ECLI:NL:RBLIM:2025:12769

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
C/03/335897 / HA ZA 24-495
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis inzake het lidmaatschap van de schutterij en de vorderingen in reconventie

In deze zaak heeft de Rechtbank Limburg op 29 oktober 2025 uitspraak gedaan in een civiele procedure tussen twee eisers, [eiser sub 1] en [eiser sub 2], en de gedaagde partij, de Schutterij St. Sebastianus. De eisers hebben hun lidmaatschap van de schutterij betwist, nadat zij door de Algemene Ledenvergadering (ALV) van de schutterij waren opgezegd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de schutterij in redelijkheid tot deze opzegging kon komen, gezien het wangedrag van de eisers, dat door meerdere leden van de schutterij was ervaren. De rechtbank heeft de argumenten van de eisers, waaronder de stelling dat de opzegging nietig of vernietigbaar zou zijn, verworpen. De rechtbank oordeelde dat de schutterij voldoende bewijs had geleverd van het wangedrag van de eisers, en dat de ALV op een correcte wijze had besloten tot opzegging van hun lidmaatschap. In reconventie heeft de schutterij gevorderd dat de eisers bepaalde in bruikleen gegeven zaken, waaronder een uniformjas en een wapenkast, zouden teruggeven. De rechtbank heeft geoordeeld dat de schutterij geen vordering meer had op de eisers met betrekking tot deze zaken, omdat deze al in goede staat waren ingeleverd of niet meer aanwezig waren. De rechtbank heeft de vorderingen van de eisers in conventie afgewezen en de schutterij in reconventie in de kosten veroordeeld.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/335897 / HA ZA 24-495
Vonnis van 29 oktober 2025
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[eiser sub 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] , ook separaat te noemen [eiser sub 1] en [eiser sub 2]
[eiser sub 2] ,
advocaat: mr. F. Boukhris,
tegen
SCHUTTERIJ ST. SEBASTIANUS,
te Schinnen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de schutterij,
advocaat: mr. B.A.L.H. Robijns.

1.De verdere procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 8 januari 2025
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, zijdens de schutterij, met de producties 7 tot en met 23
- de conclusie van antwoord in reconventie, met de producties 12 en 13
- de brief van 9 april 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het B8 formulier van de schutterij, met productie 24
- het akte overleggen aanvullende producties 14 en 15
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 mei 2025 alsmede de door [eisers] c.s. overgelegde spreekaantekeningen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil in reconventie

2.1.
Voor de feiten, een samenvatting van het geschil in conventie en de vorderingen in conventie verwijst de rechtbank kortheidshalve naar het vonnis in het incident van 8 januari 2025. In reconventie heeft de schutterij gesteld dat [eisers] nog enkele zaken in bruikleen onder zich hebben, te weten een uniformjas, uniformbroek, hoofddeksel (kolbak), handschoenen en een metalen wapenkast. Deze zaken wenst de schutterij terug te hebben.
2.2.
Op grond van het voorgaande heeft de schutterij in reconventie gevorderd dat de rechtbank bij vonnis,
[eisers] zal veroordelen om ommegaand, doch uiterlijk binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis, de hiervoor genoemde in bruikleen gegeven zaken compleet en in goede staat aan de schutterij te overhandigen, en
indien de schutterij niet overgaat tot een tijdige overdracht van genoemde in bruikleen gegeven zaken, [eisers] hoofdelijk een dwangsom zal opleggen van € 100,00 per dag(deel) dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, met een maximum van € 10.000,00,
[eisers] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis van de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten, indien en voor zover [eisers] niet vrijwillig binnen die 14 dagen overgaan tot betaling van de proceskosten, evenwel te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 15e dag tot aan die der algehele voldoening.
2.3.
[eisers] voeren verweer. De stellingen van partijen zullen hierna bij de beoordeling aan de orde komen, voor zover relevant.

3.De verdere beoordeling

In conventie en in reconventie
3.1.
Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie zullen zij samen worden besproken.
3.2.
