ECLI:NL:RBLIM:2025:12951

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
11247192 \ CV EXPL 24-3957
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van zorgkosten en premies door zorgverzekeraar Zilveren Kruis

In deze zaak heeft Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V. een vordering ingesteld tegen een gedaagde partij, die in persoon procedeerde, voor de betaling van onbetaalde zorgpremies en zorgkosten. De gedaagde had een zorgverzekering afgesloten en was in totaal € 1.006,14 verschuldigd, maar had al een deel van dit bedrag betaald. Zilveren Kruis vorderde uiteindelijk € 660,50, na verrekening van de reeds betaalde bedragen. De gedaagde erkende de hoofdsom, maar voerde aan dat zij niet kon betalen vanwege betalingsonmacht en vroeg om een betalingsregeling.

De kantonrechter oordeelde dat de betalingsonmacht van de gedaagde niet in de weg stond aan de toewijzing van de hoofdsom. De kantonrechter kon geen nieuwe betalingsregeling opleggen en verwees de gedaagde naar Zilveren Kruis voor een mogelijke regeling. Daarnaast werd er een geschil behandeld over de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter oordeelde dat het beding in de voorwaarden van Zilveren Kruis met betrekking tot deze kosten oneerlijk was en vernietigde dit beding. De gevorderde wettelijke rente werd toegewezen, omdat de gedaagde in verzuim verkeerde en geen verweer had gevoerd tegen deze vordering.

Uiteindelijk werd de gedaagde veroordeeld tot betaling van € 610,06 aan Zilveren Kruis, evenals de proceskosten van € 938,55. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde werd afgewezen. Dit vonnis is uitgesproken door de kantonrechter op 24 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11247192 \ CV EXPL 24-3957
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
ZILVEREN KRUIS ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: Zilveren Kruis,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 juli 2025
- de akte van Zilveren Kruis
- de akte van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft met Zilveren Kruis een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet afgesloten, op grond waarvan [gedaagde] aan Zilveren Kruis onder andere premie en betaling van zorgkostenfacturen verschuldigd is.
2.2.
[gedaagde] heeft aanvankelijk een totaalbedrag van € 1.006,14 aan premies en zorgkostenfacturen onbetaald gelaten. Na interventie van de deurwaarder heeft [gedaagde] , vóór het uitbrengen van de dagvaarding, in totaal een bedrag van € 335,50 betaald aan Zilveren Kruis. Na het uitbrengen van de dagvaarding heeft [gedaagde] nog een totaalbedrag van € 100,00 betaald.

