ECLI:NL:RBLIM:2025:12692

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
11908304 \ CV EXPL 25-3953
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurrecht en incasso van servicekosten met bewijsvoering via e-mailsysteem

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Limburg op 17 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen Stichting Weller Wonen en een gedaagde huurder. De eiser, Weller Wonen, vorderde betaling van een openstaand bedrag van € 971,80, dat bestond uit huurachterstand en servicekosten. De gedaagde had eerder een bedrag van € 822,51 betaald, maar betwistte de bijkomende kosten en stelde dat hij niet op de hoogte was van de openstaande bedragen omdat hij de afrekening en sommaties nooit had ontvangen.

De kantonrechter heeft vastgesteld dat Weller Wonen voldoende bewijs heeft geleverd dat de gedaagde wel degelijk op de hoogte was van de openstaande bedragen, onder andere door middel van e-mailcommunicatie. De rechter oordeelde dat de gedaagde niet kon volstaan met een blote betwisting van de ontvangst van de e-mails, aangezien hij zelf gebruik had gemaakt van hetzelfde e-mailadres. De kantonrechter heeft de vordering van Weller Wonen voor het openstaande bedrag van € 822,51 toegewezen, maar heeft de vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente afgewezen, omdat de bedingen in de algemene voorwaarden als oneerlijk werden aangemerkt.

De gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten van € 756,14, die Weller Wonen had gemaakt voor de procedure. De rechter verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wees het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis benadrukt het belang van duidelijke communicatie en bewijsvoering in huurgeschillen, vooral wanneer het gaat om betalingsverplichtingen en de gevolgen van niet-betaling.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11908304 \ CV EXPL 25-3953
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
STICHTING WELLER WONEN,
te Heerlen,
eisende partij,
hierna te noemen: Weller Wonen,
gemachtigde: Agin Otten Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de stukken van Weller Wonen ten behoeve van de mondelinge behandeling, ingekomen 6 november 2025
- de e-mail van [gedaagde] van 25 november 2025
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 november 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft woonruimte gehuurd van Weller Wonen aan de [adres] te [plaats] . Op de huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard. De huurovereenkomst is beëindigd. [gedaagde] had op dat moment nog een bedrag van € 158,00 open staan aan huur over april 2024 en een bedrag van € 35,68 aan huur over mei. Op 27 juni 2025 heeft Weller Wonen aan [gedaagde] een afrekening Stook- en Servicekosten over 2024 gestuurd. Daaruit volgde dat [gedaagde] nog een bedrag van € 628,83 moest betalen.
2.2.
Weller Wonen heeft sommaties aan [gedaagde] gestuurd om het openstaande bedrag van in totaal € 822,51 te betalen. Bij brief van 4 september 2025 is [gedaagde] er op gewezen dat bij niet betalingen binnen 14 dagen ook buitengerechtelijke kosten in rekening zouden worden gebracht.
2.3.
Op 25 september 2025 is de dagvaarding aan [gedaagde] betekend en aangebracht voor de rolzitting van 8 oktober 2025.
2.4.
[gedaagde] heeft op 2 oktober 2025 de hoofdsom van € 822,51 betaald.