De eerste vraag die moet worden beantwoord is de vraag of het besluit tot royement van [eisers] nietig is dan wel vernietigbaar is.
3.3.
De rechtbank stelt voorop dat het in het dienaangaande gevorderde om de ‘opzegging van 5 maart 2024 van de schutterij’ zou gaan. Op vraag van de rechtbank hebben [eisers] hierover bij de mondelinge behandeling van 28 mei 2025 verklaard dat het om een ‘verschrijving’ zou gaan en dat bedoeld is het besluit van de ALV van 17 december 2023. Gelet hierop zal de rechtbank hiervan uitgaan bij de verdere beoordeling.
3.4.
[eisers] voeren kort gezegd aan dat het besluit van de ALV nietig dan wel vernietigbaar is, omdat het in strijd is met de statuten (artikel 2:14 lid 1 BW) dan wel, zo begrijpt de rechtbank, strijdig is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist (artikel 2:15 lid 1 sub b BW).
3.5.
Zoals reeds aangehaald in meergenoemd vonnis in het incident van 9 januari 2025 is in artikel 14 en 15 van de statuten van de schutterij het volgende bepaald:
“Artikel 14
Een lid, vrijschut, erelid of lid van verdienste, dat zich schuldig maakt aan wangedrag, waardoor de vereniging of de goede naam van de vereniging benadeeld wordt, kan aan de ledenvergadering worden voorgedragen voor royement.
Artikel 15
Wanneer het bestuur een lid, vrijschut, erelid of lid van verdienste wenst voor te dragen voor royement dan krijgt hij minstens veertien dagen voor de betreffende ledenvergadering een schriftelijke aankondiging van het voornemen, waarin ook de redenen vermeld staan. Desgewenst heeft het betreffende lid het recht om zich in de ledenvergadering te verantwoorden. Ook van een royement krijgt hij/zij een schriftelijke bevestiging.”
Verder is in artikel 46 van de statuten is bepaald dat over zaken waarin de statuten en de reglementen niet voorzien het bestuur beslist. In het licht van voormelde statuten dient aldus te worden onderzocht of de ALV in redelijkheid tot haar beslissing tot royement van [eisers] heeft kunnen komen.
3.6.
Voor hun standpunt dat dit niet het geval is, dus dat de ALV in redelijkheid niet tot haar beslissing heeft kunnen komen, dragen [eisers] verschillende (en op sommige onderdelen elkaar overlappende) argumenten aan. Omdat hierbij niet scherp wordt afgebakend welke door [eisers] aangedragen argumenten moeten leiden tot nietigheid dan wel vernietigbaarheid van het besluit van de ALV, zal de rechtbank eerst die argumenten op hun inhoudelijke merites beoordelen en vervolgens, aan het slot, concluderen welk rechtsgevolg hieraan moet worden verbonden. Daartoe het volgende.
3.6.1.
[eisers] refereert allereerst aan het besluit van het bestuur van de schutterij van 14 juli 2023. In dit verband stellen zij dat
“de schutterij bij het eerste royement niet bevoegd[was]
om op grond van artikel 14 van de statuten het lidmaatschap van [eisers] op te zeggen. Het bestuur heeft het verzoek gedaan en het had enkel en alleen op de weg van de algemene ledenvergadering gelegen om over te gaan tot een dergelijk besluit.” [1]
Voor zover [eisers] hiermee hebben bedoeld te zeggen dat het bestuur niet bevoegd was om de (betreffende delegatie van de) schuttersgroep op 14 juli 2023 ‘voorwaardelijk’ te royeren, tegen welk besluit zij bezwaar hebben gemaakt bij brief van 20 oktober 2023, is dit, wat hier ook van zij, gesauveerd door de omstandigheid dat de ALV op 17 december 2023 in meerderheid (31 tegen 8) hebben gestemd voor de opzegging van het lidmaatschap (waarover hierna meer). Om dat láátste besluit – een besluit van de ALV – gaat het in deze. De ‘voorwaardelijke opzegging’ van 14 juli 2023 door het bestuur is voor de verdere beoordeling dus niet relevant. Hetgeen de rechtbank heeft overwogen in haar overweging 4.3. van het vonnis in het incident van 9 januari 2025 aangaande de provisionele vordering, geldt in deze dan ook evenzeer.
