ECLI:NL:RBLIM:2025:12968

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
03.058520.25
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en veroordeling in verkeerszaak met dodelijk ongeval

In deze strafzaak, behandeld door de Rechtbank Limburg op 31 december 2025, stond de verdachte terecht voor het veroorzaken van een verkeersongeval op 4 mei 2024 te Geleen, waarbij een fietser, [slachtoffer], om het leven kwam. De verdachte, bestuurder van een motorfiets, werd bijgestaan door mr. G.A.R. Di Antonio. Tijdens de zitting op 18 december 2025 werden de standpunten van de officier van justitie en de verdediging besproken. De officier van justitie eiste bewezenverklaring van schuld op basis van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (WVW), terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte met een snelheid van 74 tot 88 km/u reed, terwijl de maximumsnelheid 50 km/u was. De fietser had de kruising overgestoken zonder voldoende te kijken, wat bijdroeg aan het ongeval. De rechtbank concludeerde dat de snelheid van de motor niet de verwijtbare oorzaak van het ongeval was, en sprak de verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit. Echter, het subsidiair ten laste gelegde feit, het veroorzaken van gevaar op de weg, werd wel bewezen verklaard. De rechtbank legde een taakstraf van 80 uren op en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 3 maanden, rekening houdend met de ernst van de zaak en de eerdere overtredingen van de verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03.058520.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 31 december 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortestad] op [geboortedag] 2001,
wonende te [woonplaats] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. G.A.R. Di Antonio, advocaat te Maastricht.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 december 2025. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Tevens is ter zitting verschenen als [benadeelde partij] , bijgestaan door mr. L.H.G. Pelzer. [benadeelde partij] heeft gebruik gemaakt van haar spreekrecht.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte dat de verdachte als bestuurder van een motor een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] is komen te overlijden, dan wel zich zodanig heeft gedragen dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
Bewijsmiddelen
Uit het
proces-verbaal aanrijding misdrijfvolgt - zakelijk weergegeven – onder meer het volgende: [2]
Op 4 mei 2024 te 10:17 uur kreeg ik kennis van een verkeersongeval.
Adres: Henri Hermanslaan , Sittard-Geleen
Soort weg: Een weg, zijnde een voor het openbaar verkeer openstaande weg
Betrokkene 1:Voertuig: Motor
Bestuurder: [verdachte] .
Betrokkene 2:
Voertuig: Fiets Giant Entour
Bestuurder: [slachtoffer] .
Uit de
Verkeersongevallen Analysevan de Forensische Opsporing, afdeling Verkeer, van de politie Eenheid Limburg volgt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende: [3]
Op 4 mei 2024 omstreeks 10:17 uur had op de kruising van de Henri Hermanslaan met de Ridder Vosstraat, gelegen binnen de als zodanig aangegeven bebouwde kom van Geleen in de gemeente Sittard-Geleen het verkeersongeval plaatsgevonden. Ingevolge artikel 20 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geldt voor motor-voertuigen ter plaatse een maximumsnelheid van 50 km/u.
De bestuurder van de motorfiets had gereden over de Henri Hermanslaan , rijdende in de richting van de T-kruising. Bij deze kruising had deze bestuurder het voornemen om het kruisingsvlak rechtdoor over te steken, teneinde zijn weg over de Henri Hermanslaan te vervolgen. De bestuurder van de damesfiets had gereden over de Ridder Vosstraat in de richting van de T-kruising. Bij deze kruising had deze bestuurder zijn fiets voor het kruisingsvlak tot stilstand gebracht. Vervolgens was deze bestuurder het kruisingsvlak opgereden teneinde linksaf te slaan en zijn weg over de Henri Hermanslaan te vervolgen in de richting van de Westelijke Randweg. Kort voorbij het kruisingsvlak botste de bestuurder van de betrokken motorfiets met de achterzijde i.c. het achterwiel van het voertuig tegen de rechterflank achter van de betrokken damesfiets. Vervolgens kwamen beide betrokken bestuurders ten val.
Uit het ingesteld onderzoek bleek dat de bestuurder van de betrokken motorfiets kort voor de aanrijding had gereden met een "indicatieve" snelheid van ongeveer 74 km/u tot 88 km/u.
Uit het
proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoekover [slachtoffer] blijkt dat de schouwarts heeft vastgesteld dat hij op niet op natuurlijke wijze is overleden. Hij is overleden aan de gevolgen van de val van de fiets bij het verkeersongeval op 2 mei 2024. [4]
De verdachteverklaarde ter terechtzitting van 18 december 2025 – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende: [5]
Het klopt dat ik op 4 mei 2024 als bestuurder van een motorfiets in Geleen over de Henri Hermanslaan reed. Het klopt dat ik [slachtoffer] heb aangereden.
