ECLI:NL:RBLIM:2025:12994

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
C/03/346390 / KG ZA 25-403
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil tussen erfgenamen en mede-executeurs over de afwikkeling van een nalatenschap in kort geding

In deze zaak, die zich afspeelt in het civiele recht, betreft het een kort geding tussen erfgenamen en mede-executeurs van de nalatenschap van mevrouw [erflaatster]. De eisers, bestaande uit [eiseres sub 1] en [eiser sub 2], hebben een vordering ingesteld tegen [gedaagde], die eveneens erfgenaam en mede-executeur is. De procedure is gestart naar aanleiding van een geschil over de afwikkeling van de nalatenschap, waarbij partijen eerder overeenstemming leken te hebben bereikt over een vaststellingsovereenkomst. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat er voldoende spoedeisend belang is bij de vordering van eisers, aangezien de onverdeeldheid van de nalatenschap zo snel mogelijk moet worden afgewikkeld. De voorzieningenrechter oordeelt dat er voldoende bewijs is dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de gemaakte afspraken, ondanks dat de vaststellingsovereenkomst nog niet was ondertekend. De rechter heeft [gedaagde] veroordeeld om binnen drie maanden na betekening van het vonnis uitvoering te geven aan de gemaakte afspraken, met een dwangsom voor het geval hij hier niet aan voldoet. De proceskosten zijn gecompenseerd, gezien de familierelatie tussen partijen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/346390 / KG ZA 25-403
Vonnis in kort geding van 30 december 2025
in de zaak van

1.[eiseres sub 1] ,

in hoedanigheid van erfgename in de nalatenschap van mevrouw [erflaatster] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: ‘ [eiseres sub 1] ’,
2.
[eiser sub 2],
in hoedanigheid van mede-executeur in de nalatenschap van mevrouw [erflaatster] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: ‘ [eiser sub 2] ’,
eisers,
hierna tezamen te noemen: ‘ [eisers] ’,
advocaat: mr. C. Hokken te Eindhoven,
tegen
[gedaagde] PRO SÉ EN QQ,
in hoedanigheid van erfgenaam en mede-executeur in de nalatenschap van mevrouw [erflaatster] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: ‘ [gedaagde] ’,
advocaat: mr. Spera te Maastricht.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 december 2025 met de producties 1 tot en met 15,
- de op 15 december 2025 ingediende producties 1 tot en met 11 van [gedaagde] ,
- de aanvullende productie 12 van [gedaagde] de dato 15 december 2025,
- de mondelinge behandeling van 16 december 2025,
- de pleitnota van [gedaagde] .

2.De feiten

2.1.
Op [overlijdensdatum 1] 2023 is overleden mevrouw [erflaatster] (hierna te noemen: ‘erflaatster’). Erflaatster heeft bij testament van 1 december 2022 voor het laatst over haar nalatenschap beschikt. Zij heeft haar beide kinderen [eiseres sub 1] en [gedaagde] tot haar gezamenlijke erfgenamen benoemd. [eiseres sub 1] en [gedaagde] hebben de nalatenschap van erflaatster zuiver aanvaard.
2.2.
Daarnaast zijn [eiseres sub 1] en [gedaagde] door erflaatster gezamenlijk tot executeur benoemd. [gedaagde] heeft deze benoeming aanvaard. [eiseres sub 1] heeft de benoeming aanvaard en vervolgens haar echtgenoot [eiser sub 2] in haar plaats gesteld als executeur. [gedaagde] en [eiser sub 2] zijn aldus gezamenlijk executeur.
2.3.
Erflaatster was gehuwd met de heer [erflater] , die op [overlijdensdatum 2] 2021 is komen te overlijden (hierna te noemen: “erflater”). Bij testament van 5 februari 2021 heeft erflater over zijn nalatenschap beschikt en heeft hij zijn echtgenote en [eiseres sub 1] en [gedaagde] tot erfgenamen benoemd. De erfgenamen hebben deze nalatenschap zuiver aanvaard.
