ECLI:NL:RBLIM:2025:12723

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
C/03/329394 / HA ZA 24-169
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van een geldsom in verband met de overdracht van ondernemingen

In deze zaak vordert eiser betaling van een geldsom van € 50.000,00 van gedaagde, in verband met de overdracht van zijn aandeel in twee ondernemingen. De rechtbank heeft de vordering grotendeels toegewezen. Gedaagde heeft aangevoerd dat hij contant heeft betaald, maar deze stelling is door de rechtbank verworpen. De rechtbank oordeelt dat gedaagde nog een bedrag van € 49.000,00 moet betalen, omdat hij niet heeft aangetoond dat hij aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. De rechtbank heeft vastgesteld dat de overeenkomst tussen partijen geldig is en dat gedaagde niet voldoende bewijs heeft geleverd voor zijn verweer. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de wettelijke handelsrente verschuldigd is vanaf de dag van de dagvaarding. Gedaagde is in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten betalen, die zijn begroot op € 4.068,38. Het vonnis is uitgesproken op 15 oktober 2025.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/329394 / HA ZA 24-169
Vonnis van 15 oktober 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. E.G.W. Hendriks,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R.A. Wijnands.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 juni 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben vanaf 1 januari 2021 als vennoten binnen een vennootschap onder firma een onderneming gedreven, genaamd [naam VOF] (hierna: [naam VOF] ).
2.2.
[eiser] heeft tot 1 oktober 2021 ook een eenmanszaak gedreven onder de naam [handelsnaam] . [gedaagde] was bij deze eenmanszaak in loondienst.
2.3.
Op 24 oktober 2021 heeft [eiser] zijn eenmanszaak en zijn aandeel in [naam VOF] aan [gedaagde] verkocht. Partijen hebben hun afspraken vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die door beiden is ondertekend (hierna: de overeenkomst). In de overeenkomst staat dat zij een koopprijs van € 50.000,00 zijn overeengekomen en dat dit bedrag in termijnen wordt betaald van € 1.000,00 per maand, vanaf januari 2022, behalve op de volgende data, waarop de volgende bedragen moesten worden betaald:
1-3-2022: € 10.000,00
1-1-2023: € 5.000,00
1-6-2023: € 5.000,00
1-1-2024: € 5.000,00
2.4.
Op 10 oktober 2023 heeft de advocaat van [eiser] aan [gedaagde] een brief gestuurd. Op dat moment was een bedrag van € 39.000,00 opeisbaar. [gedaagde] is in deze brief gesommeerd om dit bedrag aan [eiser] te betalen. [gedaagde] heeft niet gereageerd op deze brief.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 50.000,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] op grond van de overeenkomst € 50.000,00 aan hem moet betalen en niets heeft betaald. [eiser] wil dat [gedaagde] de overeenkomst alsnog nakomt en ook de wettelijke handelsrente over het opeisbare bedrag betaalt.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] vindt dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] voert het volgende aan. Hij heeft € 39.000,00 contant aan [eiser] betaald. Ook heeft hij een bedrag van in totaal € 1.000,00 per bank betaald. Een bedrag van
€ 10.000,00 is inderdaad niet betaald. [gedaagde] stelt dat hij dit bedrag heeft verrekend met een tegenvordering van hem op [eiser] .
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vraag die in deze procedure beantwoord moet worden is of [gedaagde] aan [eiser] het overeengekomen bedrag van € 50.000,00 moet betalen. De rechtbank komt tot het oordeel dat [gedaagde] nog een bedrag van € 49.000,00 moet betalen. Hieronder zal worden uitgelegd hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
4.2.
Partijen zijn het erover eens dat zij een overeenkomst hebben gesloten die inhield dat [gedaagde] aan [eiser] € 50.000,00 zou betalen. De vraag die partijen verdeeld houdt is of [gedaagde] dit bedrag al heeft voldaan. [gedaagde] stelt dat dat het geval is. Deze stelling is een bevrijdend verweer. Dat betekent dat de stelplicht en de bewijslast op [gedaagde] rusten. Hieronder zal worden ingegaan op wat [gedaagde] ter onderbouwing van zijn verweer heeft aangevoerd.
Contante betalingen van in totaal € 39.000,00
4.3.
