ECLI:NL:RBLIM:2025:13044

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
11803107 \ CV EXPL 25-2976
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:83 BWArt. 6:87 BWArt. 6:96 BWArt. 6:265 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onduidelijkheid over herstelwerkzaamheden camper en ontbindingsovereenkomst

Eisers sloten een overeenkomst met erflater voor herstelwerkzaamheden aan hun camper. Na langdurige correspondentie en gedeeltelijke uitvoering haalden eisers de camper op en ontbonden zij de overeenkomst wegens vermeende tekortkomingen en gebreken.

Eisers vorderden terugbetaling van betaalde bedragen en schadevergoeding voor herstel door derden. De erfgenamen van erflater betwistten de vorderingen en stelden dat niet duidelijk is welke werkzaamheden overeengekomen waren en dat er geen sprake is van tekortkoming.

De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst zowel aanneming van werk als consumentenkoop betreft, waarbij bij tegenstrijdigheid de consumentenkoopregels gelden. Eisers slaagden er niet in aannemelijk te maken welke werkzaamheden precies waren overeengekomen en dat er sprake was van non-conformiteit of tekortkoming.

Daarom was de ontbinding niet rechtsgeldig en bestond geen recht op terugbetaling of schadevergoeding. De vorderingen werden afgewezen en eisers werden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vorderingen van eisers worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van tekortkoming en onduidelijkheid over overeengekomen werkzaamheden.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11803107 \ CV EXPL 25-2976
Vonnis van 31 december 2025
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,2. [eiser sub 2] ,

beiden te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. C. Canters,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,2. [gedaagde sub 2] ,3. [gedaagde sub 3] ,4. [gedaagde sub 4] ,5. [gedaagde sub 5] ,

allen in hoedanigheid van erfgenaam van [erflater],
h.o.d.n. [handelsnaam] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: de erfgenamen en [erflater] ,
gemachtigde: mr. S.M.M. Hamers.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de rolbeslissing van 30 juli 2025
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte overlegging producties, tevens akte bewijsaanbod van [eisers] met producties 15 tot en met 24
- de mondelinge behandeling van 12 november 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt en waarbij [eisers] spreekaantekeningen hebben overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen [eisers] en [erflater] is een overeenkomst tot stand gekomen. Deze overeenkomst hield in dat [erflater] werkzaamheden zou uitvoeren aan de camper van [eisers] Een werknemer van [erflater] , de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), heeft aanvankelijk werkzaamheden aan de camper uitgevoerd. Daarna heeft [erflater] zelf werkzaamheden aan de camper uitgevoerd.
2.2.
[naam 1] spreekt in zijn e-mail van 24 februari 2023 aan [eisers] over een restauratie. In deze e-mail heeft [naam 1] de werkzaamheden waaruit de restauratie zou bestaan opgesomd en medegedeeld dat het herstel ongeveer € 45.000,00 zal gaan kosten en dat de benodigde doorlooptijd drie maanden zal zijn vanaf het moment van aanvang van de werkzaamheden.
2.3.
[eisers] hebben bij e-mail van 26 februari 2023 akkoord gegeven op de voorgestelde werkzaamheden en daarnaast nog een opsomming gegeven van verschillende werkzaamheden die zij daarnaast nog wensten.
2.4.
[erflater] heeft bij e-mail van 28 februari 2023 gereageerd dat een van de aanvullende werkzaamheden reeds is uitgevoerd en dat de rest meerwerk betreft en dat dit zal worden uitgevoerd op basis van nacalculatie. [erflater] heeft in die e-mail tevens medegedeeld dat de restauratie op zijn vroegst eind juni klaar is en dat daarna het meerwerk zal worden uitgevoerd
.
2.5.
[eisers] hebben per e-mail van 28 februari 2023 gereageerd dat ze hierover moesten nadenken.
2.6.
De werkzaamheden die in de onder 2.2 genoemde e-mail zijn opgesomd en op ca. € 45.000,00 zijn geraamd (restauratie), zijn uiteindelijk door derde partijen uitgevoerd. Daarna hebben [eisers] de camper teruggebracht naar [erflater] .
2.7.
