ECLI:NL:RBLIM:2025:13177

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
C/03/337771 / FA RK 25-1
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om gezamenlijk gezag en wijziging omgangsregeling afgewezen wegens verstoorde communicatie tussen ouders

In deze zaak heeft de rechtbank Limburg op 10 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek van de vader om gezamenlijk gezag over zijn twee minderjarige kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2], en om een wijziging van de omgangsregeling. De vader verzocht om samen met de moeder met het gezamenlijk gezag te worden belast en om de omgangsregeling uit te breiden. De moeder voerde verweer en concludeerde tot afwijzing van het verzoek van de vader. De rechtbank heeft vastgesteld dat de ouders in een ernstig verstoorde verhouding verkeren, wat leidt tot een loyaliteitsconflict bij de kinderen. De rechtbank oordeelde dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders, en dat het gezamenlijk gezag op dit moment niet in het belang van de kinderen is. De rechtbank heeft het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag afgewezen en ook de uitbreiding van de omgangsregeling niet toegewezen, omdat de huidige omgangsregeling niet goed verloopt en de kinderen wisselende signalen geven. De rechtbank heeft de ouders geadviseerd om hulpverlening in te schakelen om de communicatie te verbeteren. De rechtbank heeft wel bepaald dat de kinderen op Vaderdag en de verjaardagen van de ouders bij de respectieve ouders zullen verblijven, maar het verzoek van de vader om de omgangsregeling verder uit te breiden is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 10 december 2025
Zaaknummer: C/03/337771 / FA RK 25-1
De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de volgende beschikking gegeven inzake:
[de vader] ,
verzoeker, verder te noemen: de vader,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. R.F. Cohen, kantoorhoudend in Sittard, gemeente Sittard-Geleen,
en:
[de moeder] ,
wederpartij, verder te noemen: de moeder,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. I.F.H. Nelissen, kantoorhoudend in Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bij deze zaak betrokken:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie Maastricht, hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlage van de vader, ontvangen op 2 januari 2025;
  • het verweerschrift met bijlagen tevens houdend zelfstandig verzoek van de moeder, ontvangen op 20 november 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling alwaar de hoofdzaak en de voorlopige voorziening (zaaknummer C/03/346578 / FA RK 25-2330) tezamen doch niet gevoegd zijn behandeld, met gesloten deuren, heeft plaatsgevonden op 25 november 2025, waarbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • een vertegenwoordigster van de raad.
1.3.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn door de rechtbank in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt en hebben op 17 november 2025 in een gesprek met de kinderrechter, buiten aanwezigheid van de overige belanghebbenden, hun mening kenbaar gemaakt. De kinderrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling een korte samenvatting daarvan aan de aanwezigen voorgehouden waarop eenieder heeft kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Uit de inmiddels beëindigde relatie van de ouders zijn geboren:
  • [minderjarige 1] , in [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2015; en
  • [minderjarige 2] , in [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2017.
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
2.3.
De moeder oefent alleen het gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de moeder.
2.5.
De ouders zijn in januari 2023 een omgangsregeling overeengekomen waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als volgt bij de vader verblijven:
  • een keer per veertien dagen in de even weken op dinsdag na school (of 14.45 uur) tot 17.15 uur;
  • een keer per veertien dagen in de even weken de zaterdag na voetbal (of 10.00 uur) tot 18.00 uur;
  • één kerstdag;
  • indien gewenst op de verjaardag van de vader en de moeder;
  • tijdens schoolvakanties loopt de regeling door;
  • er vinden geen overnachtingen plaats.

3.Het geschil

3.1.
De vader heeft – naar de rechtbank begrijpt – verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen dat de vader samen met de moeder met het gezamenlijk gezag wordt belast over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
de door de ouders in onderling overleg overeengekomen omgangs-/zorgregeling te wijzigen in die zin dat de volgende regeling zal gelden: iedere dinsdag na school van 14.45 uur tot 19.00 uur, alsmede eenmaal per twee weken een weekend van vrijdag na school 14.45 uur tot maandag naar school 8.30 uur, alsmede gedurende de vakanties en de feestdagen op navolgende wijze:
- zomervakantie: in de even jaren verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de laatste drie weken bij de vader. In de oneven jaren zullen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de eerste drie weken bij de vader verblijven;
- overige vakanties: in de even jaren verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de gehele meivakantie bij de vader. In de oneven jaren verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de gehele voorjaarsvakantie bij de vader;
- feestdagen: in de even jaren verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met Kerst 26 en 27 december bij de vader. In de oneven jaren verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met Kerst 24 en 25 december bij de vader. In de even jaren verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nieuwjaar op 1 januari bij de vader en in de oneven jaren op 31 december bij de vader. Op Vaderdag verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader en op Moederdag verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder.
- verjaardag: [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op de verjaardag van de vader bij de vader en op de verjaardag van de moeder bij de moeder,
althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie acht.
3.2.
De moeder voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek van de vader. De moeder heeft verder bij wege van zelfstandig verzoek verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • primair: te bepalen dat de vader zich houdt aan gemaakte afspraken en terugbrengtijdstippen op verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor elke keer dat er door de vader niet wordt voldaan aan de in deze te wijzen beschikking;
  • subsidiair: te bepalen dat de moeder de kinderen voortaan bij de vader thuis op het afgesproken tijdstip mag ophalen, waarbij de vader op dat tijdstip zelf aanwezig is met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