3.6.2.
[eisers] hebben daarnaast gesteld dat de redenen van opzegging niet zijn genoemd in het besluit van de ALV. Mocht de reden ongewenst gedrag van [eisers] zijn, dan is daarvan in elk geval geen sprake. Het betreft, aldus [eisers] , enkel aantijgingen die via ‘een rondje langs de velden’ zijn opgedaan door de leden van het bestuur, en zijn gebaseerd op vermoedens en aannames. Dat geldt ook voor de argumenten die het bestuur heeft aangedragen aan zijn verzoek tot opzegging, gevoegd bij de agenda voor de ALV van 17 december 2023.
3.6.3.
Voor zover het verwijt dat de redenen van opzegging niet zijn genoemd in het besluit van de ALV als separaat en op zichzelf staand verwijt aan de schutterij is bedoeld, onderschrijft de rechtbank dit niet, nu bij voormeld verzoek tot opzegging van het bestuur aan de ALV, gevoegd bij de agenda voor de ALV van 17 december 2023, zeer uitgebreid is ingegaan op de onderliggende redenen van opzegging. Gelet hierop waren [eisers] genoegzaam op de hoogte van de gronden van het besluit. Wat die redenen zelf betreft – kort gezegd neerkomende op het standpunt dat (onder meer) [eisers] zich schuldig hebben gemaakt aan wangedrag waardoor de vereniging of de goede naam van de vereniging wordt benadeeld – overweegt de rechtbank het volgende.
3.6.4.
Meergenoemd verzoek tot opzegging bevat een uitgebreid relaas van gedragingen van [eisers] (negen A4-tjes) die uiteindelijk tot de opzegging hebben geleid. In het licht hiervan zal de rechtbank zich beperken tot de voor de beoordeling meest relevante elementen, zonder daarin uitputtend te zijn.
In genoemd relaas staat onder meer:
“De heer [eiser sub 1] wordt door een groot aantal leden gezien als een van de negatieve stemmingmakers binnen de vereniging. Hij vertoont een betweterig, kwetsend, voorwaarde stellend en agressief gedrag en acteert als intrigant. Zijn aanwezigheid binnen de vereniging leidde en leidt bij leden tot een onaangenaam gevoel en tot ledenverlies.
Door zijn betweterigheid worden werkzaamheden of activiteiten niet, vertraagd of op een onvolmaakte wijze uitgevoerd. (…).
Reeds middels een aangetekend schrijven van het bestuur van de vereniging, gedateerd 2 maart 2015, werd de heer [eiser sub 1] gewezen op het zwaarwegende feit, dat hij zich pertinent niet wenste te houden aan alle gedragsregels, noodzakelijk om te voldoen aan de vergunningseisen voor exploitatie van het schutterslokaal (…).
Steeds weer werd en wordt de vereniging geconfronteerd met voorwaarde stellend gedrag van de heer [eiser sub 1] . Zolang de vereniging niet voldoet aan de vragen c.q. voorwaarden van [eisers] [2] worden werkzaamheden of andere activiteiten door de schuttersdelegatie niet meer uitgevoerd. Ter bespreking van de aanwezige problematiek rondom zijn optreden binnen de vereniging trachtte het bestuur in 2020 afspraken met de heer [eiser sub 1] te maken. (…).