Partijen hebben maandenlang per e-mail gecorrespondeerd over de werkzaamheden. [erflater] heeft gewezen op problemen bij het uitvoeren van de werkzaamheden. [eisers] hebben per e-mail van 20 september 2024 aan [erflater] medegedeeld dat zij de camper ergens anders willen laten afbouwen. [eisers] hebben medegedeeld dat zij de camper, gebruiksklaar gemaakt, wilden ophalen. In die e-mail is verder – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
“(…)
De gasboiler of welke andere spullen ook hoeven niet meer besteld te worden.
We hebben een kampeerwagen bij [handelsnaam] gebracht met een aantal storingen.
In de kampeerauto waren onder andere geinstalleerd:
  • een goed werkende Victron Multiplus omvormer
  • 2 nieuwe Bosch goed werkende auto accu’s
  • een nieuwe goedwerkende Victron accu.
Mijn voorstel is: we betalen de factuur.
Ik stel voor eerst een bedrag als aanbetaling en daarna en nadat we de rekening hebben gekregen en de specificatie hebben kunnen inzien, het restbedrag.
Voordat we de aanbetaling doen bouwt [handelsnaam] de apparatuur in, die allemaal is losgekoppeld en gedemonteerd zodat we de kampeerauto kunnen rijden zoals de:
  • gereviseerde dynamo
  • fietsenrek met werkende verlichting.
Ook graag:
  • loshalen van de polen van de victron accu
  • uitschakelen van de Victron Multiplus
  • zonnepanelen ‘uitzetten’ (? Buiten werking stellen)
  • randapparatuur uit zetten.
Graag in de kampeerauto verzamelen de overige ‘apparatuur’ zoals
  • koelkast
  • waterpomp en nieuwe slangen
  • dieselverwarming
  • deurtje aggregaat
  • de door mij aangeschafte tracker
  • Etc
(…)
We kunnen geen enkele aanspraak maken op garantie in deze situatie (…).”
2.8.
[eisers] hebben de camper op 28 oktober 2024 bij [erflater] opgehaald.
2.9.
[eisers] hebben op 15 december 2024 een brief aan [erflater] gestuurd en daarin is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
“(…)
Voor de goede orde is niet meer aan de orde dat u in de gelegenheid wordt gesteld om binnen een bepaalde termijn de zaak te alsnog te herstellen. (…) [handelsnaam] heeft voldoende tijd en gelegenheid gekregen om de werkzaamheden te verrichte en de storingen te verhelpen of repareren.
(…)”
Gezien het feit dat er geen sprake is van enige structurele oplossing en de werkelijke toegevoegde waarde dat gebleken is dat de uitkomst of het resultaat van de verrichte werkzaamheden inmiddels zwaar te betwijfelen valt, ben ik van mening dat ik recht heb op een gedeeltelijke terugbetaling van de gemaakte kosten. (…)
Ik verzoek u dan ook om binnen 7 dagen na dagtekening van deze brief ten minste een deel van de betaalde rekening terug te betalen, en wel het bedrag van € 10.000,-. Indien u geen gehoor geeft aan dit verzoek, ben ik genoodzaakt juridische stappen te ondernemen, waaronder het inschakelen van een deurwaarder en/of het zoeken van juridische bijstand voor schadevergoeding.
(…)
2.10.
[eisers] hebben op 27 januari 2025 een brief aan [erflater] gestuurd met onder andere de volgende inhoud:
“(…)
[eiser sub 1] heeft u meermaals gewezen op het feit dat de werkzaamheden wel erg lang duren, zonder vooruitzicht op een datum dat de problemen verholpen zijn (onder ander per e-mail van 18 september 2024). Per e-mail van 20 september 2024 doet de heer [eiser sub 1] een voorstel met betrekking tot het ophalen van de camper.
Later, nadat de camper was opgehaald, bleek dat u zich niet aan de gemaakte afspraken had gehouden en er verschillende nieuwe gebreken waren ontstaan aan de camper. Ook ontbraken verschillende onderdelen en waren onderdelen van de camper vervangen zonder dat daartoe opdracht was gegeven of overleg was gevoerd. Uw reactie daarop was dat het dossier is gesloten en dat u geen verdere uitleg gaat geven.