4.De mening van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

4.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] geven aan dat de vader rustiger is geworden sinds de geboorte van hun halfzusje [naam] . De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gevraagd of zij vaker naar de vader toe komen, maar dat willen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet ondanks dat het beter gaat met de vader. Zij vinden het goed zoals de omgangsregeling nu loopt. Tot slot vertellen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de vader eerder negatief sprak over de moeder, maar dat gaat nu beter. Zo heeft de vader een keer iets naars gezegd over de moeder, dat vindt [minderjarige 1] erg vervelend. Misschien zou de vader het goed kunnen maken door zijn excuses aan te bieden, maar dat zal niet alles oplossen.

5.Het advies van de raad

5.1.
De raad adviseert de ouders, en vooral de vader, verder te gaan met hulpverlening bij Yvoor. De situatie tussen de ouders vergt inzet van professionals en de raad heeft goede ervaringen met Yvoor. Wanneer de gezinscoach van Yvoor een mogelijkheid ziet om met de ouders gezamenlijk het gesprek aan te gaan, zal de gezinscoach dat initiëren. Tot die tijd zullen de ouders individueel aan de slag moeten gaan. Gezamenlijk gezag zal niet werken wanneer de ouders blijven vasthouden aan de informatie van de kinderen. Wat betreft de omgangsregeling vindt de raad het nobel van de moeder dat zij aan de wens van de vader tegemoet wil komen om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met kerst bij de vader te laten overnachten, ondanks dat de kinderen aangeven dat zij liever niets aan de omgangsregeling veranderen. De raad vraagt zich af of kerst het geschikte moment is voor een eerste overnachting bij de vader. Zo was kerst 2023 niet fijn en was kerst 2024 moeizaam door de ouders georganiseerd. Een overnachting levert dan misschien extra spanning op voor de kinderen. De raad adviseert een eerste overnachting in een neutraal weekend te laten plaatsvinden, bijvoorbeeld ergens in januari 2026. De raad begrijpt dat de vader een uitbreiding van de omgangsregeling wenst, maar daarvoor is het van belang dat de ouders dichter bij elkaar komen te staan en samen kunnen werken. Dat lukt de ouders op dit moment niet en daarvoor is hulpverlening noodzakelijk. De raad ziet geen toegevoegde waarde in een raadsonderzoek op dit moment. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn zowel bij Yvoor als tijdens het gesprek met de kinderrechter duidelijk geweest en hebben hier hetzelfde uitgesproken. Tot slot vindt de raad het ook van belang dat de ouders zich aan de afspraken houden, zoals de haal- en brengtijden. Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zou het fijnste zijn als de moeder de kinderen naar de vader brengt en de vader de kinderen weer naar de moeder terug brengt, zodat zij de emotionele toestemming van de ouders voelen om contact te hebben met de andere ouder. Het is niet de bedoeling dat de kinderen spanning ervaren zodra zij zien dat zij te laat naar de moeder worden gebracht. De moeder heeft ook voorstellen gedaan om de omgang anders te laten plaatsvinden, bijvoorbeeld dat de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ophaalt bij het voetbalveld of het omgangsmoment wordt verplaatst naar de zondag. Hier wil de vader niet in meegaan. De vader zal zijn houding moeten aanpassen want deze situatie is niet helpend voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