2.4.
Partijen hebben sinds het overlijden van erflaatster gepoogd om de nalatenschap gezamenlijk af te wikkelen, maar dit lukte steeds niet. Eind 2024 zijn [eisers] een dagvaardingsprocedure jegens [gedaagde] gestart.
2.5.
Op 30 januari 2025 heeft overleg plaatsgevonden tussen partijen over de afwikkeling. Naar aanleiding van dat overleg heeft [gedaagde] op 31 januari 2025 een voorstel aan [eisers] gedaan. Dit voorstel werd niet geaccepteerd. [eisers] hebben toen een tegenvoorstel aan [gedaagde] gedaan. De toenmalige raadsman van [gedaagde] , mr. Delsing, heeft op 3 februari 2025 als volgt op het voorstel gereageerd [1] :
“(…)
Geachte collega,
Naar aanleiding van onderstaande emailbericht met het tegenvoorstel bericht ik u dat cliënt akkoord is.
Concreet betekent dit dat hij in de verdeling geen bedrag aan uw cliënte zal hoeven te voldoen.
Ik zal uitstel voor het indienen de cva verzoeken met uw goedvinden.
(…)”
2.6.
De raadsman van [eisers] heeft vervolgens een concept vaststellingsovereenkomst opgesteld en dit concept op 20 maart 2025 aan mr. Delsing gestuurd. Ondanks herhaaldelijk verzoek bleef een inhoudelijke reactie van [gedaagde] op het concept uit.
2.7.
In de vaststellingsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
“(…)
NEMEN HET NAVOLGENDE IN AANMERKING
● Ter beëindiging en/of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen rechtens tussen hen geldt, zijn partijen ter zake het geschil het navolgende overeengekomen en binden zij zich aan navolgende vaststellingen. Daarbij zijn partijen zich ervan bewust dat zijna ondertekeningniets meer kunnen en zullen doen om deze overeenkomst of enige bepaling daaruit op welke manier dan ook zijn werking te kunnen (laten) ontzeggen en/of
beperken. Onderhavige overeenkomst vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW.
(…)
PARTIJEN ZIJN HET NAVOLGENDE OVEREENGEKOMEN:
(…)
Artikel 3: Afgifte legaten
3.3
Het legaat aan [gedaagde] zal niet eerder worden afgegeven, dan als hij bewijs (een bankafschrift) heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij de navolgende schulden heeft voldaan:
● Aanslag erfbelasting erflater ten name van [eiseres sub 1] (aan [eiseres sub 1] )
● Aanslag erfbelasting erflater ten name van [gedaagde] ;
● Aanslag erfbelasting erflater ten name van erflaatster (deels aan [eiseres sub 1] );
● Legaat [naam 1] en [naam 2] in de nalatenschap van erflater:
En onder de opschortende voorwaarde van afgifte van het legaat aan [gedaagde]
verklaart hij in zijn hoedanigheid van bestuurder van [naam bedrijf 1]
dat [eiseres sub 1] is ontslagen uit (hoofdelijke) aansprakelijkheidvoor
de schuld aan[naam bedrijf 1]
(…)”
2.8.
Op 21 mei 2025 heeft deze rechtbank vonnis gewezen in de dagvaardingsprocedure tussen partijen. [2]
2.9.
Mr. Hokken heeft mr. Delsing op 30 juni 2025 per e-mail als volgt bericht [3] :
“(…)
Geachte confrère,
Telefonisch liet u mij weten nog op onderstaande e-mail te reageren.