Ingevolge artikel 6:83 sub c BW Pro ben u daardoor in verzuim, waardoor [eisers] het recht heeft de overeenkomst (gedeeltelijk) te ontbinden (artikel 6:265 jo Pro. Artikel 6:270 BW Pro). voor zover hij die overeenkomst nog niet hand ontbonden, wordt de overeenkomst middels deze brief ontbonden.
Als gevolg van de ontbinding worden partijen bevrijd van de wederzijdse verbintenissen. Er ontstaat voor partijen een ongedaanmakingsverplichting van de door hen ontvangen prestaties, conform artikel 6:271 BW Pro. enerzijds is er onder aan de streep niks aan de camper hersteld. Er is dus in dat opzicht niks ongedaan te maken. Er is immers geen resultaat van de herstelwerkzaamheden. Voor zover er wel resultaat is behaald met betrekking tot de werkzaamheden geldt dat er ook apparatuur ontbreekt of kapot is gegaan, waardoor dat (eventuele minimale) resultaat niet dient te worden meegewogen. Anderzijds is er wel € 35.000,00 betaald. Die betaling dient ongedaan te worden gemaakt. (…)”
2.11.
[erflater] is niet overgaan tot betaling van enig bedrag aan [eisers] .
2.12.
[erflater] is na betekening van de dagvaarding overleden. De erfgenamen treden in zijn plaats.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen – samengevat – om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de erfgenamen te veroordelen:
primair
I. tot betaling van een bedrag van € 41.065,07, te vermeerderen met de wettelijke rente;
subsidiair
II. tot betaling van een bedrag van 17.007,97, te vermeerderen met de wettelijke rente;
zowel primair als subsidiair
III. in de proceskosten, alsmede de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eisers] leggen aan de primaire vordering het volgende ten grondslag. De camper is in mei 2022 naar [erflater] gebracht voor herstelwerkzaamheden. Er is sprake van een gemengde overeenkomst (consumentenkoop en aanneming van werk). In artikel 7:5 lid 4 BW Pro is bepaald dat in dat geval de regels van zowel consumentenkoop als van aanneming van werk van toepassing zijn. Bij strijdigheid tussen de regels, gaan de regels van consumentenkoop voor. Artikelen 7:17 jo. 7:18 BW bepalen dat een afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden. De afspraken die zijn gemaakt met betrekking tot de herstelwerkzaamheden zijn geenszins nagekomen. Het werk van [erflater] is op grond van artikel 7:18a lid 1 sub a BW non-conform. [erflater] is gedurende ruim twee jaar in de gelegenheid geweest om de werkzaamheden uit te voeren, maar is daar niet in geslaagd. [eisers] hebben de overeenkomst bij brief van 27 januari 2025 ontbonden. [eisers] waren daar bevoegd toe op grond van artikel 7:22 lid 1 onder Pro a BW en artikel 7:22 lid 5 BW Pro. Gezien de omstandigheden kon niet worden gevergd dat [eisers] aan [erflater] de mogelijkheid gaven om te herstellen. [erflater] had namelijk aangegeven dat hij niet bereid was om over te gaan tot kosteloos herstel en verkeerde daarom in verzuim in de zin van artikel 6:83 sub c BW Pro. [erflater] is overeenkomstig artikel 6:74 BW Pro tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Om die reden had [eisers] ook het recht om de overeenkomst te ontbinden op grond van artikel 6:265 BW Pro. [eisers] heeft in totaal een bedrag van € 41.065,07 betaald aan [erflater] . Die betaling dient terugbetaald te worden gezien de ongedaanmakingsverplichtingen van artikel 6:271 BW Pro. Ten aanzien van de subsidiaire vordering wordt het volgende ten grondslag gelegd. In de brief van 15 december 2024 (omzettingsverklaring) zijn juridische stappen aangekondigd met betrekking tot het verkrijgen van een schadevergoeding. De verbintenis om na te komen werd met die omzettingsverklaring omgezet naar een vervangende schadevergoeding aldus artikel 6:87 BW Pro. [eisers] hebben op grond van artikel 7:24 lid 1 BW Pro en artikel 6:96 jo Pro. 6:277 BW recht op schadevergoeding omdat zij schade hebben geleden als gevolg van de tekortkoming in de nakoming van [erflater] en de daaropvolgende ontbinding. [eisers] hebben namelijk, nadat de camper was opgehaald, twee andere partijen ( [naam 2] en [naam 3] ) ingeschakeld om werkzaamheden aan de camper te laten verrichten. Dit betroffen werkzaamheden die [erflater] eigenlijk had moeten uitvoeren en herstelwerkzaamheden voor het ‘prutswerk’ van [erflater] . [eisers] hebben hiervoor in totaal € 17.007,97 betaald.