Vrijspraak artikel 6 Wegenverkeerswet (primair)
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) aan het verkeersongeval heeft gehad. Handelen dat enkel als ‘onvoorzichtig’ kan worden aangemerkt, is onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van dergelijke schuld. Daarvan is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Bij de beoordeling van de mate van schuld komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Uit de ernst van het eventuele letsel van het slachtoffer kan niet reeds worden afgeleid dat sprake is geweest van schuld in de zin van artikel 6 WVW.
De rechtbank overweegt als volgt. De verdachte heeft op een voorrangsweg met een aanzienlijk hogere snelheid gereden dan ter plaatse was toegestaan. Dat is de kern van het verwijt dat de officier van justitie de verdachte maakt.
De fietser is de voorrangsweg overgestoken zonder zich voldoende te vergewissen of de kruising bij zijn oversteek vrij zou zijn. Zijn zicht werd daarbij ook ernstig belemmerd door een vrijwel stilstaande Volkswagen. Toen de fietser achter de Volkswagen vandaan kwam en (meer) zicht kreeg op van rechts komend verkeer, heeft hij niet nog eerst gekeken of er geen verkeer aankwam, maar is in één beweging doorgereden. Door de grootte van de Volkswagen heeft de verdachte de fietser pas op een zeer laat moment opgemerkt, naar het oordeel van de rechtbank op een moment gelegen binnen de remweg als hij 50 km/u had gereden. Het te snelle rijden is daarmee niet de verwijtbare oorzaak van het noodlottige ongeval. De mening van de officier van justitie dat hij later op de ongevalsplek aangekomen zou zijn als hij 50 km/u gereden zou hebben waardoor een ongeval vermeden was, snijdt net zoveel hout als de mening dat als een van de verkeersdeelnemers zich nog een keer in bed had omgedraaid het ongeval ook niet had plaatsgevonden. Beslissend is immers of de snelheid van de motor op het moment dat de motorrijder de fietser zag, verwijtbaar heeft bijgedragen aan het ongeval. En dat is niet het geval.
Op het moment dat de motorrijder de overstekende fietser zag, heeft hij het gas teruggedraaid en vervolgens een noodzakelijke, plotse remmanoeuvre uitgevoerd. Het is de rechtbank niet gebleken dat dit handelen zo onoordeelkundig was dat de verdachte hiervan een (aanvullend) verwijt kan worden gemaakt. Evenmin staat voor de rechtbank vast dat het ongeval niet op deze wijze zou hebben plaatsgevonden indien de verdachte zich wél aan de maximumsnelheid zou hebben gehouden op het moment dat hij de fietser opmerkte. Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat bij de verdachte sprake is geweest van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. De rechtbank zal de verdachte derhalve van het primair ten laste gelegde vrijspreken.
Overwegingen artikel 5 Wegenverkeerswet (subsidiair)
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 4 mei 2024 te Geleen als bestuurder van een motorfiets rijdende over de Henri Hermanslaan met een aanmerkelijk hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/u heeft gereden en een overstekende fietser heeft aangereden. De verdachte heeft daarmee gevaar op de weg veroorzaakt. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt nu de fietser [slachtoffer] als gevolg daarvan is komen te overlijden. De rechtbank acht derhalve het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
subsidiair:
op 4 mei 2024 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen , als bestuurder van een voertuig (motorfiets), daarmee rijdende op de weg, Henri Hermanslaan , op het moment dat een voor hem van links over de Ridder Vosstraat komende fietser reeds dicht was genaderd, het kruispunt, gevormd door de wegen Henri Hermanslaan en Ridder Vosstraat is genaderd en (vervolgens) is opgereden met een snelheid van minimaal ongeveer 74 kilometer per uur en onvoldoende heeft geanticipeerd op die wegsituatie, mede waardoor een aanrijding is ontstaan tussen de door hem, verdachte, bestuurde motorfiets en die fietser, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
subsidiair:overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf en/of de maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om een taakstraf op te leggen en te volstaan met een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft als bestuurder van een motorfiets ernstig gevaar op de weg veroorzaakt. De verdachte heeft te hard gereden en is daardoor in aanrijding gekomen met fietser [slachtoffer] . Deze is vervolgens gevallen en als gevolg hiervan komen te overlijden.