Morgen heb ik met cliënten om 13.30 uur een overleg gepland staan met de notaris. Kunt u mij zodoende voor 9.00 uur morgenochtend nog een reactie geven op onderstaande e-mail, zodat ik dit met cliënten kan bespreken. Ik zou eventueel tijd hebben om morgen om 12.15 uur telefonisch te overleggen. Dit zou dan een telefonisch overleg kunnen zijn tussen u, uw cliënt, mijn cliënten en mij, zodat ons duidelijk wordt wat nu de intentie is van uw cliënt met betrekking tot de afwikkeling. Zoals ik al eerder aangaf, ligt er een vonnis, maar als uw cliënt nog vrijwillig zijn medewerking wil verlenen aan een afwikkeling dat moeten we
kijken hoe we dit kunnen vormgeven en waar de mogelijkheden liggen.
Ik verneem graag voorMORGEN 9.00 UUR.
(…)”
2.10.
Op 1 juli 2025 informeerde mr. Delsing mr. Hokken per e-mailbericht als volgt:
“(…)
Geachte collega,
Ik heb namens cliënten in een eerder stadium per emailbericht akkoord gegeven op het initiële voorstel gebaseerd op de bijlage 6 alsmede het afzien van een betaling door client aan uw cliente ivm overbedeling. Er kan dus getekend worden, de notaris kan worden ingeschakeld.
(…)”
2.11.
[gedaagde] heeft op 26 juli 2025 zelf een e-mail gestuurd aan mr. Hokken met onder meer het volgende:
“(…)
Volgens mr. Delsing zou sprake zijn van een regeling met gesloten beurzen. Dat is voor mij
een fundamentele voorwaarde. Om dit te verifiëren, heb ik gisteren contact opgenomen met
de heer [eiser sub 2] . Ook hij kon niet met zekerheid aangeven of dat daadwerkelijk het geval is. We bevinden ons dus beiden in onzekerheid over de uitwerking en de mogelijke financiële consequenties van deze overeenkomst. Op dit moment is mij niet duidelijk of ik na ondertekening nog een bedrag moet betalen - en zo ja, hoeveel precies, aan wie, en
waarvoor. Deze informatie is essentieel. lk kan en zal geen overeenkomst ondertekenen
waarvan de gevolgen voor mij niet volledig en concreet inzichtelijk zijn.
lk richt mij daarom tot u, als opsteller van de vaststellingsovereenkomst, met het uitdrukkelijke verzoek om schriftelijk te bevestigen:
● of er daadwerkelijk sprake is van een afwikkeling met gesloten beurzen;
● of er géén kosten, vorderingen of verplichtingen over en weer meer openstaan;
● en of deze overeenkomst géén verdere financiële gevolgen voor mij meebrengt -
ook niet indirect of via derden.
Voor mij is essentieel om vooraf te weten of ik na ondertekening nog een bedrag moet betalen - en zo ja, aan wie, waarom, en welk bedrag dit betreft. Zonder die duidelijkheid kan ik de overeenkomst niet verantwoord tekenen.
Omdat ik hierover van mr. Delsing en ook van de heer [eiser sub 2] geen concreet en sluitend
antwoord heb ontvangen, is uw toelichting op dit punt cruciaal. lk moet exact weten waarvoor ik teken, en wat de gevolgen daarvan zijn.
Ter informatie: ik heb mr. Delsing niet langer gemachtigd mij te vertegenwoordigen. Voor de lopende hoger beroepzaak heb ik inmiddels mr. Spera van Lexquire aangesteld als mijn
advocaat. De afhandeling van deze vaststellingsovereenkomst heb ik vooralsnog niet aan hem overgedragen, in de hoop dat [eiser sub 2] en ik - als gezamenlijke executeurs – onderling tot een duidelijke en werkbare afronding kunnen komen.
(…)”
2.12.