3.3.
De erfgenamen voeren verweer. De erfgenamen concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel de vorderingen te ontzeggen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
3.4.
De erfgenamen betwisten dat de camper al in mei 2022 naar [erflater] is gebracht voor herstelwerkzaamheden, althans dat het niet kan gaan om de herstelwerkzaamheden waar [eisers] op doelen in de dagvaarding. Over de invulling van die werkzaamheden is namelijk pas voor het eerst in februari 2023 gecorrespondeerd. De gevorderde bedragen van € 5.455,35 en € 609,72 zijn al in 2022 betaald en kunnen dus niet zien op de overeenkomst waar [eisers] op doelen. Uit de e-mail van [erflater] van 26 februari 2023 volgt dat een deel van de werkzaamheden zou worden verricht tegen een bedrag van ongeveer € 45.000,00 en dat de verdere werkzaamheden (die [eisers] hebben aangehaald) zouden worden verricht op basis van nacalculatie. [eisers] hebben bij e-mail van 28 februari 2023 bericht dat zij hierover moesten nadenken. Hieruit volgt dus niet dat [eisers] hiermee hebben ingestemd. Het is daarom niet duidelijk over welke herstelwerkzaamheden [eisers] spreken met betrekking tot hun vordering. De erfgenamen betwisten dat zaken verkeerd geïnstalleerd zijn dan wel niet deugdelijk zijn verricht en dat de camper gebreken vertoonde. [eisers] hebben zelf ervoor gekozen om de camper op te halen, terwijl zij wisten dat deze niet af was. [eisers] wilden zelf dat niet alles werd ingebouwd en daarop heeft [erflater] laten weten dat de camper in dat geval zonder discussie moest worden opgehaald. De erfgenamen betwisten dat er een grondslag bestaat om de overeenkomst te ontbinden aangezien uit niets volgt dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. [erflater] is niet de mogelijkheid geboden tot herstel, dus van verzuim kan geen sprake zijn. Ten aanzien van de subsidiaire vordering wordt het volgende aangevoerd. De erfgenamen betwisten dat de bedragen aan [naam 2] zijn betaald, dat deze betalingen zijn verricht ten behoeve van de camper en dat een en ander verband zou houden met het werk dat [erflater] heeft verricht. De factuur van [naam 3] betreft (grotendeels) een onderhoudsbeurt en houdt dus geen verband met de werkzaamheden die [erflater] heeft verricht.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Dienen de erfgenamen een bedrag van € 41.065,07 te betalen aan [eisers] ?
4.1.
Vooropgesteld wordt, zoals reeds in het tussenvonnis overwogen, dat de tussen partijen gesloten overeenkomst voldoet aan de omschrijving van zowel aanneming van werk als consumentenkoop, zodat in beginsel de regels van aanneming van werk en consumentenkoop naast elkaar van toepassing zijn. Ingeval van tegenstrijdigheid tussen die bepalingen zijn, op grond van artikel 7:5 lid 4 BW Pro, de regels van consumentenkoop van toepassing.
4.2.