3.Het geschil

3.1.
Weller Wonen vordert - samengevat – betaling door [gedaagde] van € 971,80.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Weller Wonen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Weller Wonen, met veroordeling van Weller Wonen in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[gedaagde] heeft niet betwist dat hij op het moment van dagvaarden nog een bedrag van € 822,51 moest betalen. Hij voert echter aan dat hij van deze schuld niet op de hoogte was, omdat hij de afrekening servicekosten en de sommaties nooit heeft ontvangen. Pas nadat hij kennis nam van de dagvaarding was hij op de hoogte van de openstaande hoofdsom en die heeft hij ook meteen betaald aan de deurwaarder. [gedaagde] vindt dat hij de bijkomende kosten daarom niet hoeft te betalen.
4.2.
Weller Wonen heeft in reactie op dit verweer aangevoerd dat [gedaagde] wel degelijk op de hoogte was van de openstaande bedragen. Zij heeft stukken overgelegd die volgens haar bewijzen dat zij op 27 juni 2025 per e-mail de afrekening Stook- en Servicekosten heeft gestuurd naar het mailadres [e-mailadres] en dat deze mail dezelfde dag om 22:10 uur is gelezen en het bijgevoegde document is geopend op 28 juni 2025 om 0:26 uur.
Dezelfde afrekening is nogmaals gemaild op 30 juni 2025 om 9:00 uur en gelezen op dezelfde dag. Ook heeft Weller Wonen per e-mail een sommatie gestuurd op 5 augustus 2025 om 14:08 uur. Die e-mail is gelezen op 9 augustus 2025 om 21:51 uur en het bijgevoegde document is geopend op 16 augustus 2025 om 12:09. De veertiendagenbrief is gemaild op 9 september 2025 en gelezen op 15 september 2025 om 23:19 uur. Namens Weller Wonen is op de mondelinge behandeling een toelichting gegeven op dit
e-mailsysteem en ook uitgelegd dat als uit het systeem blijkt dat een huurder de e-mails niet opent, dezelfde berichten alsnog per post worden verstuurd. Omdat [gedaagde] zelf bij Weller Wonen had aangegeven dat hij zijn post digitaal wilde ontvangen en blijkens het systeem de gestuurde e-mails wel had geopend, zijn de brieven niet per post gestuurd, maar alleen digitaal.
4.3.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij de afrekening en de sommaties nooit heeft ontvangen, terwijl Weller Wonen wel op de hoogte was van zijn adres. Wat betreft de overgelegde uitdraaien uit het e-mailsysteem van Weller Wonen heeft [gedaagde] aangevoerd dat die geen bewijs kunnen vormen dat hij deze brieven heeft ontvangen. Dergelijke screenshots zijn volgens hem manipuleerbaar en niet controleerbaar. Hij betwist ook dat hij enige e-mail over de eindafrekening heeft ontvangen.
4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat Weller Wonen voldoende heeft onderbouwd dat zij zowel de eindafrekening en de twee sommaties per e-mail aan [gedaagde] heeft gestuurd en dat [gedaagde] die ook heeft ontvangen. [gedaagde] heeft zelf een e-mail gestuurd naar de rechtbank en maakte daarbij gebruik van hetzelfde e-mailadres als waar deze brieven naartoe zijn gestuurd. Weller Wonen heeft verder met de uitdraaien uit haar e-mailsysteem voldoende onderbouwd dat [gedaagde] deze mails ook heeft gelezen. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] het gelet op deze omstandigheden niet bij een blote betwisting kan laten.
4.5.
Het moet er dan ook voor gehouden worden dat [gedaagde] op de hoogte was van zijn schuld en dat hij dus niet rauwelijks is gedagvaard. Op het moment dat de dagvaarding werd uitgebracht had [gedaagde] een schuld van in ieder geval € 822,51. Dat bedrag is dan ook toewijsbaar. Betalingen die [gedaagde] na de ontvangst van de dagvaarding aan Weller Wonen heeft gedaan, worden op de voet van artikel 6:44 BW in mindering gebracht. Dat wil zeggen: eerst op de kosten, vervolgens op de verschenen rente (indien van toepassing) en ten slotte op de hoofdsom en de lopende rente.
4.6.
Weller Wonen vordert ook vergoeding van wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De algemene voorwaarden bij de huurovereenkomst bevat een rentebeding en een incassokostenbeding in de artikelen 20.2 en 20.4. Dit zijn bedingen die zijn bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden gebruikt en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Omdat [gedaagde] een consument is, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of deze bedingen oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn).
4.7.
Het incassokostenbeding wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling (meer specifiek de tarieven in het Besluit) die zonder dit beding (dwingend) zou gelden. Het beding is daarom onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW en oneerlijk in de zin van de Richtlijn.
4.8.
In artikel 20.2 van de algemene voorwaarden is bepaald dat in geval de huurder in verzuim is met de betaling van een geldsom, hij een rente van 1% per maand verschuldigd is over de verschuldigde som. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bedroeg de wettelijke (consumenten)rente 2 % en de wettelijke handelsrente 8 %. De bedongen rente in de huurovereenkomst komt neer op een rente van 12 % per jaar, zelfs hoger dan de wettelijke handelsrente op het moment van het sluiten van de overeenkomst. Het rentebeding heeft alleen betrekking op overtredingen van de huurder en niet op die van de verhuurder. Voor het rentebeding wordt nergens in de overeenkomst of de algemene voorwaarden een voordeel ter compensatie van het nadeel dat dit voor huurder meebrengt geboden. Gelet hierop wordt het evenwicht tussen de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van huurder aanzienlijk verstoord. Het rentebeding is daarom oneerlijk. De kantonrechter zal dit beding vernietigen.
4.9.
Weller Wonen kan na vernietiging van deze bedingen ook geen aanspraak meer maken op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn geweest zonder de oneerlijke bedingen. Dat volgt uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. Dat betekent dat [gedaagde] geen rente en ook geen buitengerechtelijk kosten verschuldigd is.
4.10.
Omdat [gedaagde] bij het uitbrengen van de dagvaarding aan Weller Wonen een bedrag van € 822,51 verschuldigd was, [gedaagde] geacht wordt hiervan op de hoogte te zijn geweest en het toch op het een procedure heeft laten aankomen, is [gedaagde] de in het ongelijk gestelde partij. In artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bepaald dat de partij die ongelijk krijgt, in de proceskosten wordt veroordeeld. Deze proceskosten bestaan uit de deurwaarderskosten (in dit geval de kosten voor het betekenen van de dagvaarding), het door Weller Wonen betaalde griffierecht en het salaris van de gemachtigde van Weller Wonen dat volgens vaste tarieven wordt berekend. De kantonrechter mag proceskosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte.
4.11.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij vindt dat Weller Wonen de dagvaarding had moeten intrekken nadat hij de hoofdsom vóór de eerste roldag had betaald. De kantonrechter begrijpt dit verweer zo dat [gedaagde] vindt dat hij geen verdere kosten zou moeten betalen.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet heeft kunnen volstaan met het alleen betalen van de hoofdsom. Op het moment dat hij die betaalde, had Weller Wonen immers als kosten gemaakt, namelijk de kosten om de dagvaarding te laten betekenen en het salaris van de gemachtigde voor het opstellen van de dagvaarding. Die kosten heeft [gedaagde] niet voor de eerste roldatum betaald. Er kan dan ook niet volgehouden worden dat Weller Wonen geheel ten onrechte heeft besloten om de dagvaarding niet in te trekken. Weller Wonen is vervolgens ook griffierecht verschuldigd geworden en heeft ook het salaris van haar gemachtigde betaald om naar de mondelinge behandeling te komen. Ook deze kosten zijn niet nodeloos veroorzaakt. [gedaagde] zal die kosten moeten betalen.
Deze kosten worden als volgt berekend:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
340,00
- salaris gemachtigde
270,00
(2 punten × € 135,00)
Totaal
756,14
4.12.
De betaling die [gedaagde] heeft voldaan, wordt uiteraard op de totale veroordeling in mindering gebracht.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Weller Wonen te betalen een bedrag van € 822,51,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 756,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verstaat dat de betaling door [gedaagde] van € 822,51 op de voet van artikel 6:44 BW in mindering wordt gebracht,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P.A. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.