De heer [eiser sub 1] vertoont geregeld een agressief verbaal gedrag. Dit leidde naast zijn bestendige negatieve wijze van communicatie binnen de vereniging zelfs tot dreigen met fysiek geweld aan andere leden. Zoals lijkt uit de e-mail van de heer [naam 1] van 7 oktober 2022 dreigde de heer [eiser sub 1] in aanwezigheid van zijn zoon [eiser sub 2] met slaan van de heer [naam 1] , de instructeur van het tamboerskorps. De instructeur maakte hiervan melding bij het destijdse bestuur, die de kwestie echter niet deugdelijk afhandelde (…). Op 26 februari 2015 bedreigde de heer [eiser sub 1] in de benedenverdieping van het schutterslokaal – voorafgaande aan een bestuurlijk overleg – de penningsmeester en commandant de heer [naam 2] . De heer [eiser sub 1] verzocht de heer [naam 2] mee naar buiten te gaan, zodat hij hem daar op zijn ‘gezicht kon slaan’. Voor het destijdse en grotendeels aanwezige bestuur was deze tweede bedreiging voldoende de heer [eiser sub 1] op 2 maart 2015 middels een aangetekend schrijven in kennis te stellen van het bestuurlijk voornemen hem conform artikel 15 van de verenigingsstatuten aan de algemene ledenvergadering voor te dragen te royeren. (…). Uiteindelijk heeft het destijdse bestuur het royeren van de heer [eiser sub 1] omgezet in een gelimiteerde schorsing (…).
Het acteren van de heer [eiser sub 1] als intrigant was en is voor de meeste leden herkenbaar. Hij veroorzaakte en veroorzaakt met stemmingsmakerij en het verbreiden van narratieve berichtgevingen en leugens binnen de vereniging een negatieve groepsvorming. (…).”
Gezien deze beschreven feiten en omstandigheden is aannemelijk dat [eiser sub 1] zich reeds gedurende jaren schuldig heeft gemaakt aan wangedrag waardoor de vereniging benadeeld wordt. Hij is hier kennelijk meermaals op aangesproken en aangeschreven, waarbij – zo is onbetwist komen vast te staan – hij in 2015 al eens is geschorst geweest voor bepaalde tijd. Later is ook [eiser sub 2] hierin betrokken geraakt (waarover hierna meer). [eisers] hebben hier onvoldoende tegenover gesteld. Enkel met blote ontkenningen, ook ter terechtzitting, hebben zij gepoogd de beschreven feiten en omstandigheden te betwisten. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat een grote meerderheid (31 tegen 8, dus bijna 80%) het besluit tot opzegging van de lidmaatschappen van [eisers] heeft genomen, en daarmee de gronden van de opzegging c.q. het gedrag van [eisers] heeft onderkend. De stelling van [eisers] ter terechtzitting dat alleen een klein clubje problemen met hen heeft, kan in het licht hiervan dan ook niet worden onderschreven.
3.6.5.
Naast het gedrag van [eisers] betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat de aantijgingen niet plotsklaps uit de lucht zijn komen vallen en de vereniging bij het verbinden van consequenties hieraan niet over één nacht ijs is gegaan. Zoals gezegd is in 2015 reeds besloten dat [eiser sub 1] voor bepaalde tijd werd geschorst wegens wangedrag. Aanvankelijk was sprake van een definitieve opzegging van het lidmaatschap, maar is het besluit omgezet in een gelimiteerde schorsing. In 2017 is vanuit de vereniging een onderzoek gestart naar ‘de aanwezig problematiek, om op basis van de verkregen onderzoeksresultaten een verbeterproces te starten’ [3] , zulks op basis van interviews met meer dan twintig leden. Dat dit onderzoek representatief was, is door [eisers] niet betwist. Hieruit kwamen vier ‘probleemgebieden’ met daarin een aantal onderkende probleemstellingen. Relevant is het volgende:
Probleemstelling 1.1: Functioneren schietcommissie
De schietcommissie functioneert slecht en bepaalt te zelfstandig in welk team een schutter mag schieten, waarbij een eerlijke en optimale indeling in twijfel wordt getrokken. Door de intern heersende verdeeldheid worden afspraken niet nagekomen en taken niet gezamenlijk uitgevoerd, hetgeen tot geënsceneerde hilariteit van bedenkelijk allooi en zelfs afgunst leidt. Deze situatie minimaliseert bij leden de motivatie voor deelname aan schietwedstrijden. (…).