[eisers] leggen allereerst aan de vordering ten grondslag dat op grond van artikel 7:18a lid 1 sub a BW sprake is van non-conformiteit vanwege verkeerde installatie
en dat de overeenkomst daarom ontbonden kon worden op grond van de consumentenrechtelijke ontbindingsbepalingen. Voor zover daarvan uitgegaan moet worden, geldt het volgende. In artikel 7:18a lid 1 sub a BW is bepaald dat in geval van een consumentenkoop elk gebrek aan overeenstemming van de zaak met de overeenkomst als gevolg van een verkeerde installatie van de zaak wordt beschouwd als het niet beantwoorden van het afgeleverde aan de overeenkomst, indien de installatie deel uitmaakt van de koop en werd uitgevoerd door de verkoper of onder diens verantwoordelijkheid. Deze bepaling is van dwingend recht. De eerste vraag die dan beantwoord dient te worden is of de werkzaamheden die aan de camper zijn uitgevoerd aan de overeenkomst beantwoorden. Die vraag moet beoordeeld worden naar het moment van aflevering, dat is in dit geval het moment dat [eisers] de camper bij [erflater] ophaalden. [eisers] moeten als opdrachtgevers/kopers bewijzen dat het opgeleverde werk (inclusief de geleverde materialen en vervangen onderdelen) niet aan de overeenkomst beantwoordt. Daartoe dient allereerst vast te staan wat partijen nu eigenlijk overeengekomen zijn. [eisers] hebben dat naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt. Zij stellen dat zij in mei 2022 met [erflater] een mondelinge overeenkomst sloten met betrekking tot het uitvoeren van herstelwerkzaamheden en dat zij de camper in mei 2022 daarvoor bij [erflater] hebben gebracht. Welke werkzaamheden dat (toen) waren, hebben zij niet gesteld. Wel is gebleken dat [eisers] in 2022 tweemaal bedragen aan [erflater] hebben betaald, die blijkens de betaalbewijzen met de camper hadden te maken (€ 5.455,35 en € 609,72).
In de onder 2.2 bedoelde e-mail van 24 februari 2023 zijn bepaalde restauratiewerkzaamheden benoemd die dienden te worden uitgevoerd. Op die werkzaamheden hebben [eisers] daarna per e-mail van 28 februari 2023 een akkoord gegeven en ze aangevuld met werkzaamheden die uiterlijk in de eerste week van april 2023 klaar moesten zijn (zie onder 2.3). Dit betrof meerwerk en zou op nacalculatie worden gedaan. Ter mondelinge behandeling is gebleken dat de restauratiewerkzaamheden waarover partijen hebben gecorrespondeerd door derden zijn uitgevoerd (zie 2.6). Deze werkzaamheden maken dus kennelijk geen deel meer uit van het in 2023 opgedragen werk. Welke werkzaamheden dan wel aan [erflater] zijn opgedragen, voordat de camper voor restauratie bij derden werd geplaatst, dan wel na terugkomst van de camper bij [erflater] , is niet duidelijk.
[eisers] vorderen ook de terugbetaling van de twee in 2022 betaalde bedragen. Deze bedragen kunnen niet zien op de werkzaamheden die in 2023 zijn opgedragen. Evenmin is duidelijk (zie hiervoor) voor welk werk in 2022 deze bedragen aan [erflater] betaald zijn.
Naast dat niet duidelijk is geworden wat partijen bij aanvang of gedurende het werk zijn overeengekomen, is van belang dat vóór het moment van afleveren, namelijk op 20 september 2024, [eisers] een wensenlijst aan [erflater] hebben gestuurd met betrekking tot de nog uit te voeren werkzaamheden om de camper op te kunnen halen c.q. rijklaar te maken. Dit kwam erop neer dat verschillende werkzaamheden niet uitgevoerd hoefden te worden en dat bepaalde onderdelen in de camper gelegd konden worden (zie r.o. 2.7). Op 23 september 2024 hebben [eisers] per e-mail een wensenlijst gestuurd die afwijkt van de lijst zoals gestuurd op 20 september 2024. Dat [erflater] niet alle aanvankelijk afgesproken werkzaamheden – welke dat dan ook mogen zijn – heeft verricht kan [erflater] niet worden tegengeworpen. Partijen zijn naderhand immers overeengekomen dat de in de mails van 20 en/of 23 september 2024 genoemde werkzaamheden zouden volstaan. [eisers] hebben daarmee geaccepteerd dat zij een camper ontvingen waarbij niet alle aanvankelijk afgesproken werkzaamheden en meerwerken waren uitgevoerd en waarbij juist onderdelen waren losgekoppeld en uitgeschakeld. [eisers] hebben daar ook voor betaald.