[gedaagde] stelt in de eerste plaats dat hij een bedrag van € 39.000,00 contant heeft betaald. Hij zou dit hebben gedaan conform het overeengekomen betaalschema. Hij zou van [eiser] geen kwitanties hebben ontvangen. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn stelling aangevoerd dat het toch wel heel vreemd is dat [eiser] hem maandenlang niet heeft aangespoord om te betalen en pas in oktober 2023 met de brief van de advocaat hem voor het eerst in gebreke heeft gesteld. Volgens [gedaagde] blijkt hieruit dat hij wel steeds heeft betaald, maar dat [eiser] het bedrag van € 39.000,00 nogmaals van hem wil krijgen. [gedaagde] heeft ook aangevoerd dat het tijdstip waarop [eiser] op betaling ging aandringen te denken geeft. Volgens [gedaagde] is deze procedure niet meer of minder dan een wraakactie van [eiser] , omdat [naam VOF] een leaseauto heeft opgeëist die [eiser] , ook na de verkoop van zijn aandeel in [naam VOF] , is blijven rijden.
4.4.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling (waar [gedaagde] niet is verschenen) heeft [eiser] schermafbeeldingen van WhatsApp-berichten in het geding gebracht. Deze berichten zijn in het Arabisch. Volgens [eiser] zijn dit berichten tussen hem en [gedaagde] en blijkt hieruit dat hij [gedaagde] regelmatig om geld heeft gevraagd, maar dat [gedaagde] antwoordde dat hij zelf ook geldproblemen had. [eiser] heeft op de mondelinge behandeling ook verklaard waarom hij niet meteen met behulp van een advocaat zijn geld heeft opgeëist. Dat was volgens [eiser] omdat hij op grond van afspraken met [gedaagde] een door [naam VOF] geleasede personenauto privé mocht blijven gebruiken. Achteraf zouden de leasetermijnen voor deze auto verrekend worden met hetgeen [gedaagde] nog aan hem moest betalen uit hoofde van de overeenkomst. [gedaagde] heeft echter [naam VOF] zelf weer verkocht aan een derde, die de leaseauto opeiste. Omdat hij eerst die leaseauto had, [gedaagde] en hij ook vrienden waren en hij in echtscheiding lag, heeft hij de zaken in het begin een beetje op zijn beloop gelaten. Toen hij onverwacht in België werd aangehouden door de politie en de leaseauto moest inleveren, was hij er klaar mee en is hij naar zijn advocaat gegaan om de koopprijs op te eisen.
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat de stelling van [gedaagde] dat hij een bedrag van
€ 39.000,00 contant heeft betaald, niet meer dan een blote stelling betreft die door [gedaagde] op geen enkele manier nader is onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden. Op welke dagen heeft hij dan betaald? Waar vonden de betalingen plaats? Was daar iemand bij? Hoe kwam hij aan het geld? Haalde hij dat van zijn bankrekening? [gedaagde] stelt er niets over, terwijl dit wel op zijn weg lag. Alleen een blote stelling “ik heb betaald” is onvoldoende om aan zijn stelplicht te voldoen.
4.6.
[gedaagde] stelt wel bijkomende omstandigheden, waaruit volgens hem blijkt dat hij heeft betaald. Hij doelt dan op het lange stilzitten door [eiser] en het feit dat [eiser] hem pas formeel is gaan sommeren nadat de leaseauto door de Belgische politie in beslag is genomen. Uit de Whatsappberichten blijkt echter genoegzaam dat [eiser] [gedaagde] wel regelmatig heeft aangespoord om te betalen. Dat deze berichten niet door een officiële tolk zijn vertaald, acht de rechtbank niet van belang. Partijen spreken beiden Arabisch. Als er iets anders in de berichten staat dan [eiser] heeft gesteld, had [gedaagde] een alternatieve vertaling moeten presenteren. [eiser] heeft ook een verklaring gegeven waarom hij niet meteen actie heeft ondernomen toen [gedaagde] de termijnbetalingen niet nakwam. De rechtbank vindt dit een aannemelijke verklaring. De rechtbank vindt dus niet dat deze omstandigheden een aanwijzing zijn dat [gedaagde] inderdaad al een groot deel contant heeft betaald.
4.7.
Omdat [gedaagde] al in zijn stelplicht tekort is geschoten, komt de rechtbank aan het geven van een bewijsopdracht om bewijs te leveren middels het horen van hemzelf en [eiser] als getuigen, zoals door [gedaagde] is aangeboden, niet toe. Dit onderdeel van het verweer van [gedaagde] wordt verworpen.