De nieuwe advocaat van [gedaagde] , mr. Spera, heeft hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van 21 mei 2025. Daarnaast heeft mr. Spera een verzoek ingediend bij de kantonrechter van deze rechtbank om [eiser sub 2] te ontslaan als executeur in de nalatenschap van erflaatster.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen – na eiswijziging ter zitting – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde] zal veroordelen om binnen twee weken na betekening van dit vonnis uitvoering te geven aan de gemaakt afspraken zoals vastgelegd in de VSO (productie 11 bij dagvaarding) onder meer door het verlenen van medewerking aan het passeren van de daartoe noodzakelijke aktes (waaronder de akte levering (verdeling) / afgifte legaat aan [eiseres sub 1] ) en het doen van betalingen zoals onder bullet 1 tot en met bullet 4 omschreven in artikel 3.3 van de overeenkomst;
2. daarbij [gedaagde] zal veroordelen om aan [eiseres sub 1] een dwangsom te betalen van
€ 10.000,00 voor iedere dag dat hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet (te weten het uitvoering geven aan de overeenkomst), tot een maximum van € 250.000,00 is bereikt en zal bepalen dat na het vollopen van de dwangsommen het vonnis in de plaats komt van de medewerking c.q. toestemming c.q. handtekening van [gedaagde] (q.q.) bij/aan afgifte van de legaten aan [eiseres sub 1] (waarbij de inbrengplicht wordt toegerekend op haar erfdeel en rekening wordt gehouden met de schulden die voor haar rekening komen) en zonder medewerking van [gedaagde] tot afgifte van de legaten aan [eiseres sub 1] kan worden overgegaan;
3. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en — voor het geval voldoening niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt — te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;
4. althans vonnis zal wijzen met een gelijke strekking.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Het spoedeisend belang
4.1.
[eisers] hebben – tegenover de betwisting door [gedaagde] – voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang hebben bij toewijzing van het gevorderde. Dit volgt reeds uit de aard van het gevorderde, namelijk nakoming van een vaststellingsovereenkomst. Eisers hebben er belang bij dat de onverdeeldheid inzake de nalatenschap van erflaatster, die reeds op [overlijdensdatum 1] 2023 is opengevallen, zo snel mogelijk wordt afgewikkeld. In tegenstelling tot [gedaagde] is de voorzieningenrechter voorts van oordeel dat de onderhavige zaak zich leent voor behandeling en afdoening in kort geding, nu de vorderingen zien op nakoming van een vaststellingsovereenkomst.
Ten aanzien van de vorderingen
4.2.
[eisers] stellen dat zij met [gedaagde] afspraken hebben gemaakt over de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster en vorderen nakoming van die afspraken. De afspraken zijn vastgelegd in een concept vaststellingsovereenkomst. Dat deze overeenkomst nog niet getekend is door partijen betekent volgens [eisers] echter niet dat partijen nog in onderhandeling zijn. De onderhandelingen zijn afgerond en partijen zijn tot overeenstemming gekomen. [gedaagde] meent nu ten onrechte dat hij niet gebonden is aan de gemaakte afspraken, aldus [eisers] .
4.3.
[gedaagde] betwist dat hij akkoord heeft gegeven op de vaststellingsovereenkomst en voert hiertoe het volgende aan. Partijen hebben nooit feitelijk onderhandeld over de concept vaststellingovereenkomst. Mr. Delsing heeft geen opdracht van [gedaagde] gekregen om de concept vaststellingsovereenkomst te accorderen. [gedaagde] is niet akkoord met de concept vaststellingsovereenkomst, voornamelijk vanwege de pachtrechten. Hij wil precies weten welke financiële gevolgen de vaststellingsovereenkomst voor hem meebrengt voordat hij tekent, want hoe het er op dit moment naar uitziet kan hij niet voldoen aan de financiële verplichtingen die volgen uit de vaststellingsovereenkomst, aldus [gedaagde] .
4.4.
De kernvraag is of partijen overeenstemming hebben bereikt over bepaalde afspraken, die in de (concept) vaststellingsovereenkomst zijn neergelegd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dat voldoende aannemelijk is geworden en overweegt hiertoe als volgt.
4.4.1.