6.De beoordeling

Het wettelijk kader
6.1.
De moeder oefent op basis van artikel 1:253b BW van rechtswege alleen het gezag over de kinderen uit. De ouders hebben geen aantekening laten maken in het gezagsregister van gezamenlijk gezag, noch is op een andere wijze gezamenlijk gezag over de kinderen vastgelegd. De vader heeft de kinderen erkend. Als de tot het gezag bevoegde ouder kan hij op basis van artikel 1:253c BW de rechtbank verzoeken hem alleen of de ouders gezamenlijk met het gezag over de kinderen te belasten.
6.2.
Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Op grond van lid 2 van dit artikel wordt zo’n verzoek, als de andere ouder niet instemt met gezamenlijk gezag, alleen afgewezen als:
er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
6.3.
Afhankelijk van de hiervoor genomen beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag is op het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling dan wel, in het geval van gezamenlijke gezagsuitoefening de zorgregeling van toepassing artikel 1:377a (omgangsregeling) of de geschillenregeling van artikel 1:253a.
De wijziging van omstandigheden
6.4.
Nu de ouders na het beëindigen van hun relatie een omgangsregeling hebben afgesproken is ook artikel 1:377e BW van toepassing. Het verzoek van de vader begrijpt de rechtbank als een verzoek tot wijziging van de eerder overeengekomen omgangsregeling. De vader stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, welke is gelegen in de leeftijd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook lukt het de ouders niet om te overleggen over de omgangsregeling. De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden sinds het overeenkomen van de omgangsregeling zijn gewijzigd. Het lukt de ouders niet met elkaar te communiceren en afspraken te maken over de omgangsregeling, zoals bijvoorbeeld over omgang met kerst. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek over de omgangs-/zorgregeling inhoudelijk zal beoordelen.
Het gezamenlijk gezag
6.5.
De rechtbank dient te beoordelen of er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] klem of verloren zullen raken tussen de ouders bij het gezamenlijk gezag en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat afwijzing van het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] anderszins in hun belang noodzakelijk is.
6.6.
De rechtbank stelt voorop dat gezamenlijke gezagsuitoefening het uitgangspunt is van de wetgever. Hiervan kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden afgeweken. De kern van het gezamenlijk gezag staat in artikel 1:247 BW. Uit het bepaalde in dit artikel volgt dat het ouderlijk gezag de plicht en het recht omvat van de ouder om zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer mee dat in het belang van hun kind het ouderlijk gezag slechts aan één van hen moet toekomen. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over het kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans dat zij ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het niet klem of verloren raakt tussen hen.
6.7.
Volgens de vader is het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat hij ook met het gezag over hen wordt belast. Hij wil zijn vaderrol vervullen en betrokken zijn bij belangrijke beslissingen in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De communicatie tussen de ouders is weliswaar niet optimaal, maar ook niet dusdanig onmogelijk dat dit in de weg zou staan aan het gezamenlijk gezag. De moeder is het daar niet mee eens en voert verweer. Volgens de moeder is de communicatie tussen de ouders zeer slecht. Overleg tussen de ouders is niet mogelijk. De moeder heeft hiervoor hulpverlening van Yvoor ingeschakeld. De hulpverlening heeft als doel om de communicatie tussen de ouders te verbeteren. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat de moeder aan de slag is met Yvoor en een persoonlijke groei doormaakt. De vader lijkt niet langer deel te willen nemen aan dit hulpverleningstraject omdat hij juist onvoldoende vooruitgang ziet. Verder stelt de moeder dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al hun hele leven klem zitten tussen de ouders, zowel tijdens de relatie als na het beëindigen van de relatie tussen de ouders. De moeder is van mening dat het zeer lastig dan wel onmogelijk is om concrete en duidelijke afspraken te maken met de vader over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
6.8.
Gelet op de overgelegde stukken en de verklaringen tijdens de mondelinge behandeling is de rechtbank gebleken dat van een minimale verstandhouding tussen de ouders geen sprake is. De verhouding tussen de ouders is ernstig verstoord. Er is geen enkele vorm van communicatie mogelijk tussen de ouders. De moeder heeft hulpverlening van Yvoor ingeschakeld maar gebleken is dat de vader hier niet, althans onvoldoende, aan meewerkt. De rechtbank is dan ook met de raad en op de daartoe door de raad aangevoerde gronden van oordeel dat er een onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog meer klem of verloren zullen raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Op dit moment kan dan ook van gezamenlijk gezag geen sprake zijn. De ouders kunnen niet eens met elkaar in overleg treden over bijvoorbeeld een omgangsregeling tijdens kerst. De rechtbank maakt zich ernstige zorgen hoe dit dan zou gaan als de ouders gezamenlijk belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten nemen. De ouders zullen eerst aan de slag moeten met hulpverlening om hun onderlinge communicatie en daarmee de verstandhouding te verbeteren zodat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer vrij kunnen bewegen tussen de ouders. Ouderschapsreorganisatie is daarvoor het meest aangewezen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vader om hem mede met het gezag te belasten op dit moment dan ook afwijzen.
De omgangregeling
6.9.