3.Het geschil

3.1.
Zilveren Kruis vordert – samengevat en na eisvermindering – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 660,50. Dit bedrag bestaat uit € 1.006,14 aan hoofdsom, € 50,44 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten en € 39,42 aan vervallen wettelijke rente, verminderd met € 335,50 (betaald vóór dagvaarding) en € 100,00 (betaald na dagvaarding), Zilveren Kruis vordert tevens veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] erkent de hoofdsom en voert aan dat zij Zilveren Kruis niet betaald heeft vanwege betalingsonmacht door privéomstandigheden. [gedaagde] wil graag een betalingsregeling treffen met Zilveren Kruis.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De hoofdsom
4.1.
[gedaagde] erkent de gevorderde hoofdsom en de betalingsonmacht aan de zijde van [gedaagde] kan niet aan toewijzing van de hoofdsom in de weg staan. De kantonrechter kan geen nieuwe betalingsregeling opleggen. Om een nieuwe betalingsregeling te verkrijgen, moet [gedaagde] zich tot Zilveren Kruis wenden.
4.2.
Op grond van het voorgaande wordt de gevorderde hoofdsom toegewezen.
De buitengerechtelijke incassokosten
4.3.
De kantonrechter heeft in voornoemd tussenvonnis Zilveren Kruis en daarna [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om bij akte te reageren op het voornemen van de kantonrechter om het beding in de aanvullende voorwaarden met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten te vernietigen vanwege het oneerlijke karakter daarvan.
4.4.
Zilveren Kruis stelt zich bij akte primair op het standpunt dat zij zich nooit op het incassobeding uit de voorwaarden heeft beroepen. Zilveren Kruis heeft enkel op grond van artikel 6:96 BW de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel BIK gevorderd. Het beding maakt dan ook geen onderdeel uit van de rechtsstrijd waardoor er geen aanleiding bestaat om het beding ambtshalve te toetsen. Subsidiair stelt Zilveren Kruis zich op het standpunt dat het desbetreffende beding niet oneerlijk in de zin van de Richtlijn en ook niet onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233 sub a BW. De voorwaarden beogen op een voor de verzekerde begrijpelijke wijze uit te leggen welke rechten en plichten de verzekeraar en de verzekerde hebben. Met het incassobeding is niet beoogd om af te wijken van dwingende wetsbepalingen die de verzekerde beschermen. Artikel 1.1 van de voorwaarden bepaalt dat de wet vóór de voorwaarden gaat. Artikel 1.1 dient in samenhang met het beding te worden gelezen. Meer subsidiair stelt Zilveren Kruis zich op het standpunt dat in onderhavig geval kan worden teruggevallen op de wettelijke regeling. In het algemeen kan dat niet gezien het herzieningsverbod, maar volgens Zilveren Kruis valt de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 6:96 lid 5 BW en het besluit BIK niet onder het herzieningsverbod.
4.5.
[gedaagde] heeft bij akte niet gereageerd op het voornemen van de kantonrechter om het beding in de aanvullende voorwaarden met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten te vernietigen. [gedaagde] heeft enkel standpunten ingenomen met betrekking tot de gevorderde hoofdsom.
4.6.
Ten aanzien van het primaire standpunt van Zilveren Kruis wordt overwogen dat de omstandigheid dat Zilveren Kruis zich nooit op het beding heeft beroepen, niet aan ambtshalve toetsing daarvan in de weg staat. Dat volgt uit het Gupfinger-arrest: ook wanneer uitsluitend een beroep wordt gedaan op een bepaling van nationaal recht, dat van toepassing zou zijn als het oneerlijke beding niet in de overeenkomst was opgenomen, moet dat beding waarop een beroep zou
kunnenworden gedaan op oneerlijkheid worden getoetst (HvJ EU 8 december 2022, ECLI:EU:2022:971). Alleen op die manier wordt bereikt dat oneerlijke bedingen uit overeenkomsten met consumenten verdwijnen.
4.7.
Nu Zilveren Kruis een beroep had kunnen doen op het beding, gaat de kantonrechter dan ook over tot toetsing van het beding. Weliswaar stelt Zilveren Kruis dat het haar erom te doen is geweest de consument te waarschuwen voor kosten waarvoor een wettelijke basis bestaat, maar door deze wijze van formuleren heeft het beding een aanzienlijk bredere strekking dan slechts de kosten die op grond van de wet zijn te vorderen. Incassokosten wordt immers als een van de voorbeelden genoemd, naast administratie- en invorderingskosten. Nu Zilveren Kruis zichzelf met het beding de mogelijkheid heeft gegeven om bij de consument kosten in rekening te brengen, zonder maximum en zonder dat hiervoor een geldige reden in het beding staat, is sprake van een aanzienlijke verstoring van de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst ten nadele van de consument. Dat Zilveren Kruis zich in de praktijk niet op het beding beroept of dat zij een ‘vangnetbepaling’ in artikel 1.1 van de polisvoorwaarden heeft opgenomen waarin staat dat als een verschil bestaat tussen de (interpretatie van de) verzekeringsvoorwaarden en de wet, de wet prevaleert, is voor de toets of een beding oneerlijk is niet relevant. Het incassobeding zelf is op grond van het voorgaande oneerlijk, zodat het buiten toepassing moet worden gelaten. Terugvallen op de wettelijke regeling met betrekking tot de incassokosten is in dat geval niet meer mogelijk, zie HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:2021:68 (Dexia) en HR 10 februari 2023, ECLI:NL:2023:198 (Kinderopvang). Het meer subsidiaire standpunt van Zilveren Kruis dat artikel 6:96 lid 5 BW van dwingend recht is en dus niet onder het herzieningsverbod valt en daarom niet buiten toepassing kan worden gelaten faalt daarmee ook.
4.8.
De kantonrechter komt naar aanleiding van de akte van Zilveren Kruis dan ook niet tot een ander oordeel dan dat het beding zoals opgenomen in de algemene voorwaarden in artikel 9.2 ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten oneerlijk is en de kantonrechter vernietigt daarom het onderdeel in voornoemd beding dat betrekking heeft op de buitengerechtelijk incassokosten. Nu reeds is overwogen dat het terugvallen op wettelijke bepalingen bij de vernietiging van een oneerlijk beding niet mogelijk is, worden de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
De wettelijke rente
4.9.
Ten aanzien van de rente is er sprake van een eerlijk beding. Nu [gedaagde] in verzuim verkeert en [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente, wordt de gevorderde wettelijke rente van € 39,42 toegewezen.
De proceskosten
4.10.
[gedaagde] wordt overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Zilveren Kruis worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
138,05
- griffierecht
328,00
- salaris gemachtigde
405,00
(3,0 punten × € 135,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
938,55

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Zilveren Kruis te betalen een bedrag van € 610,06,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 938,55, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op
24 december 2025.
SH