Partijen hebben onderhandeld over de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster, waarbij over en weer voorstellen zijn gedaan. Hierbij zijn verschillende discussiepunten aan bod geweest, waaronder de door [gedaagde] genoemde pachtrechten. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen dit punt nog eens nadrukkelijk in het tussen hen gevoerde debat betrokken. Zowel [eisers] als [gedaagde] hebben tijdens de onderhandelingen juridische bijstand gehad. Op 3 februari 2025 heeft mr. Delsing naar aanleiding van het tegenvoorstel van [eisers] per e-mail aan mr. Hokken laten weten:

Naar aanleiding van onderstaande emailbericht met het tegenvoorstel bericht ik u dat cliënt akkoord is. Concreet betekent dit dat hij in de verdeling geen bedrag aan uw cliënte zal hoeven te voldoen.” [4]
Na dit akkoord heeft mr. Hokken een vaststellingsovereenkomst opgesteld en deze op 20 maart 2025 toegestuurd aan mr. Delsing. In deze periode liep de dagvaardingsprocedure bij de rechtbank die door [eisers] aanhangig was gemaakt. Ondanks de lopende onderhandelingen hebben [eisers] de rechtbank toen om vonnis gevraagd, omdat de vaststellingsovereenkomst nog niet getekend was en zij de voortgang wilden bewaken en beweging in de zaak wilden houden. Op 1 juli 2025 heeft mr. Delsing per e-mail vervolgens op het concept gereageerd:

Ik heb namens cliënten in een eerder stadium per emailbericht akkoord gegeven op het initiële voorstel gebaseerd op de bijlage 6 alsmede het afzien van een betaling door client aan uw cliente ivm overbedeling. Er kan dus getekend worden, de notaris kan worden ingeschakeld.”. [5]
4.4.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat mr. Delsing hiermee expliciet akkoord heeft gegeven namens [gedaagde] op de vaststellingsovereenkomst. Dat de overeenkomst niet werd ondertekend maakt dat niet anders en betekent niet – anders dan [gedaagde] aanvoert onder verwijzing naar de considerans van de vaststellingsovereenkomst [6] – dat partijen niet gebonden kunnen zijn aan de overeenkomst. Er was immers wilsovereenstemming tussen partijen
du momentdat mr. Delsing namens [gedaagde] op 1 juli 2025 schrijft dat getekend kan worden. Zelf trekt [gedaagde] pas op 26 juli 2025 aan de bel bij mr. Hokken door per e-mail te vragen om verduidelijking van de vaststellingsovereenkomst. Ter zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat mr. Delsing niet met hem heeft gesproken over de vaststellingsovereenkomst, dat hij geen uitleg heeft gekregen daarover en dat mr. Delsing slecht bereikbaar was voor hem. Hoewel betreurenswaardig indien wordt uitgegaan van het relaas van [gedaagde] , is dit onvoldoende om tot de conclusie te komen dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen. Voor zover de communicatie tussen mr. Delsing en [gedaagde] over de vaststellingsovereenkomst niet goed zou zijn verlopen – zoals [gedaagde] stelt – ligt dit in de risicosfeer van [gedaagde] en dient dit voor zijn rekening te komen. Immers, uit niets is gebleken dat mr. Delsing [gedaagde] destijds – in ieder geval tot en met 1 juli 2025 – niet op rechtsgeldige wijze vertegenwoordigde. Hiervoor biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt, temeer nu mr. Delsing nog reageerde op de e-mail van de advocaat van [eisers] van de dag ervóór (30 juni 2025) om voor
MORGEN 9.00 UURte reageren. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat dit het slotakkoord vormde van het door partijen gevoerde debat over de verdeling van de op [overlijdensdatum 1] 2023 opengevallen nalatenschap van erflaatster, gedurende welke periode [gedaagde] grotendeels werd vertegenwoordigd door mr. Delsing en er ook al een bodemprocedure door partijen was gevoerd, waarbij [gedaagde] door mr. Delsing werd bijgestaan. Gelet hierop mochten [eisers] er dan ook gerechtvaardigd op vertrouwen dat het akkoord van mr. Delsing werd gegeven namens [gedaagde] . Pas bij e-mail van 26 juli 2025 van [gedaagde] aan mr. Hokken heeft [gedaagde] te kennen gegeven dat mr. Delsing hem niet langer meer vertegenwoordigt. [7] Nu partijen reeds op 1 juli 2025 wilsovereenstemming hadden bereikt, kunnen hieraan echter geen gevolgen worden verbonden in het licht van hetgeen de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen.