De vader verzoekt een uitbreiding van de omgangsregeling met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] waarbij de kinderen vaker en ook met een overnachting bij de vader zullen verblijven. De huidige omgangsregeling loopt al twee jaar en is gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] destijds zo afgesproken. Volgens de vader zijn er geen feiten of omstandigheden die een uitbreiding van de omgangsregeling in de weg staan. De moeder voert verweer en stelt dat de omgangsregeling niet naar behoren loopt. Volgens haar geven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan niet naar de vader te willen. De vader betwist dit tijdens de mondelinge behandeling. Volgens hem geven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hem juist aan dat zij meer bij de vader willen zijn en ook bij de vader te willen overnachten, omdat er tot heden nog geen overnachtingen hebben plaatsgevonden. De moeder stimuleert de kinderen om naar de vader te gaan. Zo heeft zij met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken over een mogelijke overnachting bij de vader met kerst en de vader hiertoe een voorstel gedaan. Zij is van mening dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beter korter omgang kunnen hebben met de vader zodat het contact leuk blijft en zo ruzies mogelijk worden vermeden. De moeder verzoekt – middels zelfstandig verzoek – primair dat de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op het afgesproken tijdstip terugbrengt op verbeurte van een dwangsom. Subsidiair verzoekt de moeder dat zij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op het afgesproken tijdstip bij de vader kan ophalen bij de vader thuis. Het komt volgens de moeder namelijk regelmatig voor dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te laat door de vader worden thuisgebracht.
6.10.
De rechtbank begrijpt dat de vader uitbreiding van de omgangsregeling wenst, doch levert het conflict tussen de ouders te veel spanning op voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank is verder met de raad en op de daartoe door de raad aangevoerde gronden ook van oordeel dat uitbreiding van de omgangsregeling op dit moment niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. Zolang de verhouding tussen de ouders dusdanig verstoord is, ziet de rechtbank een uitbreiding van de omgangsregeling niet slagen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geven wisselende signalen bij de ouders over het al dan niet langer willen verblijven bij de vader. Dit is kenmerkend voor het loyaliteitsconflict waar de kinderen zich in bevinden. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verklaren bij de onafhankelijke derden, zoals Yvoor en de kinderrechter, dat zij niet vaker omgang willen met de vader. De rechtbank benadrukt nogmaals dat het van belang is om de spanningen weg te nemen zodat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich weer vrij kunnen bewegen tussen de ouders en daarmee mogelijk in de toekomst ook uitbreiding van de omgangsregeling kan plaatsvinden. De rechtbank zou zich daarbij kunnen voorstellen dat de kinderen in de eerste maand van 2026 een keer gaan overnachten zoals ook door de raad is voorgesteld om te kijken hoe die ervaring is maar het is thans te vroeg dit vast te leggen en dit zullen de ouders dus in onderling overleg, al dan niet met hulp van hun advocaten of hulpverlening, moet regelen. De rechtbank acht het daarbij ook van belang om te benadrukken dat beide ouders zich daarvoor aan de afspraken moeten houden. Dat betekent dus ook dat de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op het afgesproken tijdstip dient terug te brengen naar de moeder, ook als de kinderen later bij de vader zijn vanwege hun voetbalwedstrijd. Het is niet aan de vader om daarom de omgangsregeling op eigen initiatief te verlengen qua tijdstip. Ook dit brengt extra spanningen met zich mee bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Door zich aan de afspraken te houden over de eindtijd van de omgang en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op het afgesproken tijdstip terug naar de moeder te brengen, kan de vader mogelijk ook het vertrouwen van de moeder terugwinnen, hetgeen ten goede komt van de onderlinge verstandhouding maar ook aan het verminderen van de spanning bij de kinderen. De rechtbank acht het op dit moment nog niet van belang om een dwangsom te verbinden aan het niet tijdig terugbrengen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zoals door de moeder is verzocht. De rechtbank adviseert de vader wel dringend mee te werken aan het hulpverleningstraject van Yvoor in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
6.11.
Uit de ingediende stukken is gebleken dat de ouders het eens zijn over de uitbreiding van de omgangsregeling op de verjaardagen van de ouders en Moeder- en Vaderdag. Dit houdt in dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op de verjaardag van de vader en op Vaderdag bij de vader zullen verblijven. Op de verjaardag van de moeder en Moederdag verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder. Daarom zal de rechtbank deze uitbreiding van de omgangsregeling wel vastleggen in de beschikking. Het verzoek van de vader zal voor het overige worden afgewezen.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1.
bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , aanvullend op de door de ouders overeengekomen omgangsregeling, omgang zullen hebben met de vader op Vaderdag en op de verjaardag van de vader en dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op Moederdag en op de verjaardag van de moeder bij de moeder zullen verblijven;
7.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.M. van Uum, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. D.C.L.L. Bosch, griffier op
10 december 2025.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.