Probleemstelling 1.2: Functioneren schuttersgroep
Sinds 2016 treden binnen de schuttersgroep problemen op die leiden tot een grimmige, vileine en geagiteerde sfeer, waardoor een aantal schutters niet meer met elkaar wenst te schieten. Dit veroorzaakt een onhoudbare situatie met negatieve gevolgen op het toeschouwen tijdens schietwedstrijden en op de algehele sfeer binnen de schutterij. Een adequaat ingrijpen van het bestuur wordt gemist. (…).
Probleemstelling 1.3: Communicatie bestuur vs. Schietcommissie
Tussen bestuur en schietcommissie vindt weinig overleg of terugkoppeling plaats. Het ontwerp en constructie van de schietinstallatie is door één bestuurslid geheel zelfstandig bepaald. (…).”
Naar aanleiding hiervan heeft het bestuur, zo is onbetwist komen vast te staan, getracht een gesprek met [eiser sub 1] te beleggen, dat uiteindelijk – het is dan inmiddels 2020 – door de covidmaatregelen van de overheid (lockdown) niet heeft kunnen plaatsvinden. Na opheffing hiervan, zo heeft de schutterij genoegzaam voor het voetlicht gebracht, bleven de verhoudingen tussen bestuur en schuttersgroep/schietcommissie gespannen; de communicatie was negatief, van toenadering tussen [eisers] en het bestuur was geen sprake en de schuttersgroep bleef als het ware een clubje binnen de club. Medio 2023 heeft de schuttersploeg het bestuur van de schutterij verzocht een ALV uit te roepen. [eiser sub 2] schrijft in dit verband in zijn e-mail van 8 mei 2023 aan het bestuur:
“(…). Wij voelen ons niet serieus genomen en erg benadeelt in de huidige situatie. Hiermee willen wij nogmaals een verzoek uitbrengen voor een vergadering tussen het bestuur en de schuttersgroep ( [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [eiser sub 1] en mijzelf), om de situatie verder te bespreken. Gelieve dit te houden voor het eerste schuttersfeest van 21 mei.
Mocht hier geen gehoor aan gegeven worden, onttrekken wij ons van iedere verdere activiteit binnen de schutterij (met ingang van 21 mei 2023) totdat er een gesprek is gevoerd waar wij als gehele groep wel serieus genomen worden. (…).”
Bij e-mail van 12 mei 2023 antwoordt het bestuur (en adviseur) het volgende:
“(…). De intimiderende strekking van jouw e-mail is volledig inherent aan de probleemstellingen, zoals omschreven in de aandachtspunten 1 en 2 van de geprioriteerde probleemstellingen. Een overzicht hiervan hebben alle leden ontvangen.
Intimiderend, omdat de schuttersgroep met voorwaarde stellend gedrag het bestuur en haar adviseur wil dwingen tot een overleg met de in jouw e-mail genoemde groep schutters. Dit voorwaarde stellende gedrag betreft het dreigement van deze groep, om met ingang van 21 mei 2023 niet meer deel te nemen aan de schuttersactiviteiten, mocht het bestuur en haar adviseur vóór die datum geen gesprek met deze groep hebben belegd.
Intimiderendtevens, omdat bij jouw opsomming van de leden van de schuttersgroep de namen van [naam 7] en [naam 8] en [naam 9] ontbreken. Ook zij maken deel uit van de schuttersgroep.
Het bestuur en haar adviseur zijn van mening, dat vooral de aandachtspunten 1 en 2 (…) de sfeer en het plezier binnen onze vereniging zeer negatief beïnvloeden. (…). Aangezien het bestuur en haar adviseur de leden wenst mee te menen in deze problematiek, is beslotenalleleden kennis te laten nemen van jou e-mail en het antwoord hierop van het bestuur en haar adviseur.
(…). Bijgevolg heeft het bestuur en haar adviseur besloten tot een gesprek met deheleschuttersgroep, mits hiertoe een niet-intimiderend verzoek tot het bestuur en haar adviseur wordt gericht. (…).”
Bij e-mail van 14 juli 2023, onder meer gericht aan [eisers] , heeft het bestuur (en adviseur) het volgende medegedeeld:
“Sjötte broeders,
Het bestuur en haar adviseur hebben onlangs in eerdere berichtgeving aangegeven dat de delegatie van de schuttersgroep de tolerantiegrens v.w.b. hun gedrag en uitingen naar bestuur/adviseur en de overige leden heeft bereikt.