4.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter treffen de andere verweren van [gedaagde] evenmin doel, waartoe het volgende.
4.5.1.
Zo heeft [gedaagde] verder aangevoerd dat in de vaststellingsovereenkomst ook de vennootschap [naam bedrijf 2] is betrokken. Wegens het overlijden van erflaatster heeft deze vennootschap echter geen bestuurder of aandeelhouder meer, zodat zij niet rechtsgeldig vertegenwoordigd kon worden bij de vaststellingsovereenkomst en geen medewerking kon verlenen aan de gemaakte afspraken. Daarnaast, zo betoogt [gedaagde] verder, is ook de echtgenote van [gedaagde] , [naam echtgenote] (hierna: [naam echtgenote] ), partij in de vaststellingsovereenkomst. Volgens [gedaagde] is hierover nooit onderhandeld met [naam echtgenote] en bovendien is niet gebleken dat mr. Delsing (ook) [naam echtgenote] in en buiten rechte bijstond.
4.5.2.
Wat hier ook van zij, uit het onderliggende dossier blijkt op geen enkele wijze dat dit eerder een
issuewas tussen partijen. Eerst ter zitting duikt dit argument op. Zelfs in de brief van 26 juli 2025 van [gedaagde] rept deze er met geen woord over, noch over de betrokkenheid van de vennootschap noch over die van [naam echtgenote] . Ook in het verzoekschrift tot ontslag van [eiser sub 2] als (mede-)executeur is dit punt niet aan de orde. Gelet hierop gaat de voorzieningenrechter aan dit verweer voorbij. Wat betreft het door [gedaagde] gestelde ontbreken van vertegenwoordigingsbevoegdheid van de vennootschap bij gebreke van een bestuurder wijst de voorzieningenrechter erop dat (tijdelijke) leegstand in beginsel niet in de weg hoeft te staan aan het verrichten van (rechts)handelingen door een vennootschap c.q. het aangaan van verplichtingen. Via de algemene vergadering van (de nieuwe) aandeelhouders (in het geval van [naam bedrijf 2] : [eiseres sub 1] [8] ) dient dan een nieuwe bestuurder te worden benoemd, waarna de rechtshandeling expliciet of stilzwijgend kan worden bekrachtigd.
4.5.3.
Daarnaast voert [gedaagde] aan dat het duidelijk is dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen, nu hij bij nakoming van de vaststellingsovereenkomst aanzienlijk financieel nadeel zou leiden. Gezien hetgeen de voorzieningenrechter hiervoor heeft geoordeeld ten aanzien van de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst, gaat dit verweer niet op. [gedaagde] werd rechtsgeldig vertegenwoordigd door een advocaat, toen hij met [eisers] wilsovereenstemming bereikte. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat mr. Delsing hierbij de (financiële) belangen en wensen van [gedaagde] heeft betrokken. In het licht hiervan dienen de gevolgen, voor zover [gedaagde] die onwenselijk vindt, dan ook voor zijn rekening te komen, nu zulks in zijn risicosfeer ligt.
4.5.4.
[gedaagde] heeft eveneens aangevoerd dat het petitum een obscuur libel is. [gedaagde] is gedagvaard in hoedanigheid van erfgenaam en mede-executeur. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is uit de dagvaarding en het petitum voldoende duidelijk af te leiden in welke hoedanigheid van partijen de vorderingen jegens [gedaagde] zijn ingesteld.
