 cm (23,6 inch) of minderof een looplengte [9] van 30 cm (11,8 inch) of minder;
3) Schoudervuurwapens zonder schoudersteun;
4) Semi-automatische- en repeterende (pomp mechanisme, hendel- en grendelrepeteer) hagelgeweren [10] ;
5) Vuurwapens voorzien van een geïntegreerde geluiddemper, met uitzondering van schutterijbuksen die specifiek gemaakt zijn voor gebruik bij de door regionale schutterijen en schuttersgilden georganiseerde historische geweerwedstrijden;
6) Meerloops pistolen;
7) Vuistvuurwapens in het kaliber 6.35 (.25 ACP) of met een looplengte van 2,5 inch (6,35 cm) of minder;
8) Vuurwapens welke uitsluitend waren toegestaan in de door de KNSA gereglementeerde discipline Gebruiksgeweer.
5.9.
Jagen/beheer en bestrijding van schade
(...)
Jagen in het buitenland
De houder van een geldige jachtakte mag zijn geweren tevens gebruiken voor het uitoefenen van de jacht in het buitenland [11] . Gelet op het belang van het beheersen van het legale bezit van wapens en de onmogelijkheid van de politie om de jacht in het buitenland te controleren, levert de uitoefening van de jacht in het buitenland in principe geen redelijk belang op voor de verlening van een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens. In het licht van de Europese eenwording heeft de Minister van Justitie en Veiligheid – na afstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit – besloten om de jacht binnen de Europese Unie wél aan te merken als een redelijk belang voor de verlening van een verlof.
Voor de verlening van een verlof ten behoeve van de jacht elders in de Europese Unie dient de aanvrager te voldoen aan de volgende voorwaarden:
a. de leeftijd van de aanvrager is tenminste 18 jaar;
b. ten aanzien van de aanvrager mag geen ‘vrees voor misbruik’ bestaan (zie B 1.);
c. de aanvrager dient met gunstig gevolg een erkend jachtexamen te hebben afgelegd zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming;
d. de aanvrager dient aan te tonen dat hij elders in de Europese Unie gerechtigd is om, met het wapen waarvoor hij een verlof aanvraagt, te jagen. De aanvrager kan dit aantonen door het overleggen van een geldige jachtakte van één van de lidstaten van de Europese Unie;
e. door de verlening van het verlof c.q. bijschrijving op de jachtakte wordt het maximum aantal wapens zoals genoemd in artikel 43 van de RWM niet overschreden. Door het uitoefenen van de jacht in het buitenland kan niet worden aangetoond dat het ‘onontbeerlijk’ [12] is om van dit maximum af te wijken.
Indien de aanvrager reeds in het bezit is van een geldige Nederlandse jachtakte dan dient het wapen te worden bijgeschreven op de jachtakte. Indien de aanvrager niet beschikt over een geldige Nederlandse jachtakte dan kan het wapen worden bijgeschreven op een verlof tot het voorhanden hebben.
(…)

Voetnoten

1.Zie artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Zoals bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (Wwm).
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1455.
4.Dit is geregeld in artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
5.Richtlijn 2006/123/EG van het Europese Parlement en de Raad van 12 december 2006.
6.Richtlijn (EU) 2021/555 van het Europees Parlement en de Raad van 24 maart 2021.
7.Zie in dit kader B/2.4.3 van de circulaire.
8.Vuurwapens die op volautomatische wapens lijken maar die in een speciaal voor de civiele markt (schietsport) ontwikkelde (slechts) semi-automatisch vurende variant worden vervaardigd vallen niet onder deze beperking.
9.De looplengte wordt bij pistolen en geweren gemeten inclusief de kamer en exclusief eventuele toevoegingen zoals vlamdempers, tenzij deze permanent, door lassen, hardsolderen of nagelen, aan de loop bevestigd zijn. Bij revolvers wordt de lengte van de cilinder niet meegerekend.
10.Onder een hagelgeweer dient te worden verstaan elk achterlaadgeweer in een hagelkaliber (12, 16, 20 etc.), niet zijnde een schutterijbuks.
11.Zie ook artikel 39 van de Regeling wapens en munitie voor de vrijstelling met betrekking tot het tijdelijk doen uitgaan of binnenkomen, alsmede vervoeren van jachtgeweren ter beoefening van de jacht.
12.Zoals bedoeld in artikel 43, derde lid, van de Regeling wapens en munitie.