De rechtbank merkt op dat zij zich er ten volle van bewust is dat het verkeersongeval een leven heeft geëist en dat geen enkele strafoplegging het verdriet en het gemis van de nabestaanden kan compenseren. Zoals hierboven uitgelegd, zijn de gevolgen van een ongeval echter niet bepalend voor de mate van schuld. Die wordt enkel bepaald door het handelen (of nalaten) van de verdachte. De mate van schuld die de verdachte aan het verkeersongeval heeft, maakt dat het verkeersongeval naar het oordeel van de rechtbank geen misdrijf, maar een overtreding oplevert. De op te leggen straf dient daarbij aan te sluiten.
De rechtbank heeft acht geslagen op strafblad van de verdachte waaruit volgt dat hij eerder is veroordeeld voor een overtreding van de Wegenverkeerswet. Voorts volgt uit een nog niet onherroepelijke veroordeling dat de verdachte ongeveer een jaar nadat het dodelijk verkeers-ongeval in deze zaak had plaatsgevonden kennelijk opnieuw de verkeersregels aan zijn laars heeft gelapt. De verdachte zou toen met een snelheid van 204 km/u over de snelweg hebben gereden. Deze op hardleersheid duidende instelling van de verdachte baart de rechtbank ernstige zorgen.
De rechtbank komt, gelet op de vrijspraak van het primair ten laste gelegde, tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd. Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis. Naast de taakstraf zal de rechtbank ter bescherming van de verkeersveiligheid aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen van 3 maanden. Een voorwaardelijke ontzegging doet geen recht aan het rijgedrag van de verdachte in de onderhavige zaak en aan de recidive die uit zijn strafblad blijkt. Deze bijkomende straf is ook mede bedoeld om de verdachte in te prenten dat zijn gevaarlijke rijgedrag ontoelaatbaar is.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van het
primairten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder
  • verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • veroordeelt de verdachte voor het
  • beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;
Ontzegging van de rijbevoegdheid
- ontzegt de verdachte voor
het subsidiair bewezen verklaarde feitde bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor
3 maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.P. Bosma, voorzitter, mr. R.C.A.M. Philippart en
mr. H.M.J. Quaedvlieg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.H.M. Meisen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 31 december 2025.
Buiten staat
Mr. Philippart is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 4 mei 2024 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Henri Hermanslaan , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander, teweten: [slachtoffer] , werd gedood, welke gedragingen zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, waren en hieruit hebben bestaan dat hij,verdachte, op het moment dat een voor hem, verdachte, van links over de Ridder Vosstraat komende fietser, zijnde voornoemde [slachtoffer] , reeds dicht was genaderd, het kruispunt gevormd door voornoemde wegen: Henri Hermanslaan en Ridder Vosstraat, is genaderd en (vervolgens) is opgereden met een snelheid van minimaal ongeveer 74 kilometer per uur, althans een hogere snelheid dan de voor hem aldaar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een voor de
verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid, en/of (vervolgens) niet op een juiste wijze de snelheid van de door hem, verdachte, bestuurde motorfiets heeft verminderd en/of niet voldoende is uitgeweken, in elk geval onvoldoende heeft geanticipeerd op die wegsituatie, waardoor, althans mede waardoor, een aanrijding of botsing is ontstaan tussen de door hem, verdachte, bestuurde motorfiets en die fietser, althans diens fiets;
subsidiairalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 mei 2024 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen als bestuurder van een voertuig (motorfiets), daarmee rijdende op de weg, Henri Hermanslaan , op het moment dat een voor hem, verdachte, van links over de Ridder Vosstraat komende fietser reeds dicht was genaderd, het kruispunt gevormd door voornoemde wegen: Henri Hermanslaan en Ridder Vosstraat, is genaderd en (vervolgens) is opgereden met een snelheid van minimaal
ongeveer 74 kilometer per uur, althans een hogere snelheid dan de voor hem aldaar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een voor de verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid, en/of (vervolgens) niet op een juiste manier de snelheid van de door hem, verdachte, bestuurde motorfiets heeft verminderd en/of niet voldoende is uitgeweken, in elk geval onvoldoende heeft geanticipeerd op die wegsituatie, waardoor, althans mede waardoor, een aanrijding of botsing is ontstaan tussen dedoor hem, verdachte, bestuurde motorfiets en die fietser, althans diens fiets, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2024071780-1, gesloten op 13 februari 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 158.
2.Proces-verbaal aanrijding misdrijf van 13 februari 2025, pagina 2 tot en met 4.
3.Proces-verbaal Verkeersongevallen Analyse (2024071780-8) van 5 februari 2025, pagine11, 13, 32, 34.
4.Proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek persoon [slachtoffer] van 9 juni 2024 met het daarbij als bijlage gevoegde schouwverslag, pg. 128-131.
5.De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 18 december 2025.