4.6.
Gelet op al het vorenstaande is de gevraagde voorziening onder 1 van het petitum voor toewijzing vatbaar, met dien verstande dat hieraan een termijn zal worden gekoppeld van drie maanden. [9] De voorzieningenrechter wijst er op dat binnen deze termijn, gelet op het hierna volgende, alle onderdelen van de vaststellingsovereenkomst moeten zijn uitgevoerd.
4.7.
[eisers] vorderen onder 2 van het petitum dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom aan [eiseres sub 1] indien hij niet zijn volledige medewerking verleent aan de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst. Ze vorderen daarnaast dat dit vonnis na het vollopen van de dwangsommen in de plaats treedt van de medewerking c.q. toestemming c.q. handtekening van [gedaagde] (q.q.) bij/aan afgifte van de legaten aan [eiseres sub 1] . [eisers] doelen daarbij kennelijk op de voorziening van artikel 3:300 lid 1 BW.
4.7.1.
Ook dit is voor toewijzing vatbaar, zodat de voorzieningenrechter [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een dwangsom voor het geval hij geen uitvoering geeft aan de gemaakte afspraken zoals vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst, anders dan de afgifte van de legaten aan [eiseres sub 1] (zie hierna onder 4.7.2). De dwangsom zal worden gematigd op de hierna in het dictum geformuleerde wijze.
4.7.2.
Uitgezonderd van het voorgaande zullen zijn alle rechtshandelingen inzake de afgifte van de legaten aan [eiseres sub 1] . Dienaangaande zal dit vonnis in de plaats treden van de medewerking c.q. toestemming c.q. handtekening van [gedaagde] (q.q.), indien [gedaagde] niet binnen drie maanden na betekening van dit vonnis meewerkt. Er zal derhalve aan dit deel van het gevorderde geen dwangsom worden verbonden, omdat dit dubbelop zou zijn.
Proceskosten
4.8.
Gelet op de familierelatie tussen partijen ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.9.
Zoals gevorderd zal dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis uitvoering te geven aan de gemaakte afspraken zoals vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst (productie 11 bij dagvaarding) onder meer door het verlenen van medewerking aan het passeren van de daartoe noodzakelijke aktes (waaronder de akte levering (verdeling) / afgifte legaat aan [eiseres sub 1] ) en het doen van betalingen zoals onder bullet 1 tot en met bullet 4) omschreven in artikel 3.3 van de overeenkomst;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres sub 1] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere dag dat hij niet aan de hoofdveroordeling onder 5.1. voldoet, te weten het uitvoering geven aan de overeenkomst met uitzondering van afgifte van de legaten aan [eiseres sub 1] , tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,
5.3.
bepaalt dat, indien [gedaagde] niet binnen drie maanden na betekening van dit vonnis aan de hoofdveroordeling in 5.1. voldoet, bestaande uit afgifte van de legaten aan [eiseres sub 1] , dit vonnis in de plaats zal komen van de medewerking c.q. toestemming c.q. handtekening van [gedaagde] (q.q.) bij/aan afgifte van de legaten aan [eiseres sub 1] ;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025.
DS

Voetnoten

1.Productie 8 van [eisers] .
2.Productie 9 van [eisers] .
3.Productie 10 van [eisers] .
4.Zie rov. 2.5.
5.Zie rov. 2.9.
6.Zie rov. 2.7.
7.Zie rov. 2.10.
8.Aan [gedaagde] komen volgens artikel 2.3 van de vaststellingsovereenkomst de aandelen van [naam bedrijf 1] BV toe.
9.De gevorderde termijn van twee weken acht de voorzieningenrechter niet realistisch, nu partijen c.q. [gedaagde] voor de benodigde notariële aktes afhankelijk zijn van de agenda van derden, waaronder de notaris.