Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2025:1367

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 februari 2025
Publicatiedatum
13 februari 2025
Zaaknummer
C/03/338030 / KG ZA 25-8
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:266 lid 5 BWArt. 4 Verordening (EU) Nr. 215/2012 (Brussel I-bis)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing ontruimingsvordering voormalige echtelijke woning na echtscheiding

De man en vrouw zijn gescheiden en huurden gezamenlijk een woning. In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de man huurder wordt van de woning vanaf het moment van inschrijving van de echtscheiding in de registers. De vrouw bleef echter in de woning wonen ondanks herhaalde verzoeken van de man om te vertrekken.

De man vorderde in kort geding dat de vrouw de woning ontruimt en de sleutels aan hem overhandigt, met een dwangsom bij niet-naleving. Daarnaast vroeg hij een verklaring voor recht dat hij huurder is. De vrouw verscheen in persoon en vroeg om een termijn voor ontruiming, voerde geen verweer tegen de ontruimingsvordering.

De voorzieningenrechter oordeelde dat een verklaring voor recht niet kan worden gegeven in kort geding, zodat dit deel van de vordering werd afgewezen. De ontruimingsvordering werd toegewezen op grond van artikel 7:266 lid 5 BW Pro, omdat de vrouw per inschrijving echtscheiding geen huurder meer is. De vrouw krijgt een termijn van één maand om de woning te verlaten. De dwangsom wordt toegewezen maar gematigd tot maximaal €5.000 met een dagbedrag van €100.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vrouw wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen één maand met dwangsom bij niet-naleving.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/338030 / KG ZA 25-8
Vonnis in kort geding van 13 februari 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaatsnaam] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M.B. Chylinska,
tegen
[gedaagde],
te [plaatsnaam] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw,
in persoon verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de mondelinge behandeling van 30 januari 2025.
1.2.
Op 30 december 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij waren in de zittingszaal aanwezig de man, de vrouw en een tolk. De advocaat van de man heeft online deelgenomen via Teams. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven hiertegen geen bezwaren te hebben.

2.De feiten

2.1.
De man en de vrouw zijn gehuwd geweest. Op [datum] 2022 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op [datum] 2023 in de openbare registers ingeschreven.
2.2.
Partijen huren gezamenlijk een woning aan de [adres] te [plaatsnaam] (hierna: de woning).
2.3.
In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaalt dat de man huurder zal zijn van de woning met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.4.
De man heeft de vrouw herhaaldelijk verzocht de woning te verlaten. De vrouw heeft hier tot op heden geen gevolg aan gegeven.

3.Het geschil

3.1.
De man vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. zal bepalen dat de man bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de woning en de in de woning aanwezige inboedel staande en gelegen aan gelegen aan van [adres] te ( [postcode] ) [plaatsnaam] , waarbij de vrouw de sleutels aan de man ter beschikking dient te stellen en te bepalen dat zij de woning moet verlaten en niet meer mag betreden, op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat zij daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,-;
2. althans een zodanige beslissing zal nemen als de voorzieningenrechter zal vermenen te behoren ten behoeve van de man.
3.2.
De vrouw is in persoon verschenen. De vrouw voert geen verweer tegen de vordering, maar vraagt een termijn te geven waarop zij de woning dient te verlaten.

4.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat partijen beiden de Poolse nationaliteit hebben. Partijen hebben allebei een vaste woonplaats in Nederland.
4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de hoofdregel ex artikel 4 van Pro de Verordening (EU) Nr. 215/2012 (Brussel I-bis) in de onderhavige zaak van toepassing is, te weten dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft indien de gedaagde in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, hetgeen in de onderhavige zaak het geval is.
4.3.
Op het geschil is, mede gezien de impliciete rechtskeuze die partijen hebben gedaan, Nederlands recht van toepassing.
Spoedeisend belang
4.4.
Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak.
Inhoudelijke beoordeling
4.5.
De man vordert in feite een verklaring voor recht dat hij met uitsluiting van de vrouw is gerechtigd tot de woning en de inboedel. Het belang bij een zodanige vordering is gelegen in het belang om de tussen de betreffende betrokkenen eventuele bestaande onzekerheden ter zake van hun rechtsverhouding op te heffen. De verklaring voor recht legt de rechtsverhouding tussen partijen bindend vast. Het voorlopige karakter dat de voorziening in kort geding per definitie heeft, brengt met zich dat de uitspraak in kort geding een dergelijke bindende kracht niet kan hebben. Daarnaast geldt dat in een kort geding enkel een voorlopige voorziening (een gebod of verbod) kan worden gevorderd. Een verklaring voor recht valt niet onder het begrip voorziening. Het behoort dus niet tot de bevoegdheid van de rechter in kort geding een zodanige uitspraak te doen. Het eerste deel van de vordering, de verklaring voor recht, zal dan ook worden afgewezen.
4.6.
Het tweede deel van de vordering van de man betreft de afgifte van de sleutels van de woning door de vrouw aan de man en het verlaten van de woning door de vrouw. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij in feite wenst dat de vrouw wordt veroordeeld de woning te ontruimen.
4.7.
De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde ontruiming, maar heeft gevorderd om haar een termijn te gunnen voor de ontruiming.
4.8.
In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven huurder zal zijn van de woning. Op grond van artikel 7:266 lid 5 BW Pro eindigt op diezelfde dag de huur met de andere echtgenoot. In het onderhavige geval betekent dit dat de huur voor de vrouw is geëindigd per [datum] 2023.
4.9.
Het vorenstaande betekent dat de gevorderde ontruiming zal worden toegewezen. De voorzieningenrechter acht daarbij een termijn van één maand, mede gezien het feit dat de vrouw sedert [datum] 2023 geen huurster meer is van de woning, redelijk. Ook het gevorderde verbod om de woning daarna niet meer te betreden zal worden toegewezen op de wijze zoals hierna vermeld.
Dwangsom
4.10.
De man vordert een dwangsom te verbinden aan de veroordeling. Door de vrouw is geen verweer gevoerd tegen deze vordering.
4.11.
De voorzieningenrechter zal deze vordering dan ook toewijzen. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om de gevorderde dwangsom te maximeren en te matigen zoals hierna in de beslissing is bepaald.
Proceskosten
4.12.
Gelet op het feit dat partijen gewezen echtelieden zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt de vrouw om binnen één maand na betekening van dit vonnis de sleutels van de woning, gelegen aan het adres de [adres] te [plaatsnaam] aan de man ter beschikking te stellen en de woning te verlaten en niet meer zonder toestemming van de man te betreden, op straffe van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag dat zij daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 5.000,-,
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2025.
MS