Het voltallige bestuur heeft thans, na de adviseur gehoord te hebben, unaniem besloten de delegatie van de schuttersgroepvoorwaardelijk te royeren.
Met onmiddellijke ingang, vrijdag 14 juli 2023, wordt aan genoemde leden de deelname aan de schuttersactiviteiten binnen de sjotterie, ook de toegang tot het sjottehome en terrein voor onbepaalde tijd ontzegd. (…).
De eerstvolgende bestuursvergadering kan pas plaatsvinden tussen 20 en 27 augustus a.s. (…).
Het voortdurend manipulerend gedrag alsmede het zonder toestemming benoemen van namen van twee leden binnen een mail m.b.t. aanvraag van een ledenvergadering van voornoemde delegatie, heeft het bestuur/adviseur besloten deze uiterst teleurstellende maatregel in te zetten.
De navolgende leden zijn voorgedragen m.b.t. het voorwaardelijk royeren:
(…) [eiser sub 1] en [eiser sub 2] (…).”
Nadat [eisers] naar aanleiding hiervan bij brief van 20 oktober 2023 bezwaar hadden gemaakt tegen het voorwaardelijk royement, omdat het nietig dan wel vernietigbaar zou zijn, heeft op 17 december 2023 meergenoemde ALV plaatsgevonden, waarbij de vergadering middels meergenoemde bijlage bij de agenda (‘verzoek tot opzegging’) uitvoerig is geïnformeerd over het voorstel tot het opzeggen van het lidmaatschap van onder andere [eisers]
3.6.6.
Dat tijdens de ALV geen hoor- en wederhoor is toegepast, zo stellen [eisers] , kan niet worden onderschreven. Weliswaar was [eiser sub 1] niet aanwezig wegens vakantie – de rechtbank begrijpt dat dit is ondervangen middels een volmacht – maar nu geen bezwaar was gemaakt tegen de datum van de ALV – hetgeen in dat geval op de weg van [eisers] had gelegen – kan dit de vereniging niet worden tegengeworpen. Daarbij komt dat, zo is onbetwist gesteld, [eiser sub 2] vaak als woordvoerder optrad voor de schuttersgroep en zijn vader, [eiser sub 1] , hetgeen de rechtbank ter zitting ook is gebleken. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat het standpunt van [eiser sub 1] genoegzaam door [eiser sub 2] kon worden verwoord, niet in het minst omdat dit standpunt zo goed als hetzelfde standpunt was als dat van [eiser sub 2] zelf en de schuttersgroep als geheel. Tot slot acht de rechtbank in dit verband van belang dat onbetwist is gesteld dat de schutterij de jurist van DAS Rechtsbijstand, toentertijd de rechtshulpverlener van [eisers] , had uitgenodigd om de ALV bij te wonen, op welke uitnodiging kennelijk niet is ingegaan.
3.6.7.
Ook het punt van [eisers] dat de stemmingsronde niet correct heeft plaatsgevonden, omdat de stemmingen niet per persoon maar betrekking hadden op de schuttersgroep als geheel, kan niet tot het door hen gewenste doel leiden. Immers, duidelijk was dat het voorstel tot opzegging betrekking had op alle individuele (en met naam genoemde) leden van de schuttersgroep, waaronder [eisers] Dat niet-leden volgens [eisers] ook hun stem zouden hebben uitgebracht, is niet gebleken. Met een blote stelling dat dit wel zo was, kan de rechtbank niet veel. Bovendien heeft de schutterij ter zitting genoegzaam betwist dat de stemming niet transparant zou zijn geweest, zulks onder het aanbieden van inzage in (de inhoud van) de stemmen die de schutterij ten behoeve van de mondelinge behandeling had meegenomen.
3.6.8.