Omdat niet duidelijk is wat partijen aanvankelijk of in de loop van de tijd daadwerkelijk zijn overeengekomen, kan de kantonrechter niet oordelen op welke specifieke punten [erflater] de opgedragen werkzaamheden niet naar behoren heeft uitgevoerd, waardoor sprake zou zijn van een gebrek aan overeenstemming van de uitgevoerde werkzaamheden (inclusief geleverde materialen en vervangen onderdelen) met de overeenkomst en dat dit het gevolg is van een verkeerde installatie. [eisers] hebben onvoldoende gesteld en onderbouwd om te kunnen oordelen dat sprake is van non-conformiteit in de zin van artikel 7:18a lid 1 sub a BW. Daarom komt de kantonrechter tot het oordeel dat de overeenkomst niet rechtsgeldig ontbonden is op grond van artikel 7:22 BW Pro.
4.3.
Nu niet wordt geoordeeld dat het afgeleverde niet aan de overeenkomst beantwoordt, komt de kantonrechter niet toe aan de vraag of [eisers] aan [erflater] op grond van artikel 7:21 lid 1 en Pro 2 BW de mogelijkheid had moeten bieden tot herstel of dat de overeenkomst onmiddellijk ontbonden had kunnen worden op grond van lid 5 sub d van dit artikel.
4.4.
[eisers] leggen ten tweede aan de vordering ten grondslag dat [eisers] op grond van artikel 6:265 BW Pro het recht hadden om de overeenkomst te ontbinden.
4.5.
De kantonrechter overweegt als volgt. De algemene bepalingen van het verbintenissenrecht zijn onverminderd van toepassing op de overeenkomst. Zoals bepaald in artikel 6:265 BW Pro geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De partij die ontbinding wenst, dient het bestaan van een tekortkoming te stellen en zo nodig te bewijzen. De eerste vraag die beantwoord dient te worden is of sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis aan de zijde van [erflater] . Dit zijn de verplichtingen die op [erflater] rusten als aannemer en als verkoper. Zoals reeds overwogen is het niet duidelijk wat partijen uiteindelijk daadwerkelijk zijn overeengekomen en daarom kan de kantonrechter ook niet toetsen of en op welke wijze [erflater] in zijn verbintenissen is tekortgeschoten. De kantonrechter komt op grond van het voorgaande dus niet tot het oordeel dat [erflater] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenis.
4.6.
De kantonrechter merkt op dat [eisers] bij dagvaarding stellen dat sprake is van algehele ontbinding van de overeenkomst. Pas voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling doen [eisers] , indien gehele ontbinding geen stand houdt, een beroep op gedeeltelijke ontbinding op de punten die niet goed zijn uitgevoerd (verwijzend naar de overzichten van producties 18 en 19). [eisers] hebben dit niet verder gespecificeerd of een eiswijziging ingediend. De kantonrechter zal dan ook voorbij gaan aan dit standpunt van [eisers]
4.7.
Op grond van het voorgaande is geen sprake van een rechtsgeldige buitengerechtelijke ontbinding en zijn dus ook geen ongedaanmakingsverplichtingen tussen partijen ontstaan. Het primair gevorderde wordt daarom afgewezen.
4.8.
Al hetgeen verder is gesteld leidt niet tot een ander oordeel en kan dus buiten bespreking blijven.
Dienen de erfgenamen een bedrag van € 17.007,97 te betalen aan [eisers] ?
4.9.
[eisers] stellen schade te hebben geleden door een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [erflater] en de daarop volgende ontbinding van de overeenkomst. Zij hebben andere bedrijven aan de camper het werk laten verrichten dat [erflater] had moeten doen. Nu de kantonrechter hiervoor al heeft geoordeeld dat niet duidelijk is wat partijen zijn overeengekomen, dus waar de overeenkomst precies uit bestond, en dat dus ook niet kan worden vastgesteld dat [erflater] in zijn verplichtingen is tekortgeschoten, kan de stelling van [eisers] geen stand houden. Als niet duidelijk is wat van [erflater] verwacht mocht worden, is evenmin duidelijk welke werkzaamheden anderen dan in zijn plaats zouden hebben moeten doen. De subsidiaire vordering wordt eveneens afgewezen.
Bewijsaanbod
4.10.
Nu de vorderingen op grond van het voorgaande worden afgewezen, ziet de kantonrechter geen aanleiding [eisers] toe te laten tot bewijslevering (horen van getuigen) met betrekking tot het niet juist uitvoeren van het meerwerk.
Proceskosten
4.11.
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de erfgenamen worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.630,00
(2 punten × € 815,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.765,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 1.765,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
SH