Betalingen per bank van twee keer € 500,00
4.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] twee keer een bedrag van € 500,00 per bank aan [eiser] heeft betaald. [eiser] heeft gesteld dat dit betalingen waren ter voldoening van andere verbintenissen. Op de mondelinge behandeling is daarover aangevoerd dat partijen elkaar al jaren kenden en ook vriendschappelijk met elkaar omgingen. [eiser] zou voor [gedaagde] een koelkast hebben gekocht en een keer een vliegticket voor hem hebben betaald en geld hebben overgemaakt naar familie van [gedaagde] in Libanon. Toen [eiser] een keer krap bij kas was, heeft hij [gedaagde] gevraagd om € 4.000,00 over te maken en [gedaagde] heeft toen twee keer € 500,00 betaald. Toen zouden de vorderingen voor de koelkast en vliegticket zijn vervallen.
4.9.
De rechtbank kan deze stelling van [eiser] niet goed volgen. Dat hij zaken voor [gedaagde] heeft betaald, betekent niet meteen dat hij ook een vordering op [gedaagde] heeft. [eiser] stelt ook niet dat hij deze betalingen in het kader van een geldlening heeft gedaan. Dat hij uit andere verbintenissen ook vorderingen op [gedaagde] had, heeft hij dan ook onvoldoende onderbouwd.
4.10.
Zoals onder 4.4. is overwogen, heeft [eiser] zelf WhatsAppberichten in het geding gebracht ter onderbouwing van zijn stelling dat hij [gedaagde] heeft aangespoord om de overeenkomst na te komen. Tussen deze Whatsappberichten bevindt zich een bericht van [gedaagde] met een screenshot van een ING betaalrekening. Daarbij staat de opmerking: “Sorry ik was te laat en volgende week zal ik nog € 500,00”
4.11.
De rechtbank begrijpt deze berichten, mede in het licht van de uitleg die [eiser] daar zelf aan geeft, zó, dat deze betalingen van twee keer € 500,00 wèl zijn gedaan als aflossing van de schuld uit de overeenkomst. Deze betalingen zullen dan ook op het toe te wijzen bedrag in mindering worden gebracht.
Verrekening met een bedrag van € 10.000,00
4.12.
[eiser] heeft niet betwist dat hij een door [naam VOF] geleasede auto mocht blijven gebruiken, terwijl de lasten voor deze auto door [naam VOF] betaald werden. [eiser] betwist ook niet dat de kosten van deze auto verrekend mochten worden met de door [gedaagde] te betalen bedragen. [eiser] heeft echter ook aangevoerd dat [gedaagde] op zijn beurt [naam VOF] weer heeft verkocht aan een derde. Deze derde heeft aangifte gedaan van diefstal/verduistering van deze leaseauto. In september 2023 heeft de politie in België [eiser] staande gehouden en de leaseauto in beslag genomen.
4.13.
Uit het voorgaande volgt dat [eiser] erkent dat [gedaagde] mogelijk een verrekenbare tegenvordering op hem heeft terzake de door [gedaagde] / [naam VOF] betaalde kosten voor deze auto gedurende de tijd dat [eiser] deze auto heeft gebruikt. [eiser] merkt echter terecht op dat [gedaagde] de hoogte van deze tegenvordering in het geheel niet met bewijsstukken heeft onderbouwd en ook geen vordering in reconventie heeft ingediend. [gedaagde] stelt alleen maar dat zijn tegenvordering € 10.000,00 bedraagt, maar het is volstrekt onduidelijk hoe dit bedrag is opgebouwd. Op dit moment is de omvang van deze tegenvordering dan ook niet vast te stellen. Op grond van het bepaalde in artikel 6:136 BW kan dit verweer daarom niet aan toewijzing van de vordering van [eiser] in de weg staan.
Conclusie
4.14.
Uit het voorgaande volgt dat alleen de betaling van in totaal € 1.000,00 op de vordering in mindering strekt en dat de vordering voor het overige wordt toegewezen.
Door [gedaagde] is niet betwist dat de wettelijke handelsrente verschuldigd is. [eiser] vordert de wettelijke handelsrente vanaf de dag der opeisbaarheid van de vordering, althans vanaf datum dagvaarding. Nu wettelijke rente pas verschuldigd wordt vanaf de datum dat
het verzuimintreedt en [eiser] daarover niets heeft gesteld, zal de rente vanaf de datum dagvaarding worden toegewezen.
4.15.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
137,38
- griffierecht
1.325,00
- salaris advocaat
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.068,38

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 49.000,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag vanaf 22 maart 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.068,38, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. E.C.M. Hurkens en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.