De stelling van [eisers] dat de belangen van [eisers] niet zijn meegewogen bij het besluit tot opzegging van hun lidmaatschap, faalt ook. De rechtbank ziet wel degelijk in dat de schutterij voor [eisers] een belangrijke bron van ontspanning en recreatie is, waar zij al jaren hun ziel en zaligheid in hebben gestopt. Maar zoals gezegd heeft de schutterij gedurende vele jaren kansen geboden om te komen tot beter gedrag van de schuttersgroep, waaronder [eisers] Dit leidde weliswaar tijdelijk tot gedragsverbetering, maar op de langere termijn vervielen [eisers] toch telkens weer in hun uiteindelijk door de vereniging gewraakte gedrag (zie hiervoor onder, vooral, rov. 3.6.4 en 3.6.5).
3.7.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de schutterij in redelijkheid tot haar besluit tot opzegging van het lidmaatschap van [eisers] kon komen dan wel dat van de schutterij niet langer kon worden gevergd het lidmaatschap van [eisers] voort te laten duren. Dat geldt voor zowel [eiser sub 1] als voor [eiser sub 2] . Dat [eiser sub 2] een andere geschiedenis en achtergrond bij de schutterij heeft dan zijn vader, maakt dat niet anders. Immers, ook [eiser sub 2] heeft zich, zoals hiervoor (deels) geschetst, mede gezien zijn nauwe betrokkenheid bij de handel en wandel van de schuttersgroep en [eiser sub 1] , schuldig gemaakt aan zodanig gedrag dat de schutterij op grond daarvan en ingevolge het bepaalde in artikel 14 van de statuten kon besluiten tot opzegging van het lidmaatschap. Aan de door hen gestelde feiten en omstandigheden ter betwisting hiervan kan dan ook niet het rechtsgevolg worden verbonden dat het besluit van de ALV tot opzegging van hun lidmaatschappen nietig dan wel vernietigbaar is. Alle vorderingen zullen daarom worden afgewezen, waarbij [eisers] als de in het ongelijk gestelde partij zullen worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, begroot op:
- griffierecht
2.889,00
- salaris advocaat
1.042,00
(2 punten x € 521,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals hierna vermeld in de beslissing)
totaal
4.109,00
3.8.
In reconventie heeft de schutterij gevorderd dat [eisers] hun uniformjas, uniformbroek, hoofddeksel (kolbak) en handschoenen inleveren alsmede een metalen wapenkast. Uit productie 13 van de conclusie van antwoord in reconventie leidt de rechtbank af de uniformjas, uniformbroek en hoofddeksel (kolbak) in goede staat zijn ingeleverd. Wat betreft de handschoenen is vermeld dat deze inmiddels versleten zijn en dus geen waarde meer hebben. Tot slot stellen [eisers] dat de metalen wapenkast in de garage van de heer [naam 10] staat, hetgeen de schutterij niet meer heeft betwist. In het licht hiervan heeft de schutterij geen vordering (meer) op [eisers] , hetgeen reeds ten tijde van de mondelinge behandeling duidelijk was, maar niettemin niet heeft geleid tot intrekking van die vordering. Nu de vordering wel nog steeds voorligt en hierop derhalve nog moet worden beslist, zal de vordering worden afgewezen en zal de schutterij als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in reconventie worden veroordeeld, begroot op:
- salaris advocaat € 521,00 (2 punten x 0,5 x € 521,00)
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging, zoals hierna vermeld) _____________
totaal € 699,00

4.De beslissing

De rechtbank
In conventie
4.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
4.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 4.109,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening alsmede de wettelijke rente (over de proceskosten en de nakosten tot aan de dag van volledige betaling) als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
In reconventie
4.3.
wijst de vorderingen van de schutterij af,
4.4.
veroordeelt de schutterij in de proceskosten van € 699,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening en de wettelijke rente (over de proceskosten en de nakosten tot aan de dag van volledige betaling) als de schutterij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
In conventie en in reconventie
4.5.
verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.

Voetnoten

1.Randnummer 4.10 van de dagvaarding.
2.Gezien de toevoeging ‘c.s.’ begrijpt de rechtbank dat hiermee ook [eiser sub 2] is bedoeld.
3.Conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